Pareltjes uit de dagelijkse beeldenmaalstroom

Gênante documenten

Anonieme snapshots, lullige reclamefoto’s en alledaagse familiekiekjes: steeds vaker worden onbedoeld grappige beelden op een voetstuk geplaatst. De kunstenaar is niet langer iemand die beelden maakt, maar iemand die in andermans beelden de poëzie weet te zien.

Geen van de foto’s op AwkwardFamilyPhotos.com, een van ’s internets populairste grappige fotoblogs, is grappig bedoeld. Integendeel, de intenties van de fotografen en hun onderwerpen zijn doorgaans doodernstig: het vereeuwigen van een verjaardag of feestdag; het laten vervaardigen van een professioneel familieportret; het vastleggen van bijzondere momenten vóór ze vervliegen, want o, wat worden ze snel groot. Wat de foto’s – ingestuurd door de mensen die erop staan of hun meedogenloze familieleden – zo grappig maakt, is juist de discrepantie tussen die serieuze bedoelingen en het ongemakkelijke, awkward, resultaat: de vader, moeder en zoon die om wat voor reden dan ook in ontbloot bovenlijf voor een studioportret poseren, en zo onverhoopt de rozige uitstraling krijgen van een trio na de daad; de peuter die de zwangere buik van haar moeder kust met doodsangst in haar ogen; de vier vrouwelijke collega’s die tegen een kantoorachtergrond uit de jaren tachtig poseren en erbij kijken alsof ze de fotograaf weldra systematisch in reepjes gaan snijden.

Het succes van AwkwardFamilyPhotos.com – de in 2009 opgezette site trekt miljoenen bezoekers per dag, het boek dat in 2010 onder dezelfde titel uitkwam werd een New York Times-_bestseller, en voor wie van al die pixels en al dat papier nog geen genoeg heeft, is er nu ook een AwkwardFamilyPhotos-bordspel – illustreert de merkwaardige plaats van humor in fotografie. Die humor ligt namelijk niet bij de maker, en ook niet bij het onderwerp, maar bij de kijker die van een allesbehalve grappig bedoelde foto toch de grap weet in te zien. Natuurlijk, ieder weekend maken duizenden mensen zogenaamd komische hazenoortjes achter de hoofden van hun mede-poseurs, als ze niet proberen de Toren van Pisa om te duwen of de Eiffeltoren tussen duim en wijsvinger fijn te knijpen. En natuurlijk zijn er documentairefotografen als Martin Parr, of de Nederlandse Isabella Rozendaal, die de vakantie vierende medemens vereeuwigen met een tegelijkertijd liefdevolle en ironische blik. Het resultaat, in boeken als _Life’s a Beach en En Masse: How Holland Holidays, is ontegenzeggelijk grappig. Maar met name online lijken we toch vooral zélf te willen bepalen wat een grappig beeld is en wat niet – als huisde humor, net al schoonheid, uitsluitend in het oog van de aanschouwer.

Die loskoppeling van intentie en waardering is onderdeel van de bredere found photography-_trend die sinds een jaar of tien, twintig door de kunst- en documentairefotografie waart. Onder deze noemer hijsen curatoren, kunstenaars, professionele fotografen en zelfs fotografiehistorici en -theoretici anonieme snapshots, lullige reclamefoto’s en andere vormen van alledaagse fotografie op een voetstuk: denk aan projecten als _Bilder von der Strasse, van de Duitse kunstenaar Joachim Schmid, In Almost Every Picture, de boekjesreeks met gevonden foto’s van Erik Kessels, of Hans Aarsmans obsessie met interieurfoto’s op Funda. Gewone, niet-kunstzinnig bedoelde foto’s, zo luidt de onderliggende boodschap, kunnen kunst worden wanneer iemand die daar oog voor heeft ze uit hun originele context haalt en in een galerie, kunsttijdschrift, of museum plaatst. Vaak zijn het juist onbedoelde effecten – een gekke kadrering, lullige schaduwwerking, vreemde stilistische keuzes – die deze foto’s uit de dagelijkse beeldenmaalstroom doen springen. De kunstenaar wordt als een editor: iemand die niet langer zelf beelden maakt, maar die in andermans beelden de poëzie en vooral ook de humor weet in te zien. Nu ook het gewone online-volk steeds vaker die overstap lijkt te maken – getuige het succes van sites als Tumblr of Pinterest, waarop gebruikers afbeeldingen verzamelen die elders en door iemand anders zijn gemaakt, om vervolgens iets over zichzelf te zeggen – is het niet vreemd dat humor geen eigenschap van de foto zelf lijkt te zijn, maar van het publiek.

Ergens is dat natuurlijk altijd zo geweest. Al sinds de Middeleeuwen geldt ‘humor’ eerder als een manier van zien dan als een manier van zijn, zoals cultuurhistoricus Daniel Wickberg beschrijft in zijn geschiedenis van humor, The Senses of Humor: Self and Laughter in Modern America (1998). Volgens Wickberg deed het moderne idee dat er zoiets bestond als een ‘gevoel voor humor’ echter pas vanaf 1840 zijn intrede in het westerse gedachtegoed – een periode waarin wel meer ‘senses’ en ‘sensibilities’ in zwang raakten. Niet dat mensen voor die tijd geen grappen maakten; pas halverwege de negentiende eeuw werd het gevoel voor humor gezien als het vermogen niet alleen om anderen, maar ook om jezelf te lachen. In die vorm werd het gevoel voor humor de belangrijke, positieve eigenschap die ze nu nog steeds is. Anderhalve eeuw later is het ontbreken ervan doorgaans reden genoeg om iemand af te wijzen als partner, collega, of vriend – en zelfs een legitieme grond voor zorg of wantrouwen.

Het moderne gevoel voor humor kwam dus precies tegelijk ter wereld met wat misschien wel het meest wonderbaarlijke nieuwe medium van de negentiende eeuw was: de fotografie. Toch waren humor en fotografie niet direct een voor de hand liggende combinatie: fotografie was, zeker in de eerste paar decennia van haar bestaan, een uiterst serieuze aangelegenheid. De techniek was duur, ingewikkeld en traag, en daarmee niet bedoeld voor frivoliteiten. Het laten maken van een portret was, zeker in die eerste jaren, een ernstig ritueel; buiten de studio werd de camera vooral gebruikt om natuurverschijnselen, stadsgezichten, of nagespeelde religieuze of historische taferelen vast te leggen. Met de opkomst, in de jaren 1860 en 1870, van de tintype – stukken goedkoper dan de daguerreotype – begonnen sommige mensen al wel voorzichtig grapjes te maken voor de camera, bijvoorbeeld door zich te verkleden als bankovervallers, maar een echt humoristische omgang met het medium liet op zich wachten tot het eind van de negentiende eeuw – dezelfde periode, toevallig, waarin we voor het eerst ‘cheese’ tegen de camera gingen zeggen.

De oorzaak van die omslag was, wederom, deels technologisch. Het eind van de negentiende eeuw markeerde het moment suprême van Kodak, het bedrijf dat met de productie en marketing van goedkope, gemakkelijk te gebruiken handcamera’s in een paar jaar tijd een volledig nieuwe markt voor fotografie wist aan te boren: die van de huis-tuin-en-keukenamateur. Nu fotografie niet langer het domein was van de serieuze professionele fotograaf met kunstzinnige of wetenschappelijke doeleinden kon het grote grappen maken beginnen: foto’s uit die tijd tonen verkleedpartijen, acrobatische trucs, gekke bekken en gretig gebruik van de gezichtsbedriegende potentie van het medium, zoals hoofden die door gaten in lakens heen gestoken worden om zo de suggestie te wekken van een kop zonder lichaam. Dit tot afschuw van de oudere, serieuzere garde: in 1890 waarschuwde de Amerikaanse fotograaf W.H. Burbank bijvoorbeeld voor de ‘gevaren’ van de handcamera. Die handcamera zou de fotografie nog wel eens kunnen degraderen tot ‘een manier om karikaturen te maken van vrienden, door hen vast te leggen in allerlei belachelijke of onbevallige houdingen’, en niets, aldus Burbank, was ‘meer in strijd met de geest van onze zachtaardige kunst’.

Maar die zachtaardige kunst werd steeds toegankelijker, steeds normaler ook, en daarmee breidde haar repertoire zich uit. Straatfotografen als Henri Cartier-Bresson, Robert Frank, Lee Friedlander en Garry Winogrand, die halverwege de twintigste eeuw hun handcamera’s inzetten om het bruisende en diverse stadsleven te vangen, maakten vaak beelden die, doordat ze toevallig op het juiste moment genomen waren of door de verschillende zaken die ze binnen één kader samenbrachten, onmiskenbaar grappig waren. Zo is Brasserie Lipp, Paris, Cartier-Bressons foto uit 1969 van een oudere dame die, op een Parijs’ terras, misprijzend het korte rokje van een meisje aan een belendend tafeltje bekijkt, inmiddels uitgegroeid tot een humoristisch ansichtkaarticoon, net als zijn Rue Mouffetard, Paris uit 1954 waarop een klein jongetje parmantig over straat paradeert met twee wijnflessen onder zijn armen – flessen die, op zijn kleine gestel, komisch groot zijn. De humor van Robert Frank is wranger en donkerder, maar ook in zijn oeuvre komt ze terug, zoals in de foto Parade – Hoboken, New Jersey, uit zijn boek The Americans (1958), waarin de Amerikaanse vlag een toeschouwer van een parade het zicht beneemt. De dierentuinfoto’s van Garry Winogrand zijn vaak grappig om de allesontziende wijze waarop Winogrand mens en dier naast elkaar in het kader zet.

Genoeg fotografen – kunstenaars, documentairemakers, en al wat zich daar tussenin begeeft – werken nog altijd in deze traditie, met de eerder genoemde Martin Parr als misschien wel het belangrijkste voorbeeld. Maar naast fotograaf is Parr ook verzamelaar, en na de boeken Boring Postcards en Boring Postcards USA publiceerde hij in 2002 het boekje From Our House to Your House, een bundeling kerstkaarten waarvan de meeste bedrukt zijn met familieportretten die niet zouden misstaan op AwkwardFamilyPhotos.com. Hoe goed Parr ook is in het vangen van onbedoeld humoristische situaties en poses, lijkt de subtekst van dit boek te zijn, uiteindelijk zijn het de mensen zélf die zichzelf het best onsterfelijk belachelijk kunnen maken – zolang ze maar niet al te veel hun best doen.

Dat is wellicht een andere reden voor de aantrekkingskracht van onbedoeld humoristische foto’s: we houden niet van mensen die te veel hun best doen, en al helemaal niet van mensen die te veel hun best doen om grappig te zijn. Humor is een tricky business: niets zo pijnlijk als een grap die doodslaat, een stand-up comedian die niet grappig is, een humoristisch bedoelde foto die geen enkele lach weet te ontlokken. De gevonden humor van de foto’s op AwkwardFamilyPhotos.com en in andere found photography-projecten is alles behalve de bedoeling, en daarom des te grappiger – zoals het lelijke meisje dat door iedereen aardig gevonden wordt, omdat ze voor niemand een bedreiging vormt.

Je kunt je afvragen wat het over ons zegt dat we het liefst en het hardst lijken te lachen om mensen die helemaal niet grappig willen zijn – hoe kies dat nou helemaal is, moreel gezien. Maar misschien is de lach om alledaagse, onbedoeld humoristische foto’s grotendeels een lach van herkenning; zelf hebben we immers allemaal ook wel ergens in een la of op een harde schijf het gênante document van een mislukt familie-uitje liggen, of de ongelukkige visuele uitkomst van goede bedoelingen. Als het gevoel voor humor inderdaad het vermogen is om niet alleen om de ander, maar vooral ook om onszelf te lachen, dan is AwkwardFamilyPhotos.com uiteindelijk dus niets meer dan een bevestiging van ons eigen, moderne gevoel voor humor.