Hoe kunst te studeren in Nederland

Gemengde technieken

Jaarlijks studeren vijftienhonderd mensen af aan een kunstacademie. Elke opleiding speelt op zijn eigen manier in op het karakter van de hedendaagse studenten. Met verplichte programma’s of juist een vrije aanpak hoopt men kunstenaars te kweken. «We hopen dat het zaadje dat hier gekweekt wordt ooit een struik wordt, en die struik een boom, en die boom een bos.»

Een zonnige dinsdagmiddag in Amsterdam. Voor de ingang van de Rietveld-ateliers zitten studenten en docenten naast elkaar op een bank in de zon. De sfeer is gemoedelijk. Plastic bekertjes worden uitgedeeld. Een fles wijn gaat van hand tot hand. Pakjes shag komen te voorschijn en rook kringelt op.

Binnen hangt de geur van verf en terpentine. Jongeren in besmeurde kleren schieten door de gangen. De opening van de eindexamenexpositie is al over twee dagen en veel zalen zijn nog niet gereed. Een meisje in een gescheurde spijkerbroek is druk in de weer met een sloophamer. Twee jongens doen verwoede pogingen een filmprojector aan het plafond te bevestigen. Staand op een keukentrapje legt iemand de laatste hand aan een potloodtekening. Verderop wordt een toiletpot ontstopt.

Op de tweede verdieping pronkt het eindexamenwerk van de studenten Beeldende kunst. In een van de zijvertrekken begeleiden André Klein en Caro van Dijk een groepje studenten bij het bouwen van een scheidingswand. Klein en Van Dijk zijn werkzaam bij Buro Rietveld en coördineren dit jaar een deel van de eindexamenexpositie.

Hoofdschuddend bekijkt André Klein een object ter grootte van een flinke koelkast. «Die staat daar niet goed», zegt hij tegen student Maurice van Daalen, «hij blokkeert het licht op de andere kunstwerken.» Van Daalen: «Wanneer ik hem verplaats, valt het licht-donker-contrast tussen de binnen- en de buitenkant weg.» Klein: «Dat zal best, maar hier staat hij niet goed.» Van Daalen maakt aanstalten om de installatie te verplaatsen. «Je moet hem daar neerzetten», zegt Klein, «dan fungeert hij als scheidingswand.» De student reageert niet. Volgens Klein houden de studenten te weinig rekening met elkaar. «Ze moeten leren dat hun werk niet op zichzelf staat», zegt hij tegen Van Dijk, «dat het relaties met andere werken aangaat.» Wanneer we even later terugkomen is de installatie van Van Daalen een meter verwijderd van de oude plek. «Zo eigenwijs», verzucht Klein. Hij lacht een door nicotine verkleurde hoektand bloot.

Jaarlijks studeren aan de Nederlandse kunstacademies zo’n vijftienhonderd studenten af. Traditiegetrouw worden de examens afgesloten met een groepsexpositie, die de studenten, onder toezicht van een aantal afdelingscoördinatoren, zelf inrichten. Met werk van 171 studenten, verdeeld over studierichtingen als Beeldende kunst, Tekenen en schilderen, Fotografie, Audiovisueel, Edelsmeden en Theatervormgeving, is de expositie van de Rietveld Academie een van de grootste van Nederland. Aan de expositie, vertelt Klein terwijl we een rondje over de afdeling maken, gaat een lange voorbereidingsperiode vooraf. Rond kerst bepalen de Rietveld-docenten welke studenten rijp zijn voor een diploma. Volgens Klein zijn de vergaderingen slechts een formaliteit: «Het gebeurt zelden dat een student niet mag afstuderen.»

Net als de andere academies staat de Rietveld onder toezicht van de hbo-raad. Deze bepaalt dat een docent alleen in het eerste jaar een bindend studieadvies mag geven. Heeft een student eenmaal zijn propedeuse op zak, dan kan hij niet meer van de academie worden gezet. Volgens Klein is het een groot probleem. Vaak wordt pas na het eerste jaar duidelijk of een student psychisch sterk genoeg is, en of hij over voldoende discipline beschikt. «Als kunstenaar zit je toch de meeste tijd alleen in je atelier. Veel studenten denken na drie jaar: Jezus, dat kan ik helemaal niet! Voor ons als academie zou het echt heel goed zijn wanneer het bindend studieadvies wordt opgerekt tot drie jaar.»

Een regenachtige donderdagochtend in Enschede. Op de AKI, academie voor beeldende kunst, doet de richting Mediakunst examen. Op de eerste verdieping van het voormalig scheikundig proeflaboratorium presenteert Iris Keizer haar eindexamenwerk aan een groepje docenten en een tweekoppige, onafhankelijke visitatiecommissie. Haar afstudeerproject is een bonte installatie opgebouwd uit schilderijen, filmpjes en kleipoppetjes. «Een kleine dame met een bolle hoed wordt al gauw een paddestoel», valt op een van de schilderijtjes te lezen. Eronder staat een rudimentair figuurtje met boven haar hoofd een grote hoed van opbollend papier-maché. Op een ander werk spelen konijnen een hoofdrol. Eén rijdt op een brommer, een ander zit achter een computer, weer een ander bungelt aan een parachute. Alle zijn geschilderd in dezelfde naïeve stijl en met dezelfde vrolijke kleuren. Blikvanger is een filmpje met pratende schoenen. «Ik wilde iets met verloren schoenen doen», vertelt Iris aan de visitatiecommissie. «Heel vaak zie je op straat een schoen liggen. Maar het is er altijd één. Ik vraag me dan af: ‹Waar komt zo’n schoen toch vandaan? Loopt er nu iemand op één schoen rond?›» De commissieleden knikken geanimeerd.

Aan een tafel naast de installatie drinkt docent Mediakunst Pieter Baan-Müller zijn koffie. Hij ziet het bindend studieadvies van één jaar niet als een probleem: «Tegen al te luie studenten voeren we een ontmoedigingsbeleid. Wie een negatief advies krijgt, moet sterk in zijn schoenen staan om daar tegenin te gaan.» In de praktijk komt dit zelden voor: «Studenten hebben meestal wel door wanneer ze niet op hun plek zijn.» De huidige lichting is volgens Baan-Müller een goede. Dat komt, zegt hij, doordat de studenten elkaar stimuleren: «Als er een paar lapzwansen tussen zitten, dan gaat het hele niveau direct naar beneden.» «Wij vonden onszelf anders behoorlijke lapzwansen», onderbreekt Iris hem. «Nee», zegt Baan-Müller, «jullie waren goed, jullie trokken elkaar omhoog.»

De AKI staat bekend om haar vrije onderwijsprogramma, waarin authenticiteit en experimenteerdrift belangrijker zijn dan vaardigheden en techniek. «Wij leggen de verantwoordelijkheid bij de student», zegt coördinator Monumentale kunst Frank Sciarone. «Het is de student die moet vragen, het is de student die moet willen. Wij bieden waanzinnig veel technieken aan. Die kun je niet allemaal verplicht stellen. Je zou iemand overdonderen. En het is nog maar de vraag of daar dan een leuk werkje uit voortkomt. Als iemand een gedicht wil schrijven, dan zeggen wij: ‹Begin er gewoon aan. Dan zien we achteraf wel of het wat is.›»

Iris Keizer is uitgepresenteerd. De visitatiecommissie geeft commentaar. Dat is gematigd positief. Er wordt gerept van kunst die «eigen» is, en «door de veelheid sterk wordt». Maar ook dat de «veelheid nodig is om het niveau van een flauwe grap te kunnen ontstijgen». Het gezelschap concludeert dat Iris meer een schilder dan een mediakunstenaar is en dat haar schilderijen beter gedijen in een Frans Haks-achtige drukte dan in een strakke museale context. Iris lijkt er niet mee te zitten: «Ik houd niet zo van museaal.»

«Ik geloof niet in een vrije aanpak», zegt Albert van der Weide, directeur van de Groningse kunstacademie Minerva, later die middag. «Op Minerva hebben we het eerste jaar een verplicht lesprogramma. Studenten krijgen kennis, vaardigheden en attitude op een dwingende manier aangereikt. Een dergelijke aanpak vereist discipline. Niet iedere student is daarom geschikt. Waar wij in een toelatingsgesprek achter proberen te komen is of een student hier past.»

Op het dakterras van de academie staat een vierkant, pastelkleurig hok, met op de hoekpunten een viertal fier omhoog wijzende plastic fallussen. Het is het examenproject van Tessie van den Brink, een klein meisje in gifgroen colbert dat afstudeerde in de richting Opleiding docent beeldende kunst en vormgeving. «Je kunt erin», zegt Tessie, «maar dan moet je wel je schoenen uitdoen.» De binnenkant van het hokje is bekleed met rode kussens. Er liggen tientallen knuffels in de vorm van genitaliën. Grote penissen van papier-maché hangen aan de wanden. Een animatiefilmpje toont copulerende lichamen. «Eigenlijk moet de deur op slot», zegt Tessie, «dan is de ervaring sterker.» Al geruime tijd speelde ze met het idee om iets met seksualiteit te doen. Het beeld dat de media hiervan geven, stoort haar: «Kinderen krijgen een heel vertekend beeld van seks. Overal zien ze blote lijven, maar de onwetendheid bij jongeren is nog steeds groot. Met dit werk wil ik laten zien dat seks ook heel leuk kan zijn.»

Een wat oudere man komt toegesneld. Zijn gezicht verraadt lichte paniek: «Zeg, weet jij wel dat je bezig bent een bom te maken?» De man wijst naar de haspel: «Als die oververhit raakt, gaat de hele boel de lucht in.» Snel wordt de stroomkabel uit het stopcontact getrokken. Het animatiefilmpje valt weg.

«Goh», zegt Tessie even later, «bij dat soort dingen sta ik nooit stil.» Het is niet het eerste mankement aan haar installatie. Eerder zorgde een zware regenbui voor deklekkage en deed een mierenkolonie zich te goed aan de snoepspekkies die ze in de cabine had rondgestrooid.

Relatief nieuwe media als computeranimaties en gecombineerde installaties hebben volgens Tessie de toekomst. Over traditionele kunstvormen als schilderen en beeldhouwen is ze minder enthousiast. «Wij zijn een nieuwe generatie», zegt ze, «wij zijn jong. Natuurlijk zijn er ook jonge mensen die landschappen schilderen. Ik vind dat een beetje ouderwets.»

Terug op de begane grond toont Albert van der Weide ingetogen zwart-witfoto’s van uitgeprocedeerde asielzoekers en conceptuele kunst over ons eetgedrag. Van der Weide: «Op maatschappijkritiek rust op Minerva geen taboe. Eerder is het andersom. Wanneer wij zien dat politieke en maatschappelijke kwesties een student bezighouden, stimuleren wij hem of haar om daar een werk over te maken.»

De centrale hal is gereserveerd voor de oogst van de richting Communicatie vormgeving. Op een door bladgoud omlijst videoscherm schenkt een vrouw in een hagelwit pak melk in een schaal. Voor haar staat een mand met appels, achter haar een televisie die een religieus getinte Vodafone-reclame uitzendt. Door gebruik van slowmotion wordt de handeling van de vrouw eindeloos gerekt. De maker van de video vertelt dat het hier gaat om een moderne versie van De melkmeid van Johannes Vermeer. Het werk is moralistisch van aard. «De echte melkmeid», zegt hij, «was arm, maar deed haar werk goed. Deze vrouw heeft veel geld, maar wordt afgeleid en giet daardoor de melk over de rand van de schaal.»

Van combinaties van hoge kunst en massacultuur kijkt Albert van der Weide niet op: «We leven in een zappende samenleving. Wat onze generatie lineair heeft ontwikkeld, is niet langer geldig. Studenten van nu kijken even makkelijk naar MTV als naar Vermeer.» Is hij niet bang voor vervlakking? «Nee. Als je beter kijkt ontdek je bij die mensen wel degelijk een historisch besef. Alleen is dat niet meer het besef van het stenen tijdperk tot nu. Men plukt zijn kennis overal vandaan. De huidige student weet beter hoe hij aan informatie komt dan de student van vroeger. Vraag hem alleen niet: ‹Wanneer begon de Eerste Wereldoorlog?› Mijn kinderen weten dat ook niet. Dan zeggen ze: ‹Dat kunnen we wel opzoeken.›» Van der Weide meent dat de studenten afdoende op de hoogte zijn van de kunstgeschiedenis als ze Minerva verlaten: «Iedere student die hier weggaat, weet dat de Middeleeuwen vóór de Renaissance plaatsvonden. Dat vind ik al heel wat. Mensen zijn hier om zich als vormgever of kunstenaar te ontwikkelen, niet als theoreticus.» Als we afscheid nemen zegt Van der Weide: «Vergeet niet dat wij niets anders doen dan zaaien. Om met Brian Eno te spreken: ‹We hopen dat het zaadje dat hier gekweekt wordt ooit een struik wordt, en die struik een boom, en die boom een bos.›»

In de kantine van de Rietveld-ateliers ligt een studente te slapen. André Klein haalt een blikje bier uit de ijskast. «Zet maar op de docentenrekening», zegt hij tegen het meisje achter de bar.

Klein — die al zo’n vijftien jaar docent kunstgeschiedenis is — vertelt dat het lesgeven hem de laatste jaren niet meevalt. «Rembrandt vinden ze oude troep», zegt hij, en hij trekt zijn blikje open. «In het eerste jaar geef ik ze de art shower. Dan zet ik twee diaprojectoren neer, en gooi werkelijk alles door elkaar. Van Bruce Naumann tot Vermeer.» Klein behandelt de kunstgeschiedenis vanuit het heden terug naar het verleden. Andersom komt hem zinloos voor: «Als ik met de prehistorie begin, vallen de studenten binnen een kwartier in slaap.» Natuurlijk zijn er uitzonderingen: «Dat zijn meestal mensen uit de betere milieus.» Om de aandacht vast te houden gebruikt Klein extreme methoden: «Ik vuur allerlei vragen op ze af. Schreeuwend sta ik voor de klas. Alleen op die manier worden ze enthousiast.»

Het gebrek aan historische kennis is volgens Klein een maatschappelijk probleem: «Mensen kennen hun geschiedenis niet meer. Dat is heel gevaarlijk. Ik zeg altijd: ‹Je voorland niet kennen is hetzelfde als oude familiefoto’s weggooien.›» De onwetendheid over de geschiedenis heeft zijn weerslag op het werk van de studenten: «Er wordt veel navelstaarderij gemaakt. Oppervlakkige kunst. Men is nauwelijks betrokken bij de wereld. Kijk naar de oogst van dit jaar. Het maatschappijkritische werk is ondervertegenwoordigd.» Caro van Dijk: «De voorgaande jaren was dat ook al zo.» Klein: «Af en toe is er één die iets met de ecologische problemen doet.» Van Dijk: «Het zijn toch vooral de eigen zielenroerselen.» Klein: «Ze filmen wat uit hun keuken en noemen het een kunstwerk. Weinig kritisch allemaal.» Hij neemt een slok bier. «De studenten van nu zijn een stuk conservatiever dan tien, vijftien jaar geleden. Tegenwoordig willen ze weer naar de natuur tekenen. Dat is echt een tendens.» Ook in andere opzichten blijken de studenten veranderd: «Hun instelling is veel zakelijker geworden. Ze komen hier om iets te halen. Vijftien jaar geleden werkten ze veel in groepen, tegenwoordig is iedereen met zijn eigen carrière bezig. Het is allemaal heel individualistisch.»

Ondanks die carrièrehonger kan slechts een klein deel van de afgestudeerden straks van zijn werk leven. Klein: «Ik schat zo’n vijf procent.» De rest zoekt een andere broodwinning. «We hebben mensen gehad die later een begrafenisonderneming zijn begonnen. Maar dan op een heel leuke manier. Anderen zijn rechercheur of brandweerman.» Dat zo weinig studenten in de toekomst van hun kunst kunnen leven, vindt Klein niet erg: «Het kan me geen fuck schelen of ze kunstenaar worden. Het belangrijkste van de opleiding is dat studenten een tik van de molen meekrijgen.» Van Dijk: «Dat ze zelfstandig leren werken.» Klein: «Een bepaalde mentaliteit opbouwen.» Van Dijk: «Kritisch leven.» Klein: «Dat noem ik niet zonde van het geld.» Van Dijk: «Niet ieder een die rechten studeert wordt toch ook advocaat.»