Gemis van een vader

Elmar Kuiper, Hechtzwaluwen. € 17,90

Wedstrijd

Eerste helft:

Wie durft haar in mijn armen te nemen?
Wie durft mij tot haar te kussen?

Blijf ik in buitenspelpositie
als ik droom over een zwerm pestvogels?

Rust.

Wie maait het verboden gebied en vergeet
een schaamstreep gras?

Tweede helft:

Zachte bodem om doodschoppen te vergeven.
Zachte bodem om te sterven als een zwaan.

Aan het einde van zijn leven verzucht Ezra Pound geïrriteerd of wanhopig: ‘I cannot make it cohere.’ Dat het grote verband tussen de verschijnselen in de wereld verdwenen is, en dat we bovendien niet meer geloven in de mogelijkheid om door middel van de taal iets van die samenhang te herstellen, is de afgelopen eeuw een van de belangrijkste thema’s van de literatuur geworden. Dichters, romanciers en filosofen leveren fragmentarische teksten af, labyrinten waarin de lezer zelf zijn weg moet zien te vinden, zoals ook in de beeldende kunsten en de muziek vaak chaos in plaats van orde wordt gepresenteerd. Bij chaos voelt niemand zich prettig. We zouden misschien wel terug willen naar een overzichtelijke wereld, zonder die permanente maalstroom van metamorfosen op demografisch, politiek, infrastructureel en levensbeschouwelijk terrein, maar we weten dat het niet kan - sterker nog, zo'n wereld heeft misschien nooit bestaan.
In zijn Nederlands debuut Hechtzwaluwen is de Friese dichter Elmar Kuiper (1969), om met Marsman te spreken, op zoek naar een bezield verband. Zich ten diepste bewust van de absurditeit die ons bestaan kenmerkt, probeert Kuiper zijn verontrusting en vervreemding met humor en onbevangenheid te aanvaarden, maar waar mogelijk ook verbindingen tot stand te brengen, disparate verschijnselen op zo'n manier aan elkaar te koppelen dat er een leefbaar geheel ontstaat. Zoals uit de titel blijkt, is het samengestelde woord een van zijn kunstgrepen om dat te bewerkstelligen. Snelle trekvogels worden tot onwaarschijnlijk symbool van hechting. Afdelingen in de bundel dragen de namen 'Hersenvlucht’, 'Preveldier’, 'Fluisterraaf’ en 'Melktand’, waarbij dat laatste woord doordat het in deze reeks voorkomt net zo onwaarschijnlijk wordt als de andere combinaties.
De gedichten zijn associatief opgebouwd. Kuiper plaatst verschijnselen naast elkaar en suggereert een betekenisvol verband. Hoe moeizaam het kan zijn greep op het leven te krijgen blijkt uit Afbraak, waar de lugubere vondst van een 'gekamde schaamhaar (…) van Kaukasische oorsprong’ en een houtsplinter met 'een grijpbare punt’ leidt tot een wanhopig initiatief: 'Het kan geen kwaad als ik je toewuif met open armen.’ Maar het vooruitzicht is niet best:
Er lopen maanmannen over mijn erf
die nooit uitgeput raken, herinneringen
ruimen en ruimen.

De spreker klampt zich vast aan onzinnige zekerheden die de ontheemding en het verlies van dierbaren moeten verzachten. In de bundel speelt de dood van de vader, en daarom ook het eigen vaderschap een prominente rol. De generaties vormen een keten van affectie en zielsverwantschap, zonder dat je ooit vat krijgt op wie je zijn voorgegaan en wie na jou komen. Soms werken alleen bezweringsformules of rituele handelingen om de keten in stand te houden. In Iedere dag mis ik zegt de vader: 'De haan die in vier lettergrepen kraait/ moeten we koesteren, jongen.’ De haan die in drie lettergrepen kraait, mag echter dood. Vervolgens stelt de spreker, vermoedelijk tegen beter weten in: 'De haan die kraait in vier lettergrepen/ kan niet sterven.’ Zelden is het gemis van een vader indringender verwoord dan op deze indirecte wijze:

Ik luister elke dag.
Ik koester die haan zoals ik mijn vader koester.

De haan die in vier lettergrepen kraait
moeten we koesteren, vader.

De haan die in drie lettergrepen kraait is dood.

Niettegenstaande zijn behoefte het waardevolle te koesteren lijkt Kuiper allergisch voor alles wat hem in zijn vrijheid belemmert. Hij is een Fries dichter, maar waarom zou hij niet in het Nederlands mogen schrijven? Al is hij verbonden met het Friese landschap, hij deinst er niet voor terug zijn biotoop belachelijk te maken. De bundel heeft dan ook een uitgesproken politieke component, misschien meest expliciet in het hilarische Regels voor ons zwijn, dat zo begint:

Er is een regel bedacht om ons zwijn uit te laten

Er is een regel om in het afvoerputje te pulken.
Er is een regel om de tuinslang te koppelen aan een buitenkraan.

Er staat een regel in de frontaalkwab van ons zwijn.
Groeven diep als een ploeg moeten hem ernstig houden.

Elders constateert de dichter, die zich een 'preveldier’ noemt, dat hij is afgesneden 'van de gebedsgenezer,/ van de taliban’. Mensen die de waarheid in pacht menen te hebben krijgen er ongenadig van langs, maar hetzelfde geldt voor hen die uit verveling rotzooi trappen, zoals de 'ettertjes/ die met hun piepstemmetjes roepen/ dat ze hoo- hoo- hooligans zijn’.
Enkele malen laat de dichter zich uit over zijn métier. Schrijven is een proces van verdichting, inkapseling in een cocon van taal, die echter gevoed moet worden door de boze buitenwereld, door Kuiper voorgesteld als een verleidelijke, maar giftige spin. Het resultaat is een tekst die weliswaar gezien kan worden als een transformatie van de maker zelf, maar toch los van hem staat:

wacht tot de zwarte weduwe komt

die me lieve woorden toestopt, me tot een wezen
verpopt dat zichzelf niet meer kent.

Deze poëzie, die 'wil dansen en hinniken’, is een aanwinst voor de Nederlandse literatuur.

Elmar Kuiper
Hechtzwaluwen
Augustus, 80 blz., € 19,90