«Gelukkig. Ik ben niet gek»

Sanne Wallis de Vries ging het podium op om begrepen te worden. Maar inmiddels is dat niet meer zo belangrijk. «Mijn gevecht is klaar. Ik ben aan de overkant beland.»

Warrigheid is een steeds terugkerend thema in de shows van Sanne Wallis de Vries. Ook tijdens een gesprek kan ze behoorlijk uitweiden en zichzelf in een zijweg verliezen. Om zich dan opeens af te vragen: «Waar was ik gebleven?» Waarna ze trefzeker terugkeert naar het uitgangspunt van haar verhaal: «O ja, daar was ik.» Ze becommentarieert regelmatig haar eigen uitspraken. Bijvoorbeeld als ze iets vertelt waar haar moeder in voorkomt: «Daar heb je die moeder weer.» Haar moeder vond dat Sanne altijd al cabaret was: «Zij zei later wel eens tegen vrienden: ‹Als we dat in die tijd hadden geweten, dat het eigenlijk een vak is hoe Sanneke is, dan hadden we wel gezegd: ga cabaret doen.› Maar in die tijd wisten ze dat nog niet. Op school zeiden ze dat ik heel druk was. Maar dat had er volgens mij vooral mee te maken dat ik me verveelde. Ik was vaak als eerste klaar. Ik was altijd bezig, ik maakte overal een spel van. Maar ’s avonds kon ik vaak niet slapen. Dan lag ik wakker en probeerde te bedenken hoe het nou verder allemaal moest. Met mijzelf en de wereld. Ik was speels, maar ook heel somber. Die twee kanten heb ik nog steeds. Daarom ben ik ook heel blij dat ik in dit vak terechtgekomen ben. Mijn moeder heeft mij een kaart gegeven bij de première van mijn eerste voorstelling, Sop, met een gedicht dat heet: Je bent geworden wie je was. Dat kan me nog steeds ontroeren. Er zat een foto bij van mij als baby, met zo’n open en onbevangen blik. En openhangende mond, trouwens.»

Ze werd afgewezen door de Toneelschool en de Kleinkunstacademie: «Later voelde ik wel een klein triomfje, toen ik in de musical Foxtrot speelde. Toen vroeg regisseur Weissmann aan me: ‹Waarom heb je geen auditie gedaan bij ons op de Kleinkunstacademie?› Ik zei dat ik dat wél had gedaan. Hij sloeg zijn handen voor zijn ogen en zei: ‹Ooowww, hoe hebben we jou kunnen laten lopen?› Daar zat natuurlijk drama bij, maar toch.»

Ze is nooit zo handig geweest in haar pr. Daarom adviseerde regisseur en mentor Selma Susanna haar om ja te zeggen tegen Wie is de mol: «Zij dacht dat het wel eens leuk zou zijn als mensen ook mijn andere kant zouden zien. Ik dacht: ik laat mezelf liever niet zien. Ik laat al genoeg zien. Ze zei: ‹Waarom zou je die kant van je principieel verstoppen?› Want er zit natuurlijk ook een lief, aardig, meelevend meisje in mij.»

Ze vond haar plek vijftien jaar geleden bij Selma Susanna, toen ze bij Crea een cursus kleinkunst volgde: «Selma zei tegen mij: ‹Ik ruik bloed.›» Vijf jaar later, in 1996, won ze het Leids Cabaretfestival, waarna ze met vier succesvolle shows in de theaters stond. Nu is ze met haar laatste voorstelling, Vier, genomineerd voor de Poelifinario, de prijs voor de beste cabaretvoorstelling van het afgelopen seizoen. Ze is vooral op het podium gaan staan om begrepen te worden.

«Tot dan toe had ik nog nooit begrip gevoeld. Ik ervoer het podium als een handreiking. Ik voelde opeens herkenning: zie je wel, er zijn mensen die hebben dit ook, ik ben niet gek. Ik kon mezelf zijn, ik kon mijn gedachten kwijt en ik voelde me opeens begrepen.» Ze benadrukt dat ze nooit «therapeutisch» cabaret heeft willen maken: «Ik denk dat ik voldoende talent heb om iets wezenlijks te zeggen. Iets wat interessant is voor meerdere mensen. Maar die schreeuw om begrip, die was wel altijd op de achtergrond aanwezig.»

Ze kan moeilijk verwoorden wat de kern is van haar werk. En dat wil ze ook niet. Het is zoals Prince, haar jeugdheld, het ooit tijdens een optreden formuleerde: «Is this funky? If you can describe it, it ain’t funky!» Sanne Wallis de Vries: «Uiteindelijk gaat het erom dat je een bepaalde waarheid te pakken hebt.»

Die waarheid ziet ze zelf terug bij artiesten als Maarten van Roozendaal en Prince, maar ook bij Björk, in haar beginjaren: «Zij is nu een beetje in de vergetelheid geraakt, maar toen ze net begon had ze ook dingen echt te pakken. Ik dacht toen: gelukkig, ik ben niet gek, zij denkt net als ik. Ik voel me aangetrokken tot een bepaald anarchisme in haar. Ze heeft echt geen grenzen. Maar ze doet niet gek om het gek doen, ze gaat recht op haar doel af. Ik denk dat voor mij hetzelfde geldt.»

«Wat ik in mijn werk eigenlijk alleen maar doe is laten zien wat voor weerslag de wereld heeft op mij. Dat is alles wat ik ermee wil. Ik krijg veel bijval van dertigers. Over hoe het is om op je 33ste een kind te krijgen bijvoorbeeld. Maar ook over hoe het is om tot deze generatie te behoren. Toen ik in 1989 van school kwam, was alles al gezegd en gedaan. Onze ouders hadden op de barricaden gestaan – wij konden ons niet eens afzetten tegen onze ouders. Ik heb daarvan wel meegekregen dat het geen zin heeft je uit te spreken. Uiteindelijk heeft al dat gedemonstreer niets opgeleverd: er is nog steeds oorlog.

Tot Vier heb ik het engagement dan ook angstvallig buiten mijn shows gehouden. Je merkte niet eens dat ik überhaupt een krant las. Waarom zou ik als nummer zoveel zeggen wat ik van de Palestijnse kwestie vind? Maar de laatste jaren is mijn linkse, idealistische kant toch wat meer aangewakkerd. Dat komt ook door mijn vriend, die cameraman is en, zoals ik het altijd een beetje spottend noem, uit de oud-linkse hoek komt. Hij is heel geëngageerd en samen kunnen we uren praten over wat we van de wereld vinden. Hij vond mijn vorige programma’s nogal vrijblijvend. Hij zag de meningen die ik thuis wél verkondig daar niet in terug. Dat vond ik zelf wel, alleen zat het misschien wat verscholen. Na zijn commentaar ben ik me toch maar iets meer gaan uitspreken. Vier is dan ook de helderste voorstelling die ik heb gemaakt. Maar nog steeds bedek ik mijn meningen liever. Ik vertel het wel met een symbolisch verhaal, voor de goede verstaander.

Maar in wezen ben ik natuurlijk ook een enorme geitenwollen sok. Ik heb wel geloof in en hoop op een betere wereld. Ik geloof ook in het goede in de mens. En in het belang van samen dingen doen. Samen een voorstelling maken, samen een boot schilderen voor mijn part. Het brengt mensen nader tot elkaar.

In mijn voorstellingen is mijn uiterlijk heel belangrijk. Het is een handvat, een gebruiksvoorwerp. Ik ben me honderd procent bewust van hoe ik eruitzie. Hoe ik beweeg en hoe ik kijk: ik gebruik het allemaal. Mijn hoofd is een sterk expressiemiddel. Soms denk ik dat ik het klein houd en een klein gebaar maak. Dan blijkt dat tot op de achterste rijen te zien was hoe ik mijn hoofd bewoog. Ik zoek steeds meer naar controle over wat ik nog meer zou kunnen. In Vier dansen we bijvoorbeeld veel. Het is een expressiemiddel waar ik heel blij van word. Daar wil ik nog meer gebruik van maken.

Af en toe ben ik wel eens bang voor het publiek. Zoals bij het begin van Vier. Ik had twee jaar niet getoerd door de geboorte van mijn dochter, maar wel veel Kopspijkers gedaan. Er kwamen mensen kijken die een soort pruikenshow verwachtten. Er waren ook veel mensen die wegliepen. Dat trok ik me in het begin erg aan. Het is erg als je iets maakt wat je zelf mooi vindt en het publiek schat dat niet op waarde. Maar uiteindelijk denk ik: ga dan ook maar, dat is voor iedereen het beste. Ik heb mezelf enigszins in de wielen gereden met Kopspijkers. Maar uiteindelijk zijn het twee kanten van dezelfde medaille en vind ik Kopspijkers ook heel erg leuk om te doen.

Als ik tijdens voorstellingen het idee heb dat ik tegen een muur sta aan te spelen, is het enige wat ik kan doen: er even uitstappen. Dan vraag ik bijvoorbeeld aan iemand op de eerste rij: ‹Goh, vindt u het nog te doen, of is het anders dan verwacht?› Dat levert dan een hilarisch moment op, waardoor de spanning wegebt. Uiteindelijk zit je op zo’n avond toch met z’n alleen in hetzelfde schuitje. Toevallig sta ik op het podium, maar de mensen in de zaal hebben er ook niets aan als de avond niet lukt.»

Inmiddels heeft Wallis de Vries het podium niet meer zo nodig. Niet om begrepen te worden, althans: «Het blijft natuurlijk wel solocabaret, maar die focus op mijzelf, die je er gratis bij krijgt, ervaar ik steeds meer als ongewenst, als een beperking. Daarom wil ik nu meer voor andere mensen gaan schrijven: toneel bijvoorbeeld, maar ook interviews. Schrijven is de basis waarnaar ik altijd terug wil. En ik hoef niet meer met mijn eigen gezicht vooraan te staan. Bij deze show wilde ik bijvoorbeeld al niet meer pontificaal met mijn gezicht op het affiche. Ik sta er nog wel op, maar niet meer alleen, en ook wat vager en onherkenbaarder. Ja, daarmee ben ik klaar. Ik kan ook beter loslaten nu. Vroeger kon ik ergens enorm lang in blijven hangen. Ik kon me helemaal verliezen in allerlei rampscenario’s. Van dingen die zouden kunnen gebeuren, maar die zich alleen in mijn hoofd afspeelden. Ik kon lange gesprekken voeren waarin ik iedere keer hetzelfde zei, omdat ik het gevoel had dat ik niet begrepen werd. Ik kan nu veel sneller denken: o, nou dan niet. En de dingen laten voor wat ze zijn. Het negatieve, dat is weg nu. Dat voelt zo vrij. Ik ben aan de overkant beland.» l

Vier, Sanne Wallis de Vries met Vera Kaye en Cindy Grande. Tournee tot eind december. www.sannewallisdevries.nl