Menno Hurenkamp

Gemobiliseerd fatalisme

Nederlanders willen graag een zorgzame samenleving maar vertrouwen er niet op dat die nog mogelijk is. Ze hebben duidelijke gemeenschapszin maar rekenen op gettowijken. Dat blijkt uit het Sociaal en Cultureel Rapport dat deze week verschenen is. Den Haag maakt dus de behoeftes van de achterban niet waar. Zelf zullen Balkenende en de zijnen zeggen dat de politiek op de troepen vooruit loopt: ze vertelt de bevolking dat er maar één toekomst is en dat zij ons daar op voorbereiden door rigide te bezuinigen op de publieke uitgaven. Uit de Volkskrant van afgelopen zaterdag bleek nog eens dat Scandinavische landen én meer geld uitgeven aan de publieke sector én harder groeien. Neem daarbij de inmiddels traditionele waarschuwing van de onderzoeksorganisatie OESO dat Nederland in Europees perspectief veel te weinig aan onderwijs uitgeeft. Of de gemiddelde uitgaven aan zorg en welzijn, die ruim onder het Europees gemiddelde blijven. Of dat de Nederlandse arbeidsparticipatie feitelijk hóóg is: Nederlanders werken sinds 1990 steeds meer en steeds langer. De conclusie is dat de regering paniek zaait.

Nederland is niet Europa’s gekke Henkie, hoe hard ministers als Brinkhorst, De Geus en Hoogervorst dat ook roepen. Ze zeggen realistisch te zijn, hard maar eerlijk: «Mensen, u moet zich zelf redden want dat eist de wereldeconomie. Zachte heelmeesters, stinkende wonden. Wij nemen de heldenrol op ons door u dit slechte nieuws manhaftig te brengen.» Maar verdraaien van de feiten is cynisch, niet realistisch. Deze mensen geloven nergens meer in. Niet voor niets schrijft de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau Paul Schnabel als commentaar bij zijn onderzoek: «Wat ontbreekt is een inspirerend perspectief.»

Nederlanders hopen wel op een toekomst met een sterk gemeenschapsgevoel, maar zijn in de praktijk vooral betrokken bij hun eigen leven. Nu was dat altijd zo, maar minder dan ooit geven instituties vorm aan dat verlangen naar gemeenschap. Voorheen nam de Nederlandse publieke sector het voortouw in de verzorgingsstaat. Iedere burger zag iets van zijn belangen terug in de sociale verzekeringen, maar zag ook zijn vage idee van betrokkenheid met anderen concreet vorm gegeven. Inmiddels zijn we, zoals Schnabel schrijft, zo geëmancipeerd en gedemocratiseerd dat lotsverbetering en verheffing van de armen geen doelen meer zijn. De postmoderne verzorgingsstaat emancipeert niet maar managet problemen. Dat is ook een vorm van solidariteit, maar het blijft noodzakelijk dat de overheid een duidelijke rol opeist. Van samen delen zonder iemand die dat organiseert zijn geen voorbeelden bekend. Ontken je die rol dan mobiliseer je succesvol het fatalisme.

Terwijl het niet zo moeilijk is. Met als onderschrift de handtekeningen van de meest uiteenlopende linkse en rechtse politieke kopstukken presenteerden Piet Leenders en Ivo Kuijpers een voorstel om iedere burger een van zijn levensfase afhankelijke basisuitkering te geven. Je kunt het een sociale variant van het ministelsel noemen of een liberale variant op het basisinkomen, waar het om gaat is dat een nieuw en algemeen acceptabel verhaal best te verzinnen is. Het als realisme vermomde cynisme moet aan de kant gezet. Ik ken Wim Deetman (chu) nog met het struif van boze studenten op zijn hoofd. Dat het zover gekomen is dat hij inmiddels zelf een actievergadering op het Malieveld leidt zou ten minste het CDA-deel van het kabinet aan het denken moeten zetten.