Gemangelde liefde

Medium 117680662

Als jonge verslaggever bezoekt Niels Posthumus in 2008 voor het eerst Zuid-Afrika. Hij gaat een avondje stappen in Pretoria’s studentenwijk Hatfield en verbaast zich erover hoe wit het uitgaanspubliek is. Hijzelf wordt die avond vergezeld door een zwarte vriendin; in de ene club wordt zij door het barpersoneel genegeerd, en in de volgende voelt de dansende Posthumus zich opgelaten vanwege ‘afkeurende blikken’ die in zijn rug prikken omdat zijn partner zwart is.

Vier jaar later is hij als freelance journalist terug in het land. Er is weinig veranderd, merkt hij. Als hij in het centrum van Johannesburg gearmd met een zwarte vriendin over straat loopt, sist een Zoeloejongen de vrouw toe dat zij ‘weet waar het geld is’, oftewel ze is uit op die witte creditcard. Posthumus besluit op onderzoek te gaan: waarom lijkt het racisme bijna een kwart eeuw na de afschaffing van de apartheid vooral binnen de liefde door te werken? En wat maakt uitgerekend de liefde in het moderne Zuid-Afrika zo zwaar beladen?

Wat volgt is een speurtocht naar de moeizame ras overstijgende liefde in het land waar Nelson Mandela ooit raciale harmonie predikte. Posthumus richt zich daarbij overigens vooral op de heterowereld, en de combinatie witte vrouw/zwarte man laat hij links liggen. Kortom, hij beperkt zich tot witte man/zwarte vrouw, zijn eigen belevingswereld.

Als goed journalist spreekt hij naast zijn doelgroep ook deskundigen, onder wie een linkse witte econoom en een gekleurde publieke intellectueel. En passant analyseert hij de apartheid (1948-1994) en haar gevolgen, met name de obsessionele afkeer die de witte suprematisten hadden van kleurgrens overschrijdende liefde en de beperkingen die ze oplegden om innige contacten te voorkomen, variërend van een complexe wetgeving tot strikt gescheiden woonwijken en onderwijs.

Het westerse individualisme gaat slecht samen met de Afrikaanse voorkeur voor de extended family

Posthumus stapelt de apartheidskwetsuren op elkaar, om een zo compleet mogelijk beeld te geven van een op alle manieren verwrongen samenleving. Zo analyseert hij in het hoofdstuk over sugar daddies (oudere mannen die er tegen betaling een jonge vriendin, een gold digger, op nahouden) de verbijsterende hang naar materialisme. In het aangrijpende hoofdstuk ‘Elke minuut een verkrachting?’, waarin hij met slachtoffer en dader praat, duikt hij in de verkrachtingsstatistieken en het machismo om te begrijpen waarom er in dit land gemiddeld zestig vrouwen per uur worden verkracht. Ook het stuk over aids is meeslepend.

Afgezien van uitglijers als ‘de zeepbel van de regenboognatie’, ‘de moed spat van haar gezicht’ en ‘zetten de hakken in het racistische zand’ is de stijl sober en direct. Het personage dat de auteur zich aanmeet is dat van een politiek correcte witte buitenstaander die met verbaasde ogen naar Zuid-Afrika kijkt. Soms dreigt het boek te ontaarden in een ‘Niels en de meisjes’ – de eerste mannelijke geïnterviewde verschijnt pas op pagina 93. Echt storend wordt dat nergens, ook al blijft het onthullende peuren in eigen ziel, waar je heimelijk op hoopt, uit.

Een probleem met een dergelijk boek is de afwezigheid van een spanningsboog. Dat de apartheid een perfide systeem was weten we onderhand wel, dus de conclusie dat de ideologie diepe wonden heeft geslagen en dat er nog een lange weg is te gaan, komt niet als een verrassing. Die voorspelbaarheid heeft deels te maken met de keuze van de ‘deskundigen’, die allemaal netjes de these van ‘apartheid is de grote boosdoener’ bevestigen. Een ander probleem is dat Posthumus voor zijn andere interviews vooral leunt op zijn kennissen in Maboneng, de wijk in het centrum van Johannesburg waar hij woont. Maboneng zit vol hipsters, kunstenaars en creatieven, een wijk voor singles, net zo representatief voor Zuid-Afrika als een Amsterdams kraakpand voor Nederland. Vaak is in die gesprekken bovendien niet duidelijk wat de ‘liefde’ nou behelst. Gaat het om verliefdheid, een date, een hang naar exotisme, seks of om een serieuze relatie?

Maar de grootste lacune is de afwezigheid van de combinatie zwarte man/witte vrouw. Posthumus schrijft dat hij die niet heeft kunnen vinden. Dat is onzin, en dat weet hij zelf ook, want in de volgende alinea noemt hij een paar voorbeelden uit de politiek en de sport. Maar die zijn volgens hem niet representatief. Mocht die combinatie inderdaad zo zeldzaam zijn, dan zou het allicht interessant zijn om daar een verklaring voor te vinden. Die ligt hoogstwaarschijnlijk verankerd in het conservatieve traditionalisme van veel zwarte mannen en de patriarchale Afrikaanse cultuur. Bij seks of een date maakt dat niet zo veel uit, maar bij een serieuze relatie gaan cultuurverschillen onvermijdelijk een rol spelen. Voor iemand met een streng protestantse opvoeding zal het moeilijk zijn om zich in te leven in verering van de voorvaderen, en andersom. De westerse hang naar individualisme gaat slecht samen met de Afrikaanse voorkeur voor de extended family. Feminisme strookt niet met een traditie die vindt dat de vrouw er is om kinderen te baren en voor het gezin te zorgen. En dan heb je ook nog het anti-witte Afrikaanse nationalisme dat in Zuid-Afrika steeds meer in zwang komt, en dat evenmin bevorderlijk is voor ras overstijgende relaties.

Posthumus stipt wat van die zaken aan in zijn hoofdstukken over aids en verkrachting. Maar hij vergeet ze te betrekken op zijn hoofdonderwerp: de van alle kanten, wit én zwart, gemangelde liefde.