Profiel: de laatste der Fortuynisten

Gemankeerde boeman van het Binnenhof

Olaf Stuger presenteert zich als een keurige en fletse politicus die nauwelijks lijkt op de man van wie hij de reïncarnatie wil zijn. Toch heeft Stuger een kleurrijk verleden waarin hij als een heuse Fortuyn lichtgeraakt maar moedig tegen de gevestigde orde streed. Van modellenbureau tot bananenschuimpje.

Pim Fortuyn is verbannen uit de partij Leefbaar Nederland, maar het duurt nog een paar dagen voordat Olaf Stuger bedenkt dat hij wel eens ‘heel geschikt’ zou kunnen zijn voor een kamerlidmaatschap. Aanvankelijk laat de secretaresse van Fortuyn weten dat er geen interesse is. Er hebben zich al vierduizend mensen aangemeld, de kandidatenlijsten zijn opgesteld en er resten slechts een paar dagen tot de definitieve inleverdatum. Maar Stuger houdt aan en is bereid ervoor terug te komen van een vakantie op Lanzarote. Hij schrijft op een hotelkamer nog eens zijn cv uit en reist zo snel hij kan via Frankfurt naar Rotterdam, om daar, keurig in pak, aan tafel te belanden met Peter Langendam. Ook Fortuyn loopt nog even langs. ‘Is dit de man die helemaal uit Lanzaróte is gekomen voor míj?’ vraagt hij in het voorbijgaan. ‘Zet hem op een verkiesbare plaats!’ beveelt hij wuft. ‘Dááág!’ Het wordt een 21ste plaats, genoeg voor het kamerlidmaatschap in 2002.

Hoewel hij een eergevoelig mens is die niet graag over zich heen laat lopen, blijkt Stuger als kamerlid een rustige backbencher. Anders dan enkele van zijn collega’s (Hoogendijk, Janssen van Raaij, Eerdmans, Herben) komt hij zelden in het nieuws. In een van de schaarse televisieoptredens zie je hem onhandig en ongeïnteresseerd opereren tijdens een kamerdebat. Hij vraagt de kamervoorzitter naar de formele gang van zaken, waarin hij zich duidelijk niet heeft verdiept. (‘Moet ik nu gaan zitten?’) Hij dient als justitiewoordvoerder van de fractie samen met collega-LPF’er Joost Eerdmans een initiatiefvoorstel in over het invoeren van een minimumstraf voor bepaalde geweldsdelicten. In een kort fragment van Den Haag Vandaag in het televisieprogramma Nova is hij te zien in de wandelgangen van het voormalige ministerie van Koloniën. Hij hangt nonchalant tegen een deurpost en zegt, zo onkarakteristiek voor de LPF’ers uit die tijd: ‘Je moet die gasten gewoon keihard aanpakken.’ In een ander fragment hoort de kijker de kersverse staatssecretaris Philomena Bijlhout voor emancipatiezaken vragen naar een goede fitnessruimte in de buurt, wat ze volgens haar gesprekspartner beslist aan Olaf Stuger moet vragen. ‘Die is daar helemaal in thuis’.

Later haalt Stuger een paar krantenpagina’s met zijn opmerking dat Harry Wijnschenk, die korte tijd voorzitter is van de LPF-fractie, de enige mens is die hij kent ‘met een IQ lager dan zijn leeftijd’. Wijnschenk was destijds 38 jaar. Enige ruchtbaarheid krijgt ook Stugers weigering op te staan bij de beëdiging van een PvdA-kamerlid. En in De Groene Amsterdammer vraagt hij begrip voor Nederlanders die dreigbrieven schrijven. ‘De eerste keer dat je zo’n ding krijgt, lijkt me dat best wel a-relaxed’, erkent hij nog wel. Maar vooral als hij aan Femke Halsema denkt, die al voor de dood van Fortuyn ‘uitblonk in het afzeiken langs de zijlijn’, kan hij zich ‘goed voorstellen dat zoiets sommige mensen in het verkeerde keelgat schiet. (…) We hebben toch allemaal wel eens het gevoel: wat een eikel is dat, die wil ik even flink bang maken?’

Pas na de verkiezingen van 2003 – met een tiende plaats keert Stuger niet terug in de Kamer – wordt hij nog eens geïnterviewd door Trouw. Hij verklaart alle banden met de LPF te hebben doorgesneden en ‘eigenlijk geen LPF’er te zijn’. Hij is gewoon ‘achter Fortuyn aangelopen’, omdat hij ‘zijn ideeën goed vond’. Hij is dan alweer terug in de IT, opnieuw als verkoopmanager. Toch prijkt zijn naam in augustus 2006 op lijstjes voor het lijsttrekkerschap. Gerard van As noemt hem tegen een EO-verslaggever een ‘diehard’ en zegt Stuger te hebben voorgedragen aan het partijbestuur. Kort daarop lanceert de partij, onder een nieuwe naam (Lijst Vijf Fortuyn) een verkiezingsspotje waarin Stuger de reïncarnatie van Pim Fortuyn speelt. Na vijf kogelschoten belandt hij met een parachutesprong op het Binnenhof om daar nu eindelijk van de grond te brengen wat Pim voor ogen had. Niet slecht: ook Fortuyn kwam van buiten en uit het niets. Maar de pers, moe gebeukt door alle wendingen van de LPF, is onverbiddelijk.

Eergevoel

De interesse in Stugers wel en wee, het moet maar eerlijk gezegd, stamt uit de tijd dat ik Olaf Stuger ontmoette. Het was ergens in een grote tent in het Westland. We sliepen er op de grond met 240 andere adolescenten die allen lid hoopten te worden van de Leidse studentenvereniging Minerva. De voor zijn leeftijd opvallend grote Stuger maakte direct diepe indruk, vooral omdat hij zich als enige niet liet intimideren door de schreeuwende ouderejaars. We werden zelfs samen lid van wat in dergelijke gezelligheidsverenigingen wel een ‘jaarclub’ wordt genoemd, een groepje van zo’n twintig jongens die samen het hoofd proberen te bieden aan de ongewisse toekomst en de identiteitsproblemen die het leven als kuddedier met zich meebrengt.

Die toekomst heeft niet lang mogen duren. Stugers aanvaringen met het gezag waren zo heftig dat hij al na enkele maanden de brui gaf aan het lidmaatschap. Veelvuldig riepen de keurige jongens van het studentencorps in die paar maanden lidmaatschap tegen hem: ‘Je hebt er niets van begrepen!’ En dat was zo. Want de ogenschijnlijk ruige chaos van het studentencorps kent enkele ongeschreven, maar ijzeren regels die Stuger simpelweg niet begreep of wilde begrijpen.

‘Hij was uit ander hout gesneden’, herinnert een van zijn voormalige clubgenoten zich. ‘Ze vertellen je dat de mooiste tijd van je leven is aangebroken en dat nu eindelijk alles mag. Maar als eerstejaars moet je vooral in de groep opgaan en je ondergeschikt maken aan de mores van de vereniging en de grillen van ouderejaars. Stuger vertikte dat.’

‘Hij had enorm de neiging zichzelf te bewijzen’, zegt oud-verenigingslid Huub Tromm, die korte tijd bij hem in huis woonde. ‘Daarom hadden we er wel plezier aan hem een beetje in de maling te nemen. Om discussies met hem te beginnen. Maar als hij deze vervolgens verloor, wist je zeker dat hij later weer bij je terug zou komen om de strijd alsnog te beslechten.’

Er moest bij Stuger inderdaad dikwijls iets worden rechtgezet. Rekeningen vereffend. Het is veelzeggend dat hij als kamerlid slechts één keer een opinieartikel schreef, tegen de kamervoorzitter, nu juist de man die hem vaak openlijk op de vingers tikte (kennelijk iets te vaak en iets te publiekelijk).

Dat sterk ontwikkelde eergevoel zat hem vooral in die eerste maanden bij het Leids studentencorps danig in de weg. Telkens bleek dat wanneer een ouderejaars enige macht over hem liet gelden. In de conversatiezaal van de vereniging, waar getrokken en gesleurd mag worden maar niet geslagen, eindigde menig opstootje met het voorstel van Stuger ‘naar buiten te gaan’. ‘Dan lossen we de zaak nu direct even op.’ Deze behandeling kregen vooral ouderejaars die hun status in zijn ogen niet verdienden. Toen een van hen eens de peuk uit Stugers mond haalde, omdat die hem, als eerstejaars, behoorde te bedienen bij een kerstdiner, zette Stuger rustig zijn schalen aan de kant om direct te riposteren. Hij trok de ouderejaars de sigaar uit de mond en vermaalde die tussen zijn vingers.

Na een paar weken lidmaatschap werd Stuger steeds vaker gesommeerd zich de volgende ochtend te melden bij ‘de commissie’ van de vereniging. Die bestaat uit jongens en meisjes aan het einde van hun studie die onder meer de taak hebben met krachttermen en ceremoniële poeha de grootste lastpakken in het gareel te krijgen. Zij wisten nog niet dat Stuger intussen bezig was een relatie te beginnen met het vriendinnetje van een van hun voorgangers, de ouderejaars student Onno Bouman. Hoewel Stugers vrienden van destijds er niet aan twijfelen dat er werkelijke liefde in het spel was, kon Stuger zelf in die dagen niet nalaten te zeggen dat hij de prille relatie met het vriendinnetje van een voormalig senaatslid ook zag als genoegdoening voor de immateriële schade die hij had geleden in de vernedering die ontgroening heet.

Het meisje, Katja Borlefs, woonde bij hem in het studentenhuis. Een van de aantrekkelijke kanten van het corpslidmaatschap leek Stuger de omgang met de vrouwelijke studenten. Hij had daarom geweigerd toe te treden tot een illuster Minervahuis, omdat daar louter mannen wonen. Daarmee overtrad Stuger een ongeschreven regel die de vereniging hanteert bij het bepalen van de pikorde. Maar daar bleef het niet bij. ‘Behalve het lidmaatschap kenden we in het huis maar één strenge regel’, vertelt een inwoner, ‘je mag geen relatie met een huisgenoot beginnen. Stuger schond die regel binnen een week.’ Een huisvergadering over Stugers positie volgde. Meer dan één vrouwelijke huisgenoot liep daarbij in tranen weg. De aantrekkelijke en stoere eerstejaars Stuger, met zijn charmante stem en zijn onverstoorbaarheid, bleek voor veel van de meisjes van de vereniging – toch al niet verwend met helden – onweerstaanbaar.

De zaak escaleerde toen Stuger enkele avonden later op een verjaardagsborrel een ouderejaars aan zijn jasje over de hapjestafel trok. Stuger verhuisde. Nog weer enige tijd later zou hij gaan samenwonen met Katja in Den Haag. Inmiddels zijn ze met elkaar getrouwd, wonen in Bussum en voeden samen drie kinderen op.

Eenmaal weg uit de sociëteit van de studentenvereniging bracht Stuger menige avond door bij de plaatselijke discotheek De Koets, waar hij uitsmijter was geworden. Hij stond er bekend als ‘O’. In de drie jaar dat hij er werkte, deinsde hij niet voor zijn werk terug, dat af en toe met een klein, maar gemeen knuppeltje moest worden verricht. Hij zal wellicht hier hebben ingezien hoe destructief opstootjes kunnen zijn. Misschien deed hij er zelfs de discipline op zich er niet altijd mee te bemoeien, want LPF’ers Herben en Schonewille bevestigden deze week voor de EO-radio dat Stuger zich altijd afzijdig heeft gehouden van al het geruzie binnen de LPF.

Vóór zijn tijd als uitsmijter was dat wel anders. Als zeventienjarige liet hij zich bij het uitgaan in Zeist graag verleiden tot vechtpartijen. Een oude vriend uit die tijd herinnert zich hoe hij een zwarte jongen op de kast kreeg, toen hij na een felle ruzie concludeerde: ‘Dus alles is nu weer goed? Als ik jou nu een zak bananenschuimpjes aanbied, vind je dat helemaal oké?’ Waarna het direct weer matten werd.

Soms zag je jaren later bij het kamerlid Stuger nog iets van deze merkwaardige vorm van humor. In café Nieuwspoort zou hij eens goedgemutst vragen waar ‘die treinkaper’ was gebleven ‘die hier het bier rondbrengt’, waarmee hij de aandacht probeerde te krijgen van een ober van Molukse afkomst. Zelfs Wijnschenk erkent dat Stuger ‘een goed gevoel voor humor bezit’.

Dat bevestigen ook oude vrienden. Maar dat is niet alles wat ze over hem zeggen. Een huisgenoot uit de Leidse tijd noemt hem ‘vooral volstrekt onbetrouwbaar. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik denk dat hij uitermate geschikt is als lijsttrekker van die partij.’ Een ander noemt hem een rasopportunist. Hij kan zich goed voorstellen dat dames van de Bussumse tennisclub zich afvragen wat zo’n aardige jongen bij de LPF doet. Zo’n dame verklaart zelfs dat ze inderdaad met haar vriendinnen de vraag had besproken ‘wat je nu met zo’n jongen doet, hè’. Met geaffecteerde stem: ‘Good-looking en allervriendelijkst. Maar politiek deugt hij natuurlijk van geen kant.’

Rotkop

Diederik Stratenus, de oude schoolvriend uit Driebergen die met Stuger meeging naar Leiden, praat met meer liefde over hem, al zien ze elkaar nooit meer. Hij herinnert zich hem nog goed, ‘met zijn onafscheidelijke peuk, zijn soepele maniertjes en vlotte grapjes’. Stuger was volgens hem een gangmaker die loyaal was aan zijn vrienden. Voor hen toonde hij ook zijn moed. Stratenus: ‘Wel eens vaker dan verstandig was. Dan sloeg hij in een café zomaar iemand direct op zijn gezicht, omdat die mij lastigviel. Kom je aan hem, dan kom je aan mij. Dat soort dingen.’

Als middelbare scholier verwierf hij ook enige naam onder zijn vrienden in Driebergen door in de krant een annonce te zetten namens een imaginair modellenbureau. Hij gaf het de betrouwbare naam ‘Midden Nederland’ en vroeg aan de dames van Nederland een foto te sturen, een cv en 25 gulden administratiekosten. Van de opbrengst, meer dan duizend gulden, ging hij met vakantie.

Tot verrassing van zijn vrienden hield hij de actie ‘Modellenbureau Midden Nederland’ niet geheim voor zijn vader. ‘Vader Stuger nodigde je zelfs uit mee te luisteren als Olaf de brieven van de kandidaten voorlas. Zo herinner ik me een agente in haar blote billen’, vertelt een van hen. ‘Er is ook nog wel eens iemand bij hem langsgekomen’, herinnert een schoolvriend zich. ‘Dan deed zijn vader open en vertelde dat de directeur er even niet was.’ Begin jaren negentig zou hij bij een verkiezing een soortgelijke truc proberen uit te halen als d’66-lid, maar destijds tevergeefs.

Zijn vader baatte een muziekwinkel uit en gaf achter in de winkel drum-, gitaar- en saxofoonles. Aan de muren van het ouderlijk huis hingen platenhoezen van singels waarmee vader Stuger de top-veertig bestormde. Zelf zong Olaf in een coverband. Hij viste uiterst succesvol naar de aandacht van de meisjes, aldus Stratenus, de toetsenist van de band. ‘Hij versierde zelfs de kassières in de supermarkt. Hij kon zijn fans overal vandaan halen. Wat hem vooral zo populair maakte’, herinnert Stratenus zich, ‘was dat hij schijnbaar alles durfde.’

Des te opmerkelijker is dat Stuger bij zijn eerste belangrijke publieke optreden, vorige week in het televisieprogramma Pauw & Witteman, nerveus op zijn stoel zat te schuiven en inwisselbare politieke antwoorden gaf. Tot drie keer toe kreeg hij de kans uit te leggen waarin de LPF verschilt van andere partijen, maar telkens bleek hij daartoe niet in staat. De volgende dag bij rtl was het niet anders. Gerard van As zegt dat hij ‘nog moet worden gecoacht’.

Afgelopen vrijdag, de dag voordat hij op het partijcongres officieel aan de leden wordt voorgedragen als lijsttrekker, zoek ik Stuger op in Bussum. Hij haalt me van het station in een oude Jaguar die vol ligt met lege waterflesjes, kranten en een enkel weekblad. We rijden naar een Goois café: rieten stoeltjes, een enkele grijze oudeheer met een rode bandplooibroek en zoet geurende dames van middelbare leeftijd met zeeën vrije tijd. Het lijkt me niet aan mij om hem te coachen, maar ik ben wel benieuwd waarom hij zich zo keurig gedroeg bij Pauw & Witteman. Zo flets en bedaard. Is het wel de beste strategie, leg ik hem voor, om je als Melkert te gedragen als je de pretentie hebt de reïncarnatie te zijn van Pim Fortuyn? Is het niet beter de nog altijd rondzingende rancune tegen het politieke bestel en de gevestigde macht te verzamelen, wat ten minste goed kan zijn voor een paar zetels?

Stuger schetst de krachten waar hij tegenop moest vechten, ‘twee Vara-presentatoren, een persoonlijke vriend van Jan Marijnissen (cabaretier Theo Maassen – pvo) en een bekende Nederlandse zanger’. Misschien was het achteraf beter geweest, erkent Stuger, als hij even flink tegen de schenen van ‘de linkse kerk’ had getrapt. ‘Maar ik wilde eerst overeind blijven.’ Om te wennen. Maar hij zal, belooft Stuger, nog fors uit de hoek komen. Bovendien, beweert hij, ‘zit mijn electoraat daar helemaal niet. Die zitten bij sbs6 en rtl. Dat zijn mensen die niet weten wat algemene beschouwingen zijn.’

Toch maakt hij op dit Gooise terras niet de indruk zich spoedig te ontpoppen tot de schrik van de gevestigde orde, de nieuwe boeman van het Binnenhof. Ik vraag hem naar een mogelijk dubbelbestaan, dat van de Gooise huisvader in de IT en uitsmijter in de politiek. Hij wil daar niet van weten. Hij wijst op de steun die Pim Fortuyn in het Gooi genoot tijdens de verkiezingen van 2002.

Maar onverwacht blijkt wel hoe juist zij die graag de grenzen van de regels opzoeken en schoppen tegen hiërarchie, tegelijkertijd hechten aan het bestaan van beide. Hij vraagt me, half zingend, of ik mij nog de clip herinner van dat liedje ‘15 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde’. ‘Twee vijftienjarige jochies slaan daarin de pet van het hoofd van een politieagent, om er daarna mee over te gooien. En die agent gaat er dan als een lummel achteraan. Als je dat zag, wist je toch dat het met Nederland totaal de verkeerde kant opging? Alles wat met hiërarchie te maken had, was vies en voos. We plukken daar nu de zure vruchten van.’

Ook zijn eergevoel vindt op een onverwachte manier een weg in zijn politieke opvattingen. Al maakt Stuger zich, net als Fortuyn destijds, zorgen over de ‘islamisering’ van Nederland (‘Weet je dat in Amsterdam de scholen over vijf jaar voor zeventig procent uit islamieten bestaan?’), het eergevoel van veel islamieten, mits binnen het betamelijke, begrijpt hij wel. ‘Als ik een kroeg met Hells Angels binnenstap en tegen een gast aan de bar zeg, terwijl iedereen het kan horen, “wat heb jij toch een rotkop!” dan moet je niet raar opkijken als die gast mij een paar klappen uitdeelt. Moet je in zo’n kroeg dan gaan janken over de vrijheid van meningsuiting? Waarom moest Theo van Gogh nu moedwillig islamieten zo grof beledigen? Geitenneukers, pooier van de profeet; ik heb Pim Fortuyn nooit zo tekeer horen gaan. Die zei “dit is een achterlijke cultuur”, dat moeten we inzien, de instroom ervan stoppen, eerst onze eigen problemen oplossen en er iets tegenover stellen waar we trots op zijn, zonder Haagse praatjes, achterkamertjes, wachtlijsten en multiculturele prietpraat.’

Vangrail

Net als destijds in Leiden blijft onduidelijk of Stuger de gevestigde orde wil opblazen of er een rol in wil spelen. Bij het studentencorps lag hij op ramkoers. Maar het gezellige bolwerk van de vaderlandse elite bleek ijzersterk, alle verkrachtingszaken, roetkappen, verbrijzelde polsgewrichten en andere misstanden ten spijt.

Ook het politieke bestel bleek in de afgelopen vier jaar tamelijk robuust. Op een enkele rechtsstatelijke dwaling en een brand in een detentiecentrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers na, is ons toch de revolutie bespaard gebleven die mannen als Langendam, Maas en Hammerstein voor ogen stond. Stuger legt zich daar niet bij neer. ‘Alles moet anders dan het nu gaat.’ Toch deed hij daar in de afgelopen jaren niet veel aan. Toen ik eens in het voormalige ministerie van Koloniën op bezoek was, hoorde ik van zijn fractiemedewerker dat hij al dagen door Nederland reed in zijn nieuwe bmw. Twee weken later probeerde ik hem opnieuw met een bezoekje te verrassen. Inmiddels had hij zijn bmw in de vangrail gezet. En zich met hoofdpijn afgemeld, aldus de medewerker.

Stuger komt, ziet, en er gebeurt niets. Ja, hij rijdt een paar rondjes. Goed voor verhalen aan de borreltafel. Maar dat is het dan ook.