FILM

Gemusketiriseerd

The Three Musketeers

Weinig verhalen staan zo duidelijk in mijn geheugen gegrift als Alexandre Dumas’ De drie musketiers. Ik weet nog precies hoe het boek eruitzag dat ik als kind las: geel, hardcover met illustraties die misschien als ik geluk zou hebben gehad van de beroemde Maurice Leloir waren. En ik had een Classics Illustrated-stripverhaal van de roman dat in dezelfde doos zat als strips van De graaf van Monte-Cristo, Robinson Crusoe, Ivanhoe, Robin Hood, 20.000 mijlen onder zee en Dr. Jekyll & Mr. Hyde. Allemaal literaire verhalen die constant buiten hun oorspronkelijke grenzen treden, waardoor ze een eigen leven in populaire vormen en media leiden. Vermaak, dus. Maar wel van het soort dat essentieel voor de mens is.

Ik kan mij geen leven voorstellen zonder het constant terugkerende verhaal van Dumas waarin de jonge D’Artagnan naar Parijs gaat om een groots en meeslepend bestaan als musketier tegemoet te treden, verliefd wordt op de beeldschone hofdame Constance en vervolgens met de neus op de feiten wordt gedrukt voor wat betreft een hard, echt leven vol politieke intrige, seksuele perversie en leugens en bedrog. Onweerstaanbaar allemaal. En inspirerend. Want het ‘houdt ons bezig’, om met Dumas te spreken die ooit zei: ‘Kunst is: weten de mensen te amuseren en bezig te houden.’ Dat deed hij als geen ander. In zijn inleiding tot zijn vertaling van de roman schrijft C.J. Kelk dat Frankrijk wel ‘gemusketiriseerd’ leek zo overweldigend was Dumas’ succes.

De roman is nog steeds een van de meest navertelde literaire werken in de geschiedenis, onvermijdelijk ook in cinematografische vorm. In 1939 verfilmde Allan Dwan een komische, muzikale versie van het verhaal; in 1948 deed George Sidney dat ook, nu zonder muziek, wel met een dansende, vechtende en veel te oude Gene Kelly als D’Artagnan. Het vreemde is dat beide films niet echt in de stijl van Dumas gedraaid zijn, maar dat ze toch de essentie ervan bevatten: een met humor verteld verhaal over durf en liefde en vriendschap.

Toch duurde het vele jaren voordat de allerbeste Dumas-verfilming werd gemaakt: Richard Lesters tweeluik The Three Musketeers (1973) en The Four Musketeers (1974) met Michael York als D’Artagnan, Oliver Reed als Athos en Faye Dunaway als Milady. Op unieke wijze slaagt Lester erin de overdreven, soms spottende en satirische toon van Dumas filmisch te vertalen. Hieraan voegt hij eigen humor toe, veelal in slapstickstijl, vooral in de prachtig geënsceneerde gevechtsscènes die eigenlijk qua energie en vrolijkheid veel weg hebben van Maurice Leloirs Dumas-tekeningen.

En dan dit: de duistere romance tussen Athos en Milady de Winter, de feeks die het hart van de dappere musketier breekt. En ervoor zorgt dat hij haar nooit kan vergeten. Als Athos is Oliver Reed, die een paar jaar geleden overleed na een heel leven van drank en vrouwen, onvergetelijk. Athos. Hij drinkt om te vergeten. Hoe het ooit was met háár, de blonde Faye Dunaway. Spion, feeks met de harde, hoge jukbeenderen. Juist deze combinatie van humor en tragedie, ernst en vrolijkheid, maakt Lesters musketiers-films.

Nu is er een nieuwe film, een 3D-versie geregisseerd door Paul W. Anderson, voorheen bekend van sporadisch interessante Amerikaanse actiefilms. Over zijn Musketeers valt weinig tot niets te zeggen. Behalve dat het een mislukking op alle fronten is. Slecht gespeeld en nog slechter geregisseerd. Zelfs een script door Andrew Davies, een Engelsman die in de laatste jaren naam maakte met uitstekende, populaire televisiebewerkingen van klassiekers van onder anderen Charles Dickens, kan de film niet redden. Andersons versie is gespeend van humor, schoonheid, dramatische intensiteit en het ergste nog: menselijkheid. Zo slecht. Zo gemikt op kinderen die gewend zijn aan Pirates of the Caribbean, hoewel zelfs deze vergelijking nog te veel eer zou zijn.

Nee, dan maar naar de bibliotheek of boekhandel. Of de tweedehands striphandel. Of ergens Lesters jaren-zeventigfilms vandaan halen. De echte musketiers. Ze zullen er altijd zijn.


Te zien vanaf 13 oktober