© VPRO

Vader en dochter Moussaïd volgden het spoor terug, in ruimte en tijd. Van Vlaardingen in 2021, naar Fez in Marokko, waar hij in 1974 op zijn zeventiende, arm en ongeschoold, vandaan vertrok. Hij heeft dan al een kinderarbeid-carrière als winkelknecht, leerlooier en badmeester achter de rug. Wel ‘capabel’, vond hij zichzelf – een soort zelfvertrouwen dat nul garanties biedt en zelfs averechts kan werken, maar dat in zijn geval bijdroeg aan maatschappelijk en persoonlijk succes. In combinatie, dat wel, met hosselen, mazzel, hard werken, looks, slim- en wijsheid, empathie en een talent voor tevredenheid dat steeds zeldzamer is geworden. Ali Moussaïd, zestiger, die zich op advies van een vriend Alice ging noemen om de Hollandse meiden niet af te schrikken (zijn onmiskenbaar erotisch succes dankte hij toch echt niet aan die curieuze nieuwe naam, lijkt me), kan tevreden op zijn leven terugkijken, al was het alleen omdat dochter en reisgezel dol op hem is, net als haar zussen – dan heb je iets heel goed gedaan.

Hij is geen eerste-generatie-arbeidsmigrant, ter plaatse geworven (op aandringen van VVD- en CDA-stemmend bedrijfsleven dat later de schuld voor sociale problematiek die met migratie meekwam aan links toeschreef – zij zelf wilden louter lichamen huren en nul rechten verlenen). Hij was een jonge gelukszoeker die illegaal naar paradijs Europa wilde, om bittere armoe te ontvluchten en omdat in Fez vakantievierende voorgangers met dure kleren en auto’s vaak buitengewoon misleidend opschepten. Die achtereenvolgens als verstekeling en liftend in Spanje, Frankrijk, Italië, Duitsland en België belandde, om ten slotte hier te wortelen. Waar hij met zijn Oostenrijks-Nederlandse vrouw in Schiedam drie dochters kreeg, die maatschappelijk geslaagd zijn en van wie Nadia BN’er werd, als tv-presentator en gespreksleider voor programma’s over kunst, cultuur, diversiteit en ‘algemene’ zaken.

Het idee voor de driedelige reportagereeks Mijn vader, de gelukszoeker zal van de tv-maakster komen. Omdat makers hun onderwerpen steeds vaker dichtbij zoeken (zeker als dat dichtbij een enorme ver-weg-component bevat); omdat ze oprecht nieuwsgierig is naar de voorgeschiedenis van vader (zijn familie daar is dierbaar en welbekend, maar die Odyssee van de jongvolwassene kent ze slecht); omdat zij wél doet wat de meesten nalaten: ouders essentiële vragen stellen ‘nu het nog kan’. De reeks heeft twee pijlers: de (auto)biografische en de min of meer sociologische, die vorm krijgt in ontmoetingen met andere migranten uit Noord- en Midden-Afrika, die nú in Europa leven – legaal en illegaal; en met jongeren in Marokko die er alles (tot en met hun leven) voor over hebben ons continent te bereiken. Waarbij het autobiografische tegelijk bredere problematiek illustreert: de droom die voor velen nachtmerrie wordt, tijdelijk (zoals bij vader) of permanent; de pijn van ontworteling en thuisloosheid die (naast voordelen) voortvloeit uit leven in en tussen twee culturen; het mengsel van trots en schaamte; de minachting en afkeer die de nieuwkomer ondervindt (al beweert Alice elders dat hij er hier nooit last van heeft gehad – hij spreekt zich wel vaker tegen – maar het tekent zijn optimisme en kracht).

© VPRO

De reis begint dus in aankomstplaats Vlaardingen en daar al blijkt dat de enthousiast aangevangen onderneming bar veel pijnlijke herinneringen op zal rakelen. Het pensionpand waar hij met andere illegalen sliep, inmiddels keurig verbouwd tot gezinswoning, brengt prompt de angst voor de vreemdelingenpolitie terug, gematerialiseerd in het dakraam waar hij zich uit moest gooien bij controle. ‘Ze pakken je als een ratje. Opgejaagde paria.’ Wég wil hij er. Maar ook in de trein naar Parijs, waarin hij zich op Gare du Nord destijds als verstekeling ingenieus had verstopt en onderweg in zijn broek piste, voelt hij de spanning van ‘papieren svp’. (Het concept ‘omgekeerde reis’ klopt maar deels – de hoofdstukken Duitsland en België ontbreken en vanuit Parijs vluchtte hij naar Italië, volgorde die nu ook wordt aangehouden.) Eerst dus Parijs. Ze gaan naar Belleville, de buurt waar hij probeerde te overleven, zoekend naar enigszins beschutte plekken om buiten te slapen. Het grijpt hem, en dus ook haar, aan, want papa’s vage verhaal over ontberingen vroeger is nog wat anders dan op locatie met zwerversogen rondkijken – Orwells Down and Out in Paris and London.

En het hakt er nog meer in als ze Algerijnse en Marokkaanse jongens en mannen spreken die nu precies zo leven als Alice toen. Verkopers van losse sigaretten, aanstekers, drugs. Altijd op hun hoede voor politie, slapend op straat, in tentje of wat nachten bij een vriend. Contact leggen gaat soepel: Alice stapt op iedereen af, wekt vertrouwen met zijn eigen verhaal, zijn Arabisch, zijn begrip voor hun lot dat hij ook leefde. Wat ook weer iets schrijnends heeft: zij hebben het al jaren niet gemaakt en zeggen soms terugkeer te overwegen, hoewel dat gezichtsverlies oplevert; hij is daar als toerist, samen met een zichtbaar geslaagde dochter (die nauwelijks Arabisch spreekt) en met een filmregisseur: meer Europeanen dan migranten. Toch is er kennelijk genoeg dat vader en de mannen bindt, gezien hun opvallende eerlijkheid over lijden en eigen criminaliteit, uit nood geboren. De man die ik geworden ben, ben ik eigenlijk helemaal niet, zegt een van hen. Het raakt. Zozeer dat er meer dan eens gehuild wordt, door dochter én vader. Om dat harde lot van die illegalen; om zijn ontberingen destijds; om haar besef van wat hij heeft doorstaan om haar gelukkige jeugd en loopbaan mogelijk te maken. Vader bekent dat hij gestolen en geript heeft, maar hij is nooit in drugs gegaan.

Naast spontane straatgesprekken zijn er ‘geproduceerde’ ontmoetingen. Met schrijver Abdellah Taïa die al 25 jaar in Parijs woont, dankzij negen broers en zusters in Marokko, hoewel die zijn homoseksualiteit niet accepteren. Met Baye-Dam Cissé, zwarte bokser en beeldend kunstenaar, opgegroeid in een Parijse ellende-flat die hij het ‘pandemonium’ noemt. (Inmiddels gesloopt en een vegarestaurant herbergend!) Met een moeder die niet naar buiten durfde, terwijl hij juist op straat sliep, waar hij het veiliger vond dan binnen. En met een moeder die hem leerde dat je je altijd koest moet houden, onzichtbaar moest maken, als niet-erfelijk Fransman van kleur. Daar heeft hij zich gelukkig niet aan gehouden. Hier is Nadia de interviewster die we kennen, als het gaat om kunst, cultuur en identiteit.

Vader leek in Parijs te gronde te gaan, hongerig, uitgeput en ziek, toen hij telefooncontact kreeg met een Marokkaanse vriend die hem naar Noord-Italië liet komen. In aflevering twee daarom terug naar Capo di Ponte, in de bergen ten noordoosten van Bergamo. Weer het gemak waarmee Alice plots in een restaurantkeuken staat, omdat hij daar Arabisch hoort praten – de Italiaanse eigenaar heeft personeel van 21 nationaliteiten in dienst en nul Italianen, want niet te krijgen. Hassan is er al zeven jaar kok. ‘Hoe word je in deze Lega-streek behandeld?’ ‘Ze haten ons.’ Vergeefs zoekt hij een huis, want Marokkaan. Toch nodigt hij de Hollanders in zijn onderkomen.

Er staat een kleerkast met een berg vrouwenschoenen. Alice, lachend: ‘Smeerlap’, want van seksveroveringen spreken meer (ex-)migranten in de serie. Nogal pijnlijk, deze keer, want het appartementje is van een Boliviaanse vrouw die elders bivakkeert en hem er (geheid tegen betaling) laat slapen, behalve als ze bezopen thuiskomt en hem voor die nacht op straat schopt. Hassan sloot ik in mijn hart: zo aardig, open en de tristesse van migratie verwoordend en vertegenwoordigend. De gretigheid waarmee hij eerder reageerde op Alice’s vrijblijvende droom een restaurantje te beginnen (‘dan kom ik bij je koken’) krijgt met terugwerkende kracht iets wrangs: vergeet het maar, Hassan. Het bezoek aan Capo di Ponte stemt overigens ook niet vrolijk. Hij had zich verheugd op een ontmoeting met Driss, die hem destijds liet overkomen. Moeizaam vinden ze wat Italiaanse Marokkanen, die geen idee hebben. Maar uiteindelijk blijkt dat niemand uit Alice’s tijd er nog is – niet ter plekke, en zelfs niet in leven, na veel treurigheid. Tranen weer. Hoewel hij toch een halve eeuw geen contact had gezocht. En er destijds tussenuit was geknepen om complexe redenen.

© VPRO

Op naar Barcelona, eerste stad van Europese aankomst, waar hij onder meer strandverkoper was, dakloos uiteraard. Dat deel is vooral indrukwekkend door de ontmoeting met Inty (ze ambieert een filmcarrière en heeft er het uiterlijk voor) en Amine – twee Marokkaanse skaters. Rond de dertig. Vrolijke vrije vogels, zoals veel van die bordgasten. Tot langzaam dat niet eens geforceerde imago afbladdert en je alleen maar kunt hopen dat haar dromen van status, succes en geld, en de zijne van een huis waarin hij met koffie en een sigaret wakker kan worden, ooit uit zullen komen, het ergste vrezend. Want ze zijn illegaal. En hoe lang blijft een mens skaten?

Sluitstuk is Marokko. Eerst Tanger, met zijn ontelbare jonge mannen, dromend van en loerend op een kans naar bijna aanraakbaar Spanje te kunnen vertrekken. Wat Alice ooit, de douane te slim af, lukte. Maar wat nu alleen maar moeilijker is geworden. Onthutsende gesprekken met twee jongens die het eindeloos proberen. Onthutsend door de gevaren. Onthutsend doordat ze al jaren resp. in Engeland en Frankrijk zijn geweest, daar armzalige illegale levens leidden maar ten koste van alles terug willen. Waarom? ‘Ze geven je een kans te leven. Je bent er een mens. Je hebt waardigheid. In Marokko heb je veel geld nodig om als mens behandeld te worden. Marokko is de hel, Europa paradijs.’ Oef.

Dan gebeurt er iets vreemds. Nadia vraagt zich af of Marokko, dat voor haar vakantie, familie en letterlijke en figuurlijke warmte betekent, echt een hel zou kunnen zijn. Hoe naïef kun je zijn, denk ik. Alsof de heftige sociale problematiek van het land niet alom bekend is. En verbeteringen onder Mohammed V zeer beperkt. Ze introduceert een leeftijdgenoot, Fadwa, met wie ze zich meer kan identificeren dan met die jongens. De vrouw is social engineer en internationaliseringsexpert, iemand die Europa minder paradijselijk vindt geworden vanwege racisme (terecht) en zich afvraagt waarom al die jongens niet aan een toekomst in eigen land bouwen.

Zoals zijzelf. Tja, zelfs ik kan zien en horen dat ze meer tot de sociale laag van Nadia behoort (hoogopgeleid, goed verdienend) dan tot die van de aspirant-verstekelingen. Nadia doet haar een (hopelijk) spontaan voorstel: ‘Zullen we het aan die jongens verderop vragen?’ Twee gozertjes met een brommer. Hun plannen? Europa natuurlijk. Volgt een verbluffend gesprek waarin Fadwa stelt dat de wereld juist in Marokko aan hun voeten ligt, dat ze hun kansen moeten grijpen. En de jongens, op weg naar hun lyceumdiploma, leggen uit dat het baccalaureaat niets zal helpen. Net als een master, als ze gestudeerd hebben. De banen krijgen ze niet door moordend nepotisme.

Zelfs de modale krantenlezer kan dat volgens mij weten, na grote demonstraties – niet alleen van straatarme Riffijnen zonder perspectief, maar ook van jonge werkloze intellectuelen. Of er zou sindsdien een wonder moeten zijn gebeurd. Zelfs een bijbaantje in de horeca vinden deze jongens niet: ‘Ze moeten je vader kennen.’ Naar Europa dus, want hier kijkt niemand naar je om en daar heeft zelfs een vuilnisman rechten.

In voice-over lijkt Nadia tot dieper inzicht te zijn gekomen over de Marokkaanse realiteit. Tegelijk, terecht, concluderend: ‘Pijnlijk dat ook in Europa niemand op hen zit te wachten – dat hun droom uiteenspat op de rauwe Europese werkelijkheid.’ En dat verklaart ook de grilligheid van Alice in gesprekken met de jonge gelukszoekers van nu. Variërend van ‘doorzetten, kijk naar mij’ tot ‘je waagt je leven voor een nieuw soort hel’. Terwijl hij, als geen ander, begrijpt waarom ze niet tegen te houden zijn.

De serie had iets korter gekund – er wordt wat veel gezocht en sommige gesprekken bieden iets te veel herhaling van zetten. Maar het is een verdiende ode van dochter aan vader. Soms te naïef, vaak in de roos. Vader is succesvoller dan veel gespreksgenoten in en na migratie, vooral toch ook door zijn openheid, wendbaarheid, optimisme en de relatie tot zijn kinderen. De hereniging met de familie in Fez biedt nog verrassingen. Als hij daar weer moet huilen is dat deels van geluk en deels van de pijn die migreren onvermijdelijk betekent. Zoals leven überhaupt verlies meebrengt. Ali en Nadia: geluksvogels tussen ontelbare pechvogels.

Roozbey Kaboly (regie); Alice en Nadia Moussaïd (gesprekken), Mijn vader de gelukszoeker, VPRO, drie delen vanaf zondag 20 maart, NPO 2, 20.25 uur.