Politieke leiders op het IDFA

Gelukkig bestaat Oostenrijk niet meer

Op het International Documentary Filmfestival Amsterdam (22 tot en met 30 november) worden zes films vertoond over politieke leiders van nu. Een unieke gelegenheid voor een vergelijkende analyse. Tot welke conclusies zouden kijkers in een verre toekomst komen? «Poetin? Nooit van gehoord.»

Over een paar honderd jaar wordt op de zolderverdieping van een advocatenkantoor aan het Amsterdamse Kleine-Gartmanplantsoen een kluisje ontdekt met zes videobanden. Een medewerker weet dat het kantoorpand eeuwen terug De Balie heette en dat daar culturele manifestaties plaatsvonden. Op de banden staat «IDFA», een filmtitel en de toevoeging «politieke leiders». Vooral dat laatste wekt de nieuwsgierigheid van de advocaten. Een van de confrères krijgt een videorecorder los bij een museum. Een kabeltje naar de computer en klaar is de wandprojectie. Niets staat een boeiend filmavondje in de weg

De eerste video heet The Unknown Putin. «Goeie titel», zegt een senior-medewerker. «Heeft iemand hier ooit van een Poetin gehoord? De regisseur heeft een Russische naam.» De film begint in een piepklein appartementje, volgepropt met meubilair en een tv. «Kijk, een antieke monitor. De film moet tussen 1950 en 2020 zijn gemaakt», roept een schrandere stagiair. Op het beeld staat: «appartement van de onderwijzeres». Een dikke moeke op haar zondags wacht bij de deur. Daar gaat de bel. Achter een gigantische bos rode rozen verschijnt een iel mannetje. Zijn hoofd steekt uit een jongetjesjas met een enorme capuchon met bontrand. Hij wordt als de verloren zoon binnengehaald, omhelsd en bevoeld. Deze Poetin was ooit haar pupil en voelt zich nog steeds zo, dat zien de advocaten wel. Ze pakt zijn handen. Gelukkig, ze voelt nog eelt. Vroeger was hij ook zo stoer, zegt ze. Doet hij nog wel aan sport? Mooi. «Ik word woest wanneer ze over je zeggen dat je een blanco pagina bent», roept de onderwijzeres uit. «Wil je wat pickles mee? O, je mag natuurlijk niks vreemds aannemen», zegt ze met een blik op zijn lijfwacht. «Van u wel», zegt haar pupil. Van onder de kast wordt een pot komkommers te voorschijn getoverd. Poetin is er maar verlegen mee

«Is dat een politiek leider van Rusland geweest?» De aanwezige advocate moet haar gelach smoren, want de volgende scène speelt zich af in de presidentiële werkkamer van het Kremlin. Het commentaar bij de scène luidt dat het niet meevalt een portret te maken van iemand die net wereldberoemd is geworden. In een flashback wuift Poetin een afgepeigerde president Jeltsin uit. De truttig gedrapeerde gordijnen van zijn werkvertrek zitten potdicht. «Vladimir Vladimirovitsj, weet u al wat u voor uitzicht heeft?» vraagt de filmmaker. «Nee, eigenlijk niet. Op het achterhof, vermoed ik», zegt Poetin. «Dus we krijgen een wereldprimeur!» Poetin aarzelt en loopt dan gedwee naar het raam. «O, het is het plein», zegt de kersverse president zonder enige opwinding. «Bent u niet nieuwsgierig van aanleg?» «Niet voor zulke details», antwoordt Poetin. «Tsaar Nicolaas II keek altijd naar buiten, naar de massa’s. Daar zijn foto’s van», probeert de man achter de camera. Poetin kopt graag in: «Die had niks anders te doen. Het is ook slecht met hem afgelopen.»

De advocaten beginnen dit intieme portret van een Russische president reuze spannend te vinden. Wanneer Poetin zich in allerlei stoere posen rond een stoel laat schikken voor een officiële fotosessie («Relax! Kunt u niet vrolijker kijken? Nu zo vriendelijk mogelijk naar mij lachen!») zijn ze verbijsterd dat de president zijn onbeholpen gedrag, dat die foto’s juist moeten verdoezelen, zomaar laat filmen. Ze zien ook hoe onthand de man is wanneer hij in zijn datsja thee met citroen geserveerd krijgt in plaats van thee met melk. Het is de regisseur die het onrecht bij de huishoudster gaat herstellen. «Die filmmaker behoort vast tot de kennissenkring van Poetin», concludeert de senior-medewerker van het advocatenkantoor

Eén scène detoneert nogal in The Unknown Putin. De president laat zich filmen bij een haastig in elkaar geflanst houten bord met «9-9-1999» erop, ter herdenking van de slachtoffers van een «terroristische aanslag». «Poetin-privé maakt hier even plaats voor je reinste propaganda», vindt de advocatuur eensgezind. «Ongetwijfeld de tegenprestatie die hij van de regisseur verlangde. Maar wij hebben een jaartal!

Nu wordt News from Number Ten in de recorder geschoven. Een BBC-productie wordt aangekondigd en wanneer Downing Street 10 in beeld verschijnt, slaken de advocaten een zucht van herkenning. Een commentaarstem meldt trots: «We hebben de afgelopen drie maanden de strijd tussen Nummer 10 en de media gefilmd.» Hoofdpersoon van de film is Alistair Campbell. Vanuit het Londense hoofdkwartier opereert hij als perssecretaris van premier Tony Blair, zo wordt snel duidelijk. De premier komt af en toe binnenrennen en wil dan desgevraagd wel enige nietszeggendheden in de camera spreken.

«Die Blair hebben we al in de vorige film gezien!» roept de stagiair van het advocatenkantoor. «Hij werd met zijn hoogzwangere vrouw door Poetin in Petersburg ontvangen. Dat vond ik een van de saaiere scènes, omdat Poetin zich niet liet kennen.» «Blair heeft tenminste de uitstraling van een staatsman», vindt de advocate. «Zelfs in hemdsmouwen.» Alistair Campbell wordt gevolgd in een eindeloze hoeveelheid briefings, overlegjes met zijn staf en gedoetjes met de pers, allemaal op dezelfde toon. «Jongens, ik ga wat inschenken», zegt de senior-medewerker tegen zijn collega’s. «In deze film gebeurt van alles, maar het zijn words, words, words. Geef mij de beelden van de Poetin-film maar.» «Wacht even, Poetin is in aantocht», zegt de stagiair. Op Downing Street wordt het scenario voor het tegenbezoek van de Russische president nauwgezet ingestudeerd. Vooral de mooiste locaties voor de persfoto’s krijgen aandacht. Maar de werkelijkheid blijkt weerbarstig. Poetins tolk dringt zich voortdurend tussen de beide wereldleiders in. Campbells onzichtbare hand moet de fotosessie redden.

Slechts op twee momenten zitten de advocaten op het puntje van hun stoel bij News from Number Ten. Het eerste betreft het slot van de film, wanneer Alistair Campbell zelf onder vuur komt te liggen. Hij doet zijn werk namelijk te goed. Er zijn papieren uitgelekt die Tony Blair ontmaskeren als een blanco pagina, die wordt volgeschreven door zijn pers secretaris. Een filmliefhebbende advocaat mokt bij dit einde van de film: «Dat is geen goede documentaire maken, dat is pure mazzel hebben.»

Het andere spannende moment vindt plaats op de Londense persconferentie met Poetin. Een journalist van The Observer wil de Russische president een kritische vraag stellen. De journalist was in Tsjetsjenië toen de Russen daar huishielden, vernemen de kijkers, en is onthutst teruggekeerd. Komt hij aan de beurt? De regisseur blijft op hem ingezoomd. Discussieleider Campbell doet alsof hij de Observer-man niet ziet. De vrouwelijke advocaat veert op. «Herinneren jullie je nog wat Poetins persman tegen hem fluisterde vlak voor de persconferentie met Blair in Rusland? ‹We hebben een probleempje›, zei die Russische Campbell. ‹We kunnen de buitenlandse pers niet controleren.› Nou, in Engeland controleren ze zelfs hun eigen pers, uit angst voor pijnlijke vragen over dat Tsjetsjenië.»

Dan is het tijd voor Rudyland. Dat die film over het New York van burgemeester Rudolph Giuliani gaat, wordt de advocaten direct duidelijk gemaakt. Statements van en over de burgemeester flitsen langs, afgewis seld met flarden stad en bewoners. De film begint met het aftellen van het jaar 2000 op Times Square, waar de gevels worden beheerst door schreeuwerige Disney- en andere reclames. De beelden en statements in Rudyland worden almaar verknipter. Giuliani’s hoofd wordt in duizend brokjes gehakt, in blauwgroen weggevaagd en in flarden teruggetoverd, en de teksten van hem en van de tientallen personages worden na elke halve zin weggedraaid. Gelukkig kennen de meeste advocaten New York al, want in de film vliegt die stad in honderden losse flintertjes langs.

Een van de oudere maten komt, eindelijk uitgewerkt, de filmvoorstelling in zijn kantoor binnenlopen. «Krijgen jullie geen koppijn van die beelden? Waar gaat het over?» «Ik snap enkel dat de tegenstanders van die burgemees ter vinden dat hij van New York één groot, gecontroleerd Disneyland maakt», antwoordt de senior-medewerker. «En misschien heeft de regisseur om die reden van zijn film ook een soort Disneyland gemaakt.» «Je moet deze film zien in het licht van het jaar 2000», zegt de filmliefhebber van het gezelschap. «Toen hadden ze net de trucageknoppen van de digitale montagemachines ontdekt. Die moesten natuurlijk worden uitgeprobeerd.»

Uncle Saddam begint als een propagandafilm uit Irak. Saddams hoffilmmaker vertoont beelden uit een hoge stapel videofilms. «Dit is mijn laatste documentaire over zijne excellentie, president Saddam Hoessein», vertelt hij. Terwijl hij op neutrale toon aangeeft wie Saddams moeder was, verschijnt een tekst in beeld: «Saddams moeder probeerde hem te aborteren. Ze noemde hem ‹Hij die rebelleert›.» Uncle Saddam is in de Verenigde Staten gemaakt. Bij alle Iraakse archiefbeelden spreekt een verteller, aangeduid als «XXX», zijn commentaar over het monster Saddam.

«Leuk, zo'n teruggekaatste propagandafilm. Maar zullen we het geluid afzetten?» oppert de oudste advocaat in de maatschap, met een bord Vietnamees eten op schoot. Hij verslikt zich aan het slot, wanneer Paul Anka opeens een pathetisch lied aanheft over kinderen die liefde en zorg nodig hebben. Nu zit hij, tot zijn verrassing, naar een heel andere film te kijken: een met schrijnende beelden uit een Iraaks kinderziekenhuis. «Gatver. Typisch Amerikaans, toen al blijkbaar, om er een soort Unicef-actie aan vast te breien.

De advocaten pakken de tape met de titel Reed Dance. De regisseur is een Pool. Tot aller verbazing verschijnt het Afrikaanse platteland in beeld. Twee tienermeisjes baden in een poel en fantaseren hoe het is om de vrouw van de koning te worden, Mswati III van Swaziland. «Jij bent veel te plat», zegt de een tegen de ander. Voors en tegens van deze hoge positie worden afgewogen. Al gauw blijkt dat ze niet dromen: elk jaar worden alle maagden van Swaziland opgetrommeld om in een ceremoniële dans, de Rietdans, voor de koning te verschijnen. Soms kiest hij een extra echtgenote uit hun rijen. «Bah, folklore», begint de filmliefhebbende advocaat meteen. Maar omdat de ceremonie nog ver weg lijkt en hij het een verademing vindt dat de Poolse filmmaker de beelden voor zich laat spreken, zonder die eeuwige commentaarstem, bindt hij in. De koning is te zien op tapes van — wederom — zijn hoffilmer. Een kostschooljongen in Engeland, die vervolgens star voor zich uit staart op een troon, gehuld in een bont kostuum. Hij is een geweldig jager, heeft absolute macht en wordt aanbeden door het volk, vertelt een prins.

Langzaam sluipt een ongemakkelijk gevoel onder de beelden van Reed Dance. Een dorpsoudste wordt door een kraalgenoot om raad gevraagd over nieuwe ziekten die meisjes kunnen oplopen en over de oude riten volgens welke jonge meisjes bewaakt werden tegen hongerige mannen. Dat ritueel is, met dank aan de missionarissen, lang geleden opgeheven. Schoolmeisjes in trainingspak praten over hun angst door de krijgers van de koning te worden verkracht. Een man in traditioneel gewaad strijkt neer bij zo'n groepje tieners op het land en begint over condooms. Een meisje zegt berustend: «Alsof je ze die aan kunt laten trekken in het stikdonker, als ze je aanranden.» Nee, geen van hen is maagd. Voor maagden moet de koning bij meisjes onder de tien terecht. De koning en zijn vrouwen kijken verveeld toe bij een performance van het lied Condooms vermoorden Swaziland: «Condooms verspreiden aids. Toen er geen condooms waren, was er geen aids in Swaziland.» De film eindigt wanneer honderden krijgers met een rietpluim staan te wachten op honderden meisjes, die fraai uitgedost aan hun dodendans gaan beginnen. De aftiteling vermeldt dat ten minste een op de twee tieners in Swaziland de komende jaren aan aids zal sterven.

In het advocatenkantoor aan het Kleine-Gartmanplantsoen is het even heel stil. «Zo'n film maakt de avond goed», zegt de advocate tenslotte. «Razend knap, beelden met een onderlaag waarin de koning ongewild symbool van het kwaad wordt», vindt de filmliefhebber. «Gelukkig is het verspreiden van leugens over condooms allang strafbaar — zelfs voor bisschoppen», voegt de oudste der maten toe.

«Jongens, het toetje: een Oostenrijkse film, Die Wahlkämpfer.» «Kijk, dat is nu eens een leuke politieke leider», merkt de stagiair tijdens de film op. «Vlot gekleed, biertje erbij, hij tafelvoetbalt en zingt mee met de fanfare. Hoe heet hij?» «Jörg Haider», antwoordt de senior-medewerker nors. «Zeg, heb jij je ogen in je zak zitten? Zie jij niet wat voor lui deze ‹Wahlkämpfer› zijn, de mensen met wie hij zich omringt? Ik zie een aaneenschakeling van verbitterde heksen, geniepige kantoorklerken en domme klerenkasten. Hoor je niet wat voor taal ze uitslaan? Lui ster dan: ‹Ik ben geen racist, maar in Oostenrijk word je er wel een.› Wat een volk, dat zo'n leider kiest. Enfin, gelukkig bestaat Oostenrijk niet meer.»

«IDFA = kapitalisme »

Met een Schaduwfestival in De Melkweg trekt film docent Stefan Majakowski ten strijde tegen het grootste documentairefestival ter wereld. Zelfs de salarissen van de festivalleiding vinden bij Majakow ski geen genade, zo was afgelopen week in de Volkskrant te lezen. Niet zozeer de hoogte van die kostenpost leek hij ter discussie te willen stellen, als wel het feit dat er links en rechts werd verdiend aan de filmkunst. U bent voorstander van het oprechte amateurisme in de festivalbranche? Stefan Majakowski: «Geld is een teken van gevestigd zijn. Het idfa is de plek voor gearriveerde filmmakers. Er is geen plaats voor gekke nieuwe films.» Hoe komt u daar nou bij? Het IDFA vertoont toch juist van alles? «Dat is precies het probleem. Het is een supermarkt waarin je de weg kwijtraakt, zeker mijn studenten.» Daar ligt een schone taak voor u, als wegwijzer. «Ik ben liever het gespecialiseerde winkeltje aan de overkant, dat enkele delicatessen aanbiedt met alle aandacht die ze verdienen.»

De leiding van het idfa onderkent dat de selectiecriteria voor de competitie compromissen als uitkomst kunnen hebben. Belangwekkende onderwerpen strijden om voorrang met eigenzinnige producties, er moet een zo breed mogelijk beeld van de wereld te zien zijn, en de films mogen nog niet in Europa zijn vertoond. Om dit euvel te ondervangen zijn er bijprogramma’s gecreëerd met dwarsere selecties oude en nieuwe films. Het meest uitdagend is de sectie Reflecting Images. Neem de films over politieke leiders die het idfa dit jaar vertoont. Drie van de zes films, Die Wahlkämpfer, Reed Dance en Rudyland, zitten in de competitie. De drie beste? Zeker niet. Enkel Reed Dance heeft bijzondere kwaliteiten. De overige drie worden in Reflecting Images vertoond. Het unieke document The Unknown Putin verhuisde louter om praktische redenen naar dit programma. Wie geïnteresseerd is in de beeldvorming rond politiek leiderschap krijgt hier prachtig vergelijkingsmateriaal.

Van een ideologische botsing tussen Stefan Majakowski’s Schaduwfestival en het idfa, zoals hij zelf suggereert, lijkt geen sprake. De helft van de tien films in zijn programma is jaren oud en de nieuwere betreffen grotendeels Channel4- en studentenproducties. Zulke films kunnen geen prioriteit hebben op een festival dat zich richt op premièrefilms van professionals. Met thematiek of filmstijl heeft dat weinig te maken. Majakowski’s openingsfilm over Roemenië, Videogramme einer Revolution (1992) is een erkende klassieker. En het ongelooflijke Russische docudrama The Seven Simeons (1991) is zelfs op het idfa vertoond. Beide films zijn op tv geweest. «Mijn studenten kennen ze nog niet», zegt Majakow ski. «En vele anderen dus ook niet.» Blijft de vraag waarom hij deze mooie films niet gewoon náást maar met veel bombarie tégen het idfa presenteert. Majakowski blijft erbij: «Het idfa is kapitalisme op zijn best.» (Annemieke Hendriks)