Het is de Zomergasten-avond van presentator en muzikant Raven van Dorst. Die laat een fragment zien uit de documentaire Mevrouw Faber waarin trans vrouw Harriette haar bejaarde ouders vertelt dat zij de volgende fase van haar transitie ingaat. Daarop vraagt interviewster Janine Abbring haar gast of die ook dit soort moeilijke keukentafelgesprekken met diens ouders heeft gevoerd. Raven antwoordt bevestigend. ‘Ja, en wel op het moment dat ik besloot: ik ga niet meer als Ryanne door het leven, ik wil definitief uit dit sprookje stappen, mijn ware aard tonen. Ik had bedacht: ik moet gewoon mijn naam gaan veranderen. (…) Dat vonden ze niet zo leuk (…) Maar ik heb gelukkig een heel leuk neeffie, die is nu vier, toen was hij drie, die vertelde ik: “Hé luister eens, ik heet nu Raven, geen Ryanne. Ik ben geen meisje, geen jongetje maar ik ben allebei en allebei niet.”’ Non-binariteit in één klare zin. Het neefje begreep het meteen. ‘Oké, is goed’, zei hij.

De zichtbaarheid van non-binaire personen in onze samenleving is een van de jongste ontwikkelingen in het emancipatieproces van trans personen. Lange tijd werden zij als psychiatrische patiënten gezien. In een verslag van de Gezondheidsraad uit 1965 sprak de toenmalige commissie, waarin onder meer enkele hoogleraren psychiatrie en psychologie zaten, van een waan. Na literatuuronderzoek waren ze tot de conclusie gekomen dat de wens tot geslachtsverandering een zeldzame afwijking was. Ook het grote publiek zag trans personen als een rariteitenkabinet. De beroepsmogelijkheden voor trans vrouwen bleven nagenoeg beperkt tot prostituee op de Wallen of danseres in het buitenland. Trans mannen waren überhaupt nauwelijks zichtbaar.

In zijn boek Transgender in Nederland beschrijft trans man en historicus Alex Bakker hoe een enkele arts hartstochtelijk tegen de stroom in pionierde. Zoals Otto de Vaal, de ‘transendokter’. Hij hield speciale spreekuren, schreef hormonen voor, legde contacten met chirurgen. Vanwege de vaak traumatische ervaringen van trans personen met de psychiatrie liet hij alle psychopathologische duidingen en diagnoses achterwege. Hij accepteerde hun beleving als een gegeven en zo groeide hij uit tot hun vertrouwenspersoon, vraagbaak en hulpverlener. De Vaal stond aan de wieg van transgenderzorg in Nederland, die vanaf de jaren zeventig haar domicilie had in de gereformeerde Vrije Universiteit. Misschien op het eerste gezicht wat wonderlijk dat een op religieuze gronden gefundeerde instelling zich profileerde als voorloper op het gebied van seksuele emancipatie, maar de christelijke concepten van compassie en naastenliefde gaven de doorslag.

Mede dankzij De Vaals pioniersactiviteiten werd Nederland gidsland in de transgenderzorg. Hij baande de weg voor de eerste jongeren die zich in de jaren tachtig met genderdysforie meldden bij Peggy Cohen-Kettenis, toen nog klinisch psycholoog, later ook bijzonder hoogleraar genderontwikkeling en kinder- en jeugdpsychopathologie. Zij zag dat deze jongeren niet gebaat waren bij therapie, maar dringend verlegen zaten om medische hulp. Zij verlaagde als eerste ter wereld de leeftijdsgrens voor puberteitsremmers van achttien naar zestien, vervolgens naar veertien en ten slotte naar twaalf jaar.

Het bracht de gemoederen in beweging. Boven een interview met Cohen-Kettenis kopte een regionale krant: ‘Kind behandeld voor transseksualiteit’. Een citaat uit het artikel: ‘Vroege behandeling van transseksuelen is overal ter wereld zeer omstreden. Vanuit het buitenland volgt een handvol deskundigen de ontwikkeling met grote belangstelling, maar argwaan overheerst.’ Het artikel leverde behalve een hoop publiciteit en commotie ook Kamervragen op. Medisch ethica Heleen Dupuis betitelde het handelen van Cohen-Kettenis als ‘misbruik van de geneeskunde’ en op een conferentie werd de klinisch psychologe in één adem genoemd met nazi’s die op kinderen experimenteerden.

Het kon niet voorkomen dat een steeds grotere stroom tieners Cohen-Kettenis wist te vinden en de eerste genderkliniek voor adolescenten en kinderen haar deuren opende. Uit onderzoek bleek dat tijdens en na behandeling de gedrags- en emotionele problemen van de jongeren significant afnamen. De Dutch approach kreeg al snel wereldwijd navolging. Inmiddels is Nederland juridisch en beleidsmatig een aantal plaatsen gezakt op de internationale lijst van lhbti+-emancipatie, maar op het vlak van transgenderzorg is het nog steeds de onbetwiste koploper.

Amanou (2002)

‘Ik was een jaar of negen toen ik borsten begon te krijgen. Ik dacht: dit wil ik niet, dit past niet bij mij. ’s Zomers op het schoolplein hield ik mijn vest aan. Ik schaamde me. Ik wilde geen jongen zijn maar wel van mijn borsten af. Mijn vader en moeder – zij is vorig jaar overleden aan kanker – waren totaal niet van de strikte genderhokjes. Ze hadden het ongetwijfeld goed gevonden als ik had gezegd: ik wil eigenlijk liever bij de jongensafdeling naar kleding kijken, maar dat durfde ik niet.

Toen ik een jaar of twaalf was begon ik vaker na te denken over identiteit. Ik voelde mezelf anders dan de anderen. Geen meisje maar ook geen jongen. Ik wist wel dat je trans kon zijn, maar alleen binair: trans man of trans vrouw. Het woord non-binair kende ik nog niet. Als ik in de spiegel keek schrok ik van mijn eigen spiegelbeeld omdat dat volstrekt niet overeenkwam met mijn gevoel. Dat haar, die borsten. Ik vind het nog steeds lastig om geconfronteerd te worden met foto’s uit die tijd. Ik zie er zo ongelukkig uit.

Op een gegeven moment begon ik YouTube-filmpjes te kijken. Ik stuitte op de term “intersekse”, wat betekent dat je geslachtskenmerken van beide seksen hebt. Ik dacht: misschien ben ik dát, maar dan mentaal. En toen kwam ik een filmpje tegen waarin de term “non-binair” werd uitgelegd. Ik wist: dit ben ik.

Een half jaar later, ik was vijftien, zei ik op een avond vrij impulsief tegen mijn ouders dat ik hun wat wilde vertellen. Mijn moeder wist al wat non-binariteit was, mijn vader stelde wat vragen, maar allebei reageerden ze heel positief. Kort daarop was het Kerst en gaven ze me als cadeautje een werkboek waarin je je eigen gender kon onderzoeken. Dat voelde als een bevestiging. Voor mijn vriendenkring kwam het denk ik niet als een verrassing, want ik ben nooit heel meisjesachtig geweest. Mijn gedrag veranderde ook niet, alleen het label. Ik liet mijn haar korter knippen en kocht voor het eerst online kleding op de mannenafdeling. Ik voel me niet én man én vrouw, maar eerder geen van tweeën.

Mijn broertje is ook trans maar binair, dus een trans jongen. Hij hoorde onze gesprekken aan tafel en zei op een gegeven moment, hij was een jaar of zeven: “Ik ben ook genderneutraal.” Tot het begrip trans man viel, toen wist hij: ik ben een trans jongen.

In 2019 ben ik op de wachtlijst van de VU geplaatst. Daar heb ik bijna drie jaar op gestaan. Afgelopen maart had ik het eerste gesprek, een week later het tweede en bij het derde gesprek kreeg ik de diagnose genderdysforie. Ik sta nu op de nominatie voor een borstoperatie. Ik ben lid van een organisatie genaamd Queer Leiden University. Daar heb ik een beetje gelijkgestemde mensen gevonden. Dat is nog best lastig, zoveel non-binaire mensen zijn er niet.

Ik ben nu meer mezelf. De obstakels zitten vooral in de interactie met de omgeving. Als ik nieuwe mensen ontmoet, vertel ik ze dan dat ik non-binair ben? Hoe leg ik dat uit? Laatst hoorde ik een jongetje achter mijn rug zeggen: “Manwijf.” En mensen staren me soms aan. Maar de meeste dingen in de publieke ruimte zijn niet gegenderd, dus ik hoef me er ook niet continu toe te verhouden.’

Het laatste decennium lijkt het thema van gender een gedaanteverandering te hebben ondergaan. De vervaging van de eeuwenlange dominante tweedeling man-vrouw – die ook onder trans personen leidend was – wordt zichtbaar in de sterke toename van het aantal mensen dat zich non-binair noemt. Ze voelen zich noch man noch vrouw of zowel man als vrouw of ze bewegen zich tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid. Voor de een brengt deze grensvervaging bevrijding, voor de ander verwarring. Voor de meeste mensen is de indeling in twee geslachten een basaal onderscheid.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau berekende dit jaar dat dertig procent van de volwassen Nederlanders bij een eerste ontmoeting wil weten of iemand man of vrouw is. En zo’n zeventien procent is van mening dat er iets mis is met mensen die zich geen man of vrouw voelen. Dit ongemak leeft vooral onder lager opgeleide mannen met een religieuze en migratieachtergrond, woonachtig in niet-stedelijke gebieden. Voor een belangrijk deel zeventigplussers, maar er zijn ook jongeren die weinig ophebben met trans personen. Een ander deel van de jongeren daarentegen lijkt juist binariteit – de hokjes man en vrouw – als een keurslijf te ervaren en behoefte te hebben aan een rijker palet. Op internet, in de media, op scholen verschijnen steeds meer non-binaire tieners en twintigers. Is gender aan het transformeren van twee polen naar een spectrum?

Volgens Annelijn Wensing, hoofd van de genderkliniek van Amsterdam UMC, heeft non-binariteit ondergronds altijd bestaan. De laatste jaren is alleen de zichtbaarheid ervan toegenomen. Sociaal-maatschappelijk is er meer ruimte voor een genderidentiteit los van man en vrouw, niet in de laatste plaats omdat er ook taal voor is. De term non-binair dook voor het eerst op aan het eind van de twintigste eeuw. Filosofen als Judith Butler en seksuologen als John Money daagden de klassieke tegenstellingen man-vrouw, homoseksueel-heteroseksueel uit. Zij vonden die te beperkt en dachten meer vanuit een fluïdum. Dit denken maakte furore en leidde tot nieuwe identiteiten waaronder non-binair.

Uit Brits en Australisch onderzoek blijkt dat de toegenomen aanwezigheid van (non-)binaire trans personen in de media het stigma op ‘trans-zijn’ aanzienlijk heeft verminderd. Tim de Jong, die het Steunpunt Gendervragen van Amsterdam UMC bemant, beaamt dit. ‘Voor non-binaire jongeren zijn rolmodellen van grote betekenis. Achter publieke figuren als Mariken Heitman, Marieke Lucas Rijneveld, Tobi Lakmaker en Raven van Dorst staan duizenden veelal jonge mensen die zich verzetten tegen de beperkte bewegingsruimte door de maatschappelijke tweedeling in man en vrouw. De kans dat mensen nu in aanraking komen met genderonderwerpen is enorm vergroot.’

Afiah Vijlbrief is socioloog en onderzoeker bij kenniscentrum voor seksualiteit Rutgers. Eerder werkte ze bij kennisinstituut Movisie waar ze onderzoek deed naar de identiteitsbeleving van non-binaire personen. Zij ziet dat identiteit niet alleen op het genderspectrum vaker fluïde is, maar ook binnen één persoon. ‘Identiteit gaat over zelfidentificatie: hoe voel ik me, wie ben ik? Daarnaast over de vraag: hoe ziet de wereld mij en hoe reageert zij op mij? Dat is een wisselwerking. Laatst zei iemand: “Jij bent van kleur, jouw raciale identiteit verandert toch niet”, waarop mijn antwoord was: “Hoe ik eruitzie verandert niet, maar de beléving van mijn uiterlijk wel.” En dat kan evengoed gelden voor gender.’

Vijlbrief beschouwt internet als een belangrijke bron van alternatieve verhalen tegenover het dominante, binaire narratief waarin trans personen zich niet herkennen. Vaak komen jongeren daar voor het eerst het woord non-binair tegen. ‘Herkenning draagt bij aan erkenning en aan zelfacceptatie.’

Non-binair

Gender verwijst naar een zelfdefinitie. Wie als man of vrouw is geboren en zich ook zo identificeert is cis of cisgender. Iemand wiens genderidentiteit niet overeenkomt met het geslacht op de geboorteakte is trans oftewel transgender. Binaire trans mannen en vrouwen voelen zich meestal man óf vrouw. Non-binaire personen vallen ook onder de parapluterm trans, maar zij voelen zich niet een van beide of juist allebei of soms het een, soms het ander.

Het aantal mensen dat naar eigen beleving niet volledig in het hokje man of vrouw past is hoger dan vaak gedacht: bijna vier procent van de Nederlanders, volgens onderzoekers van kenniscentrum Rutgers.

De Nederlandse taal kende tot voor kort alleen mannelijke en vrouwelijke persoonlijke voornaamwoorden: hij/zij, hem/haar, zijn/haar. Non-binaire personen geven meestal de voorkeur aan de nieuwe genderneutrale voornaamwoorden die/diens, hen/hun.

Thomas Steensma is als behandelend psycholoog en onderzoeker verbonden aan de genderkliniek van Amsterdam UMC. Hij schetst het medische en maatschappelijke model van een aantal decennia terug. ‘Iemand die zich geen vrouw voelde was man en iemand die zich geen man voelde was vrouw. Dertig jaar geleden kwamen er ook mensen op de polikliniek die aangaven: “Ik voel me geen vrouw maar ik hoef niet per se een man te worden.” Maar dan voldeden ze niet aan de diagnose van een genderidentiteitsstoornis en kregen ze geen toegang tot zorg. Dat is veranderd. Nu is het ook mogelijk om een gedeeltelijke transitie te ondergaan – hormonen, een chirurgische ingreep – wanneer je je niet volledig man of vrouw voelt.’ Een uitkomst voor veel non-binaire personen.

Met vooruitziende blik schreef Tim de Jong in 1999 het boek Man of vrouw, min of meer: Gesprekken over een niet-gangbare sekse. Op basis van zijn ervaringen in de wereld van trans personen onderstreept De Jong de verklaring van Annelijn Wensing dat non-binariteit als verschijnsel niet is toegenomen, maar wel de zichtbaarheid ervan. En met de zichtbaarheid stegen vraag en aanbod van transgenderzorg explosief. De laatste jaren nam de capaciteit voor hormoonbehandelingen, voor zowel binaire als non-binaire trans personen, toe met vijfhonderd procent: van 770 naar 3855. Het aantal psychologische behandelingen verdubbelde van 2220 naar 4822 en zal naar verwachting volgend jaar rond de 6800 liggen. De vraag is niet bij te benen.

Zou het ook kunnen dat het aanbod de vraag creëert? Het is een gedachte waarmee Chris Verhaak, klinisch psycholoog en onderzoeker bij het Radboud Expertisecentrum Geslacht & Gender, regelmatig speelt. ‘De jongeren die bij ons aankloppen zeggen dat hun identiteit niet past bij de hokjes die er zijn. Wat zou er gebeuren wanneer wij als maatschappij hen accepteren met hun atypische identiteit? Hoeveel transgenderzorg zouden we dan nog nodig hebben? Ik denk zeker minder.’

In de ogen van Fayaaz Joemmanbaks, onderzoeker bij Rutgers en zelf non-binair, gaat het om een relatief kleine groep jongeren met veel media-exposure. ‘Ik merk dat in de meer gevestigde instituten waar ik trainingen geef, men zich niet altijd bewust is van deze thematiek.’ Volgens Nanoah Struik, non-binaire activist, podcastmaker en mede-auteur van het boek X: Alles en niets is de zichtbaarheid van non-binariteit groter in de stad dan op het platteland. ‘Als ik in Amsterdam had gewoond in plaats van in een stadje in Drenthe, had ik veel eerder geweten dat ik non-binair was. Je kunt het zien en dus herkennen.’

Regelmatig steekt de vraag de kop op of de opmars van trans personen mede te verklaren is door sociale beïnvloeding. In de adolescentiefase hebben leeftijdsgenoten vaak een niet te onderschatten invloed op elkaar.

Een omstreden studie van de Amerikaanse arts Lisa Littman joeg de vlam in het debat. In haar praktijk in een kleine Amerikaanse stad waren kort na elkaar verschillende tieners binnengestapt met de mededeling dat ze leden aan genderdysforie en in transitie wilden. Littman vroeg zich af of hier sprake was van sociale besmetting. Ze voerde een online onderzoek uit via sites waarvan het merendeel van de bezoekers bestond uit bezorgde ouders. Op basis van 256 reacties concludeerde zij dat er sprake was van een nieuw fenomeen. Ze muntte hiervoor de term rapid onset gender dysforia, snel opkomende genderdysforie. Littman speculeerde dat deze vorm van genderdysforie een sociaal coping-mechanisme was voor andere stoornissen, zoals depressie en angst. En ook suggereerde ze dat leeftijdsgenoten elkaar aanstaken met hun verhalen over genderdysforie.

Gezondheidsonderzoekers en transgenderactivisten buitelden over elkaar heen om Littman met kritiek te bestoken. Slechte methodologie, onwetenschappelijk betoog, vooringenomen prutswerk. Een gecorrigeerde versie volgde, maar het debat luwde niet. Thomas Steensma vindt de observatie van Littman van belang, maar de interpretatie en de uitleg te kort door de bocht. ‘Zij zegt dat jongeren in een plotselinge opwelling genderincongruentie ervaren en verklaart dat vanuit sociale besmetting. Daar hebben wij geen aanwijzingen voor. De groep die we nu binnenkrijgen wijkt niet af van de groep van twintig jaar geleden. En natuurlijk, gelijkgestemden zoeken elkaar op.’

Ook Afiah Vijlbrief is huiverig om te spreken over een trend. ‘Het verlangen te emanciperen maakt deze groep zichtbaar. Diezelfde beweging zie je bij allerlei andere gestigmatiseerde identiteiten. Black Lives Matter, mensen met een beperking, ze eisen hun plek op, stellen de gangbare norm aan de kaak.’ Annelijn Wensing beantwoordt de vraag of de toename van het aantal non-binaire mensen een trend is met een volmondig nee. ‘Wij zien jongeren met genderincongruente gevoelens die dezelfde lichamelijke en psychische lijdensdruk ervaren als de mensen die ons vroeger, zij het in minder groten getale, bezochten. Lijdensdruk die gepaard gaat met somberheid, sociale onzekerheid en angst.’

Klinisch psycholoog Chris Verhaak (Radboudumc) staat niet afwijzend tegenover Litmanns onderzoek, maar benadrukt dat een verschijnsel nooit te verklaren is vanuit één oorzaak. Het zijn nooit alleen de sociale media, de autoritaire vader, de invloed van leeftijdsgenoten. Identiteit wordt gevormd in interactie met een brede groep individuen en binnen een wijdere maatschappelijke context. ‘Het is wel zo dat wanneer er in een bepaalde periode veel aandacht is voor een bepaald fenomeen dat automatisch van invloed is op hoe je naar jezelf kijkt. Nu noemen jongeren zich non-binair die dat vroeger niet gedaan zouden hebben.’

Scott Leibowitz is een Amerikaanse kinder- en jeugdpsychiater en pionier op het gebied van de transgendergezondheidszorg. Hij maakt, met de nodige slagen om de arm, expliciet gewag van sociale invloed. Onder het aantal mensen dat een detransitie had ondergaan waren er enkelen die vertelden hoe gedurende hun puberteit leeftijdsgenoten en sociale media een bepalende rol hadden gespeeld in de beleving van hun gender. Het is een heikel thema waar weinigen zich aan willen branden. Al helemaal niet wanneer conservatieve politici dit soort verhalen misbruiken om olie op het vuur van de transfobie te gooien. Of zelfs, zoals in Amerika, af te koersen op een verbod op gendergerelateerde zorg.

Maar wanneer sociale beïnvloeding echt van grote invloed zou zijn, zou je verwachten dat het aantal spijtoptanten aanzienlijk is. Toch gaat het slechts om een kleine groep. In Amerika zo’n zeven procent, blijkt uit recent onderzoek. Verhaak stelt dat in Nederland zo’n drieënhalf procent van de jongeren een behandeling of ingreep zou willen terugdraaien, maar haast zich eraan toe te voegen dat ‘spijt’ een complex begrip is. ‘Het belangrijkste is dat mensen voor hun gevoel toen een weloverwogen besluit hebben genomen. Misschien denken ze later: met de kennis van nu had ik het anders gedaan. Daar is mee te leven. Maar als je het idee hebt dat je dat besluit genomen hebt zonder dat je alle consequenties wist of overzag, is dat een stuk moeilijker.’

Steensma: ‘Soms zegt iemand: “Op het moment dat ik in behandeling ging en er meer ruimte kwam voor wie ik daadwerkelijk was, ontdekte ik dat mijn genderidentiteit toch minder in dat uiterste plaatje past.” Die heeft die reis nodig gehad om tot die conclusie te komen.’

Fayaaz (1994)

‘Van jongs af aan droeg ik jurkjes en hakken en hield ik van de Spice Girls. Ik heb twee zussen en er werd wel eens grappend gezegd: “Jij had als meisje geboren moeten worden en je oudere zus als jongen, want die is veel stoerder.” Rond mijn twaalfde ontdekte ik dat ik op mannen viel. Ik heb van alles geprobeerd om van mijn homoseksuele gevoelens af te komen. Van bidden tot het kijken naar heteroseksuele porno. Met mijn moeder en zussen kon ik er goed over praten, maar voor mijn vader – hij is imam en zeer conservatief – was mijn homoseksualiteit onacceptabel. Het strookte niet met zijn status, zijn religieuze overtuiging en zijn mannelijkheid.

Ik ging veel uit met vrienden en op een met drank overgoten avond, ik was een jaar of zestien, maakten we zoenfoto’s. Die belandden op Facebook en niet veel later bij mijn vader. Daarna veranderde alles. Mijn vader verbood me om nog uit te gaan, hij controleerde me en stuurde me naar een psycholoog om te genezen van mijn homoseksualiteit. Maar zij zei: “Fayaaz, dit gaat nooit veranderen. Je moet ermee leren omgaan.” Dat was een belangrijk moment.

Toch voelde ik me in de gay community niet thuis en ook het daten verliep niet soepel. Ik beleefde mezelf niet echt als een man. Op een bepaald moment ben ik meer mijn feminiene kant gaan verkennen. Ik maakte me op, droeg pruiken. Door mensen in mijn omgeving ben ik mezelf gaan herkennen als non-binair. Ik weet zeker dat wanneer ik geen trans personen had ontmoet, ik me nog steeds als homo zou identificeren. Gender is een sociaal construct. Ik heb ook getwijfeld of ik niet trans vrouw was en die twijfel is er nog steeds. Maar op dit moment past non-binair beter bij me. Ik voel me soms man en vrouw en soms geen van beide. De ene keer vind ik het fijn om een jurk aan te doen, dan weer om een snor en een baard te hebben. Wel voel ik me meer feminien dan masculien. Ik heb altijd borsten gewild, maar dat betekent niet dat ik me morgen laat opereren. Daarvoor heb ik mezelf nog niet genoeg geaccepteerd als non-binair persoon. Omdat de maatschappij non-binariteit niet accepteert.

Na de middelbare school in Paramaribo ben ik naar Nederland gekomen om psychologie te studeren. Ik werk nu als onderzoeker bij Rutgers en maak studie van seksualiteit in de brede zin van het woord, van seksueel geweld tot gender. Een paar jaar geleden heb ik samen met een aantal anderen Colored Qollective opgericht voor queer en trans personen van kleur. Er komen steeds meer mensen die zich publiekelijk willen inzetten voor onze gemeenschap. We hebben een bestuur van zes personen en vier identificeren zich als non-binair. Dat vind ik een mooie ontwikkeling.’

Het debat over genderzorg heeft de afgelopen jaren scherpe randjes gekregen. Vanuit de trans gemeenschap klinkt de roep om meer autonomie in het beslissingsproces rondom een transitie. Zorgaanbieders bepleiten juist een zorgvuldige toetsing van jonge trans personen, een groep in ontwikkeling. Dat laatste was voor de Gezondheidsraad in Zweden het argument om het verstrekken van puberteitsremmers en hormonen te beperken tot uitzonderlijke gevallen. Ook in Frankrijk wordt gemaand tot voorzichtigheid bij de behandeling van jonge mensen met het oog op gezondheidsrisico’s zoals onvruchtbaarheid. En al eerder zette een Britse rechter een streep door de mogelijkheid voor jongeren onder de zestien jaar om puberteitsremmers te krijgen. Ze zouden te jong zijn om de gevolgen te kunnen overzien.

Annelijn Wensing vindt dat een ernstige zaak. ‘Wij zijn juist ontzettend blij met puberteitsremmers. We kopen er tijd en rust mee. Zo kunnen we uitzoeken wat iemand nodig heeft om zichzelf te kunnen zijn.’ Chris Verhaak is terughoudender: ‘Puberteitsremmers grijpen in op de hormonale ontwikkeling van het lichaam en dus op de ontwikkeling van het brein en de seksualiteit. En terwijl die ontwikkelingen stilstaan en deze kinderen in seksueel opzicht nog vaak heel pril zijn, moeten ze beslissingen nemen die van invloed zijn op de seksualiteit in hun volwassen leven.’

En er speelt nog een dilemma. Verhaak: ‘Juist in de vroege adolescentie zijn jongens en meisjes het gevoeligst voor het oordeel van de groep. Ik vind het ingewikkeld dat je op die leeftijd een onomkeerbare medische ingreep ondergaat, terwijl er in de latere adolescentie meer ruimte ontstaat om af te wijken van de norm. Soms ook is het geloof in het effect van een medische behandeling niet helemaal realistisch. Bovendien heeft elke ingreep ook nadelen. Zo kunnen bepaalde behandelingen invloed hebben op de vruchtbaarheid of de botdichtheid en moet je cross-seks hormonen altijd blijven gebruiken. Voor een bepaalde groep is het zinnig dat je die puberteit remt, maar we zien ook een groep – een derde tot de helft van het totaal – waar dat niet zo duidelijk is. Daar maak ik me zorgen over. Helemaal omdat we ook enorme druk ervaren om zo snel mogelijk die puberteitsremmers te verstrekken, zeker bij geboren meisjes waar de borstontwikkeling soms al op een jaar of elf begint.’

Tim de Jong kent het debat van binnenuit: ‘Aan de ene kant heb je trans personen die zeggen: “De behandeling moet gewoon beschikbaar zijn. Ik moet hormonen bij de huisarts kunnen krijgen en mezelf kunnen aanmelden voor een operatie. Ik ben de enige die daarover kan beslissen.” Stel je bent in de veertig, je hebt allang je sociale transitie achter de rug maar wil nu een medische behandeling. Dan kom je bij een psycholoog die je gaat vragen of jouw beleving van je identiteit wel bestendig is. Of er geen psychiatrische problematiek speelt. Dat voelt ongemakkelijk. Daartegenover staan degenen die stellen dat het verstandig is om, zeker bij jongeren, diagnostiek toe te passen. Dat gaat ook over vragen als: kan iemand een behandeling aan? Heeft diegene een scherp beeld van de impact en de risico’s van een medische transitie? Maatwerk is in mijn ogen de oplossing.’

Bijkomend probleem is dat door die uitvoerige diagnostische trajecten de lange wachtlijsten blijven en jongeren in afwachting van hun transitie toch de puberteit ingaan waar ze zo tegenop zien. Thomas Steensma: ‘De lijdensdruk blijkt uit het feit dat het percentage suïcides en psychische problemen bij de groep die op een behandeling wacht hoger ligt dan het landelijke gemiddelde.’ Annelijn Wensing: ‘De levenskwaliteit van deze tieners neemt na behandeling overduidelijk toe. Er is een vermindering van psychische klachten.’

Maar hoe is het te verklaren dat desondanks het percentage suïcides ook ná een behandeling hoger ligt dan gemiddeld? ‘Je neemt de achtergrond van de transitie niet weg’, zegt Steensma. ‘Deze jongeren zijn in hun ontwikkeling al in aanraking gekomen met psychische problemen. Een behandeling leidt tot minder genderincongruentie, maar daarmee is niet alles opgelost. Het aangaan van relaties kan ingewikkeld zijn. Of ze masculiniseren of feminiseren misschien niet helemaal op de manier die ze zich hadden voorgesteld. Het is een kwetsbare groep.’

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de jongeren die zich aanmeldt voor een (gedeeltelijke) transitie kampt met psychische problematiek op andere vlakken. Depressie, eet-, angst en aandachtstoornissen. Chris Verhaak verklaart dat deels uit ‘minderheidsstress’. ‘Over de hele linie spelen bij de lhbti+-groep meer mentale problemen. Afwijken van de norm kan somberheid, suïcidaal gedrag, sociale angst met zich meebrengen. Ook zien we veel meer kinderen met autismespectrumstoornissen. Hoe dat precies komt is nog gissen. Je moet heel goed uitkijken voor je bij deze groepen medisch gaat ingrijpen. We hebben hierin een grote verantwoordelijkheid.’

Steun van de omgeving blijkt een beschermende factor tegen depressie en suïcidaliteit en onontbeerlijk voor een goed verloop van de sociale en/of medische transitie. Maar voor ouders voelt de mededeling van hun kind dat het trans is eerst vaak als een schok. Tim de Jong krijgt bij Steunpunt Gendervragen regelmatig bezorgde ouders aan de telefoon. ‘Ze moeten het beeld van hun kind bijstellen, dat kan een rouwproces zijn. Ze willen het beste voor hun kind, maar wat is het beste? Moeten ze meegaan in de verlangens van hun dochter om als jongen naar school te gaan of van hun zoon die een andere naam wil? Ik spreek met hen over hun rol als ouder. Vaak is hun kind er nog niet uit of het een trans jongen c.q. meisje is of non-binair. Dan is het het fijnste als ze samen de zoektocht aangaan en ruimte bieden aan het kind om te worden wie die is.’

Pim (1998)

‘Als veertienjarige ontdekte ik het woord “androgyn”. Ik begreep dat het begrip een samentrekking was van andro, man, en gyn, vrouw, en ik schreef in mijn dagboek: ik voel me androgyn. Pas toen ik zestien was en meer toegang had tot internet en sociale media las ik over trans personen. Ik verbaasde me erover dat er zoveel bij mij resoneerde. Ik keek naar video’s van trans jongens die hun borsten hadden laten verwijderen en ik dacht: dat wil ik ook. Met kleine stapjes begon ik te experimenteren met mijn uiterlijk. Op een gegeven moment betrapte mijn moeder me in de kleren van een van mijn oudere broers. Ze vroeg om een verklaring en ik zei: ik denk misschien dat ik me een jongen voel. Mijn moeder reageerde geschrokken en verdrietig. Het idee dat je straks geen dochter meer hebt is natuurlijk ook een rouwproces.

Ik experimenteerde verder. Ik liet mijn haar kort knippen, kocht kleding op de jongensafdeling, ging binders dragen die je borsten op een veilige manier platdrukken en gebruikte af en toe een jongensnaam om te kijken hoe dat voelde. Mijn ouders wilden me graag ondersteunen, maar wisten niet zo goed hoe. Ik voelde me in die tijd fragiel, somber, lusteloos. Ik was gesloten en deelde weinig. Al helemaal niet met mijn klasgenoten. Ik noemde mezelf genderqueer. Pas later leerde ik het woord “non-binair” kennen.

In 2018 ben ik op aanraden van een trans vriend naar Stepworks gegaan, een kliniek in Rotterdam. Na ongeveer een jaar en een stuk of tien gesprekken gaven ze me groen licht om het medisch traject in te gaan. Ik wist honderd procent zeker dat ik mijn borsten wilde laten verwijderen. Over hormonen twijfelde ik. Uiteindelijk ben ik toch met testosteron begonnen omdat ik er meer “mannelijke” fysieke eigenschappen door zou krijgen en een zwaardere stem. Want ondanks mijn naam en het feit dat ik geen borsten meer had, werd ik nog als meisje aangesproken. De hormonen leidden tot meer lichaamsbeharing, meer spierkracht en meer zin in seks.

Sindsdien zit ik beter in mijn vel. Ik was altijd een angstig, onrustig kind. Ik heb nu plezier in mijn lichaam en minder moeite om gezien en gehoord te worden. Als mijn haar wat langer is beschouwen mensen me eerder als meisje, als ik jongensachtige kleren draag denken ze dat ik een jongen ben. Die afwisseling vind ik fijn. Sinds ik aan de hormonen ben, kijken mensen soms op een veroordelende manier naar me. Een keer schold een kind me uit voor “kankertransgender”. Dat vond ik pijnlijk. Wat is er aan de hand met de beeldvorming dat kinderen dit roepen als ze een gender-nonconform iemand zien? Maar gelukkig zijn het incidenten.

Aan het begin van mijn opleidingen filosofie en schrijven heb ik aangegeven dat ik graag aangesproken wilde worden met hen/hun of die/diens en mijn studiegenoten gaan daarin mee. Mijn ouders heb ik dat nooit direct gevraagd. Ik ben bang dat ze het moeilijk vinden. Ze hebben het beeld van mij als dochter wel los kunnen laten. Ze zijn zelfs blij voor me, want ze zien dat ik het goed maak. De laatste maanden ben ik gelukkiger dan ooit.’

Opvallend is dat twee derde van de adolescenten met genderdysforie geboren meisjes zijn. Liesbeth Woertman, emeritus hoogleraar psychologie aan de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in de psychologie van het uiterlijk, sprak in de Volkskrant haar vermoeden uit dat ongemak met de aangeboden vrouwbeelden een verklarende factor is. Meisjes zouden de druk van het schoonheidsideaal willen ontlopen door non-binair of transgender te worden. ‘Het zijn vaak meisjes die zich niet opmaken die denken dat ze man moeten zijn omdat er niet meer smaken zijn.’

Chris Verhaak herkent zich in de uitspraken van Woertman. ‘Het paradoxale is dat in mijn tijd – ik ben van 1959 – de gendernormen veel ruimer waren. Meisjes en jongens hadden hetzelfde halflange haar en droegen dezelfde spijkerbroeken. Vandaag de dag zijn met name de sekserollen voor meisjes stereotieper en geseksualiseerder. Sexy broeken, blote truitjes. De speelruimte is kleiner. Dat kan betekenen dat meer meisjes zich niet thuis voelen in die nauw omschreven sekserol en zich daarom als non-binair identificeren.’

Dit roept de vraag op hoe genderidentiteit ontstaat. Thomas Steensma legt uit: ‘In het verleden zag men genderidentiteit als een sociaal construct. Soms werden verklaringen gezocht in de psychopathologische hoek, zoals een afwezige vader. Onderzoek richtte zich vooral op feminiene jongetjes. Later kwam daar een biologische stroming bij. In de baarmoeder zou de mate van testosteron van invloed zijn op de hersenontwikkeling en zo een basis leggen voor genderidentiteit. Nog steeds zijn er verschillende opvattingen. In mijn ogen is het een nature-nurture-debat. Het is natuurlijk wel zo dat wanneer je een kind met wat meer vrijheid grootbrengt, je de culturele en maatschappelijke druk van hoe jongens en meisjes zich horen te gedragen wat weghaalt.’

Fayaaz Joemmanbaks ziet hoe de klassieke tweedeling al begint tijdens de zwangerschap. ‘Mensen vragen: is het een jongen of is het een meisje? Maar je weet alleen het geslacht, niet het gender van een baby. In de kleutertijd worden jongens geconditioneerd om te spelen met auto’s en meisjes met barbies. Wanneer een meisje die behoefte niet heeft, merkt Amsterdam UMC dat nog steeds aan als een vinkje voor transgevoelens. En op de afdeling kinderkleding kleurt de ene helft roze en de andere helft blauw.’ Nanoah Struik: ‘We focussen te veel op wat er tussen iemands benen zit. Aan een penis of een vulva zijn verschillende verwachtingen verbonden en we zouden onszelf een groot plezier doen als we die loslaten. We hoeven niet per se naar een non-binaire wereld, maar wel naar een wereld waarin we vrij zijn om onze genderidentiteit en genderexpressie op eigen manier te vormen.’

Die ideale wereld lijkt nog niet binnen handbereik. Non-binaire trans personen hebben niet alleen te maken met vijandigheid van buitenaf maar ook van binnenuit. Afiah Vijlbrief: ‘Er heerst het idee dat de lhbti+-gemeenschap wel tolerant zal zijn omdat iedereen uit ervaring weet wat het betekent om tot een minderheid te horen. Het tegenovergestelde is waar. Er is veel transfobie. Non-binaire mensen vormen een minderheid binnen een minderheid. Homomannen of lesbische vrouwen zeggen: “Maak een keuze.” Binaire trans personen zeggen: “Je bent niet ‘man’ of ‘vrouw’ genoeg.”’

Ook lhbti+’ers zijn geconditioneerd door het hokjesdenken. Nanoah Struik: ‘Witte homomannen op leeftijd staan het dichtst bij de norm van de samenleving. Zij kunnen soms niet meer meekomen met al die nieuwe letters. Bij hen manifesteert zich diezelfde angst voor het onbekende als in de maatschappij.’

Op de onderste sport van de lhbti+-ladder bevinden zich de non-binaire én binaire trans personen van kleur. Het was de reden waarom Fayaaz Joemmanbaks samen met een aantal anderen in 2018 Colored Qollective oprichtte. ‘Er was behoefte aan een safe space voor queer en trans personen van kleur. Zij voelen zich vaak buitengesloten en onveilig in het uitgaanscircuit. Het is een psychologisch proces dat je wel vaker ziet. De onderdrukte wordt zelf onderdrukker.’

Hoe de ontwikkelingen de komende decennia verlopen is koffiedik kijken. Joemmanbaks gelooft dat de opkomst van non-binaire personen doorzet, maar bespeurt ook een tegenreactie van mensen die zeggen: gender is allemaal onzin. ‘Neem de campagne van Forum voor Democratie met de leus: “Hoeveel genders heb ik vandaag?”’

Afiah Vijlbrief signaleert dat de tegenbeweging vanuit diverse hoeken komt: religieus, conservatief, rechts-nationalistisch. Mensen die het lastig vinden om andersdenkenden te accepteren. Die mannen én vrouwen in traditionele posities willen houden.

Annelijn Wensing is het meest positief. Zij denkt niet alleen dat steeds meer non-binaire mensen de overstap zullen maken van ondergronds naar bovengronds. Ze gelooft ook dat we aan de vooravond staan van een breed gedragen, genderdivers maatschappelijk denken.

Nanoah (2000)

‘Ik was een jaar of zeven en mijn lievelingsbroek was een stoere legerbroek. Mijn Nigeriaanse vader vond dat maar niks en gooide op een dag die broek weg. Ik realiseerde me: blijkbaar is er iets niet goed aan mij en heeft dat te maken met de manier waarop ik een meisje ben. Ik zag ook wel het verschil tussen de meisjes in mijn klas en mezelf – iedereen noemde mij stoer – maar wist niet precies hoe het zat.

Ik merkte al vroeg dat mijn borstgroei me in de weg zat en dat menstruatie niet bij me hoorde. Ik googelde op de zin: “Ik voel me geen meisje maar zeker ook geen jongen, wat betekent dat?“ “Non-binair” was de winnende term. Ik ervoer een enorme opluchting.

Samen met het genderteam en mijn moeder – mijn ouders waren inmiddels gescheiden – ging ik verder met mijn zoektocht. Op mijn zeventiende ben ik uit de kast gekomen door middel van een blog. Op de journalistieke opleiding waar ik zat las ik dat blog voor en daar kwamen goede reacties op. Kort daarna introduceerde ik mezelf met een nieuwe naam.

De volgende belangrijke stap was een operatie. Wat was ik blij toen mijn borsten eraf waren. Pas het weekend voor de operatie heb ik mijn vader verteld dat ik non-binair ben, maar hij begreep het niet. Hij bleef me zijn dochter noemen. Ik heb hem gezegd: je hoeft me niet meer te bellen als je niet je best doet mijn nieuwe naam te gebruiken en mij je kind te noemen in plaats van je dochter. Het gaat nu iets beter. Na mijn borsten is ook mijn baarmoeder weggehaald en, belangrijk wapenfeit, ik ben de eerste non-binaire persoon die puur op basis van genderidentiteit – en niet ook intersekse-kenmerken – een X in diens paspoort heeft.

Ik denk dat de weg naar verandering gaat via extremen. These, antithese, synthese. In mijn kringen is bijna niemand binair, hetero of monogaam. Ja, mijn moeder.

Ik ben als podcastmaker publiekelijk bezig met genderdiversiteit en krijg, vooral online, doodsbedreigingen. Maar ik vind het belangrijk om zichtbaar te zijn. Om herkenning te bieden aan kleine Nanoahs. Wat je niet ziet is er niet. Wat je ziet kun je ook zijn.’

Met dank aan het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en Fonds 1877.