Generaal schwarzkopf in holland ‘wie vrede wil, bereidt zich voor op oorlog’, klonk het al in de oudheid

Arcadische tijden hebben nooit bestaan. Oorlog is van alle tijden. En hoewel de middelen verschillen, is de oorlogsvoering in de kern hetzelfde gebleven. Een beschouwing over de opmerkelijke overeenkomst tussen generaal Schwarzkopf en de dertiende-eeuwse krijgsheer Brederode
Ronald de Graaf is de auteur van Oorlog om Holland: 1000-1375. Uitgeverij Verloren, 494 blz., 369,- Gé Berkhof is luitenant-generaal der genie b.d. en hoogleraar strategische studies aan de Rijksuniversiteit Leiden.
HET BOEK VAN W.L. Brugsma waarin hij betoogt dat mensen altijd hebben gevochten, heeft de pakkende titel: Vrede is het alleen in de pauze. Hij is het dan ook faliekant oneens met degenen die menen dat in arcadische tijden mensen vreedzaam naast elkaar moeten hebben geleefd. Inderdaad, niets wijst daarop.

Sommige skeletten uit het ochtendgloren der mensheid vertonen hoofdwonden die waarschijnlijk door vuistbijlen zijn toegebracht. Ze zijn in elk geval niet het resultaat van een frontale botsing van twee hardhoofdige spelers bij een prehistorische rugbymatch. Krijg, het gebruik van gewapend geweld, is dan ook van alle tijden. Gewapende conflicten tussen kleine groepen van jagers en verzamelaars, stammen, volken, aanhangers van een bepaald geloof, deze of gene ideologie of - meer recent - staten of groepen van staten, markeren dan ook de geschiedenis. De afloop ervan, deels in de nevelen der historie gehuld, onderwerp van overleveringen, gestold in ruïnes en monumenten, vastgelegd in woord en beeld of nog diep in het geheugen gegrift, betekenden niet zelden de ondergang van een van de partijen. Hetzij door een bloedig verlies op het slagveld, hetzij door een afbraak van het moreel van de bevolking.
Oorlog wordt beheerst door de strategie - naar het Griekse strategos, de kunst en kunde van de generaal -, waarvan de regels door de Duitse generaal en strateeg Carl von Clausewitz (1780-1831) in zijn boek Vom Kriege zijn beschreven. Een belangrijk begrip dat hij hanteert, is ‘frictie’, waaronder hij de grillen van het weer tijdens de gevechten verstond, de vergissingen van commandanten en ondercommandanten en het falen van de technologie. Oorlog is naar zijn mening in principe erg eenvoudig, maar omdat een leger uit individuen bestaat, toch erg complex. Het is als lopen, maar dan in een medium dat weerstand biedt, zoals water. De uitkomst van de strijd wordt beheerst door wat hij de 'wonderlijke drievuldigheid’ noemt: de verhouding tussen de regering die de oorlog zijn doel en ratio moet geven, de opperbevelhebber en zijn leger die te zamen, ondanks alle frictie, het gestelde politieke doel met de hen ter beschikking gestelde middelen moet zien te bereiken en de bevolking die, door de haat ten opzichte van de tegenpartij, de oorlog moet ondersteunen en blijven betalen. Elk van de drie factoren kan, als het tegenzit, tot een nederlaag leiden.
DEZE CONSTANTEN ZIJN naar onze mening van alle tijden en gelden ook voor oorlogen uit het pre-clausewitziaanse tijdperk. Dat gaat uiteraard niet alleen op voor wat in Angelsakische landen grand strategy en ten onzent wel politieke strategie wordt genoemd. Dat is de strategie van de regering die bepaalt welke politieke, economische, sociale en eventueel militaire middelen worden ingezet om het beoogde doel te bereiken.
Ondergeschikt aan, maar onderdeel van de politieke strategie is de militaire strategie van de opperbevelhebber. Die moet, zoals gezegd, het politieke doel zien te bereiken met de middelen die hem ter beschikking zijn gesteld. Zonder geweld - of het dreigen daarmee - gaat dat meestal niet. Vaak moet er slag worden geleverd totdat het moreel van de tegenstander dusdanig is verzwakt dat hij er de brui aan geeft.
Om dat doel te bereiken voert het oppercommando 'operatieën’ uit; gevechtsacties op een operatietoneel. Onderdeel daarvan is de tactiek: de wijze van optreden van infanterie-, cavalerie- en genie-eenheden. De soldaten moeten daarvoor de techniek beheersen, de manier van aanvallen of verdedigen met hun tank, kanon of brugslagmiddelen. Natuurlijk verschilt dit per tijdsgewricht. Duidelijk is dat in een feodale, voornamelijk agrarische samenleving andere wapens en vechtmethoden werden gebruikt dan in de eeuw van de eerste industriële revolutie. Was in de eerste periode een man-tegen-mangevecht regel, in de tweede overheerste de tomeloze vernietiging op afstand. Ook in oorlogen die straks in cyberspace worden gevoerd, zullen de wapens en strijdwijzen anders zijn. Daar gaat het om het selectief uitschakelen van het brein van de tegenstander, ongeacht of dat nu van menselijke aard is - bijvoorbeeld de hersens van belangrijke politici en militairen (ongeacht of ze die hebben) of de computers die hen ter beschikking staan om oorlog te voeren. Massaal doden is dan geen noodzaak meer. Het doel van een oorlog blijft echter, ongeacht de wapens die worden gebruikt, onveranderlijk, namelijk het breken van de wil van de tegenstander.
HISTORICI ALS HANS Delbrück (1848-1929) en Robin Collingwood (1889-1943) hebben hiervoor de onderbouwing geven. Delbrück onderzocht niet alleen alle bekende bronnen, maar bezocht ook het gebied waar slag was geleverd en ging nauwgezet na welke wapens daarbij waren gebruikt. Waren die niet meer voorhanden dan liet hij ze namaken, waarbij hij zoveel mogelijk gebruik maakte van de materialen van die tijd.
Collingwood hanteerde een meer filosofische methode. Die gaat uit van een re-enactment of the past, letterlijk: het heropvoeren van het verleden. Wie zich afvraagt waarom Caesar besloot de Rubicon over te trekken, zal het toenmalige denkproces van de man moeten reconstrueren. Wie zich in Napoleons schoenen verplaatst, toen hij in 1812 geconfronteerd werd met het strategische probleem hoe de Russen verslagen moesten worden, kan zich indenken dat na het uitbreken van de brand in Moskou hem de moed in de schoenen moet zijn gezonken. Deze methode helpt ook op tactisch vlak, bijvoorbeeld bij admiraal Nelson tijdens de Slag bij Trafalgar (1805). De tactische overwegingen die hij maakte, zijn als het ware ingekapseld in ons hedendaagse denken.
Dat in de twintigste eeuw internationale conflicten door een combinatie van factoren in openlijke oorlog ontaardden, zal niemand betwijfelen. Zo waren er voor nazi-Duitsland eind jaren dertig verschillende redenen om in de buitenlandse politiek een agressieve houding aan te nemen. De smaad van Versailles moest worden gewroken, want wat geallieerden vrede noemden, was voor hen een vernederend dictaat. Immers, strategische gebieden moesten aan Frankrijk worden afgestaan, leger en vloot werden ontmanteld en er moest een astronomisch bedrag aan oorlogsschade worden vergoed. De problemen met het betalen hadden geleid tot de Franse bezetting van het Ruhrgebied, en tot stakingen en werkloosheid, gevolgd door de wereldcrisis. De keizer was weg, maar de nieuwe republiek was een in zichzelf verdeeld huis. De nazi’s wachtten op een kans om het Duitse prestige te herstellen en hun Lebensraum te vergroten met grondstofrijke gebiedsdelen. 'Wie vrede wil, bereidt zich voor op oorlog’, klonk het al in de oudheid. Als er één land was, waar krachtig de herbewaping ter hand werd genomen, was het wel Duitsland. De buitenlandse politiek van de nazi’s was doeltreffend en gaf concrete resultaten, mede doordat bij de geallieerden de appeasement-gedachte overheerste: het zal allemaal zo'n vaart niet lopen, zolang Duitsland maar tevreden wordt gesteld.
Een dergelijke lange lijst van grand strategy-motieven is bij de conflicten waarin middeleeuws Holland verzeild raakte, niet eenvoudig te geven. Iemand zal zeggen: allicht, want men streed uit ijdelheid en spilziek vermaak. De liefde voor een jonkvrouw leidde tot brute krijgshaftigheid op toernooien, en een in een zotte bui gedane kruistochtgelofte tot nodeloze avonturen in verre oorden. Zelfs de bekende Georges Duby stelt dat in de middeleeuwen 'oorlog op een boerenmanier’ werd gevoerd. Toch doen zulke vooroordelen geen recht aan het verleden.
Wanneer we de conflicten van de Hollanders met het Sticht (Utrecht) wat beter bekijken, krijgen we op de lange termijn een heel ander beeld voor ogen. In de eenentwintig keer dat Hollanders en Utrechters elkaar tussen 1018 en 1374 in de haren vlogen, ging het acht maal hoofdzakelijk om financieel-economische redenen zoals het innen van tolgeld, het beheer over sluizen of het beheersen van handelsroutes. Acht maal ging het hoofdzakelijk om gebiedsuitbreiding of juist om in politiek opzicht te overleven. Duidelijk is dat oorlogsvoering no nonsense was.
DIT BEELD WORDT versterkt als we kijken naar het wederzijdse scala van machtsmiddelen op grand strategy-niveau. Partijgangers werden geprivilegieerd, woeste grond in de grensstreek werd aan 'copers’ verkocht, adel werd via bijstandsverdragen gesteund, waterwegen werden geblokkeerd, bisschopsbenoemingen werden beïnvloed, afwateringssystemen werden ontregeld of juist via waterschappen gereguleerd, schulden en panden werden overgenomen en complete gebiedsdelen (zoals het Gooi) werden aangekocht. Het is duidelijk dat in het Hollandse veiligheidsbeleid verschillende geweldloze opties voorhanden waren, en dikwijls ook werden benut, alvorens tot militair ingrijpen werd overgegaan. Door het ontbreken van bronnen is het echter vaak niet meer mogelijk om het hele besluitvormingsproces gedetailleerd na te gaan.
Een uitzondering hierop is de gecombineerde Frans-Hollandse aanval op Vlaanderen in 1315. Uit rekeningen en verdragen is precies na te gaan hoe via stille diplomatie, omkoperij en spionage een anti-Vlaamse coalitie werd gevormd en de neutraliteit van Brabant werd gewaarborgd, hoe voedselembargo’s het moreel moesten ondermijnen en hoe de hoge verwachtingen van een twee-frontenoorlog tegen Vlaanderen, vooral door frictie - precies in de zin zoals Clausewitz dit definieerde - ten onder ging. Want alle professionaliteit ten spijt, het waren de herfstregens en modder, de angst voor de geduchte Vlaamse gilden en de twijfel aan de wederzijdse steun, waarin de grote krijgsmachine vastliep.
Dat in oorlogen, ondanks een tijdsverschil van eeuwen, wel degelijk dezelfde militair-strategische factoren opgeld kunnen doen, blijkt uit de tweede case-study: een vergelijking van het Hollandse optreden in de Friese Oorlog (de periode 1396-1401) met dat van de Amerikanen in de Vietnamoorlog (de periode 1965-1972). In beide gevallen ging de strijdwijze van geregelde oorlogsvoering, zeg maar gewone gevechten met de gangbare methoden, na verloop van tijd over op een guerrilla.
Aanvankelijk - in maart 1965, toen de mariniers voet aan land in Da Nang zetten - gold het Amerikaanse ingrijpen Vietnam zelf. In april 1970 besloot Nixon echter tot de invasie in Cambodja, om te voorkomen dat de Vietcong via dit buurland mensen en materieel kon aanvoeren. Om deze Ho Chi Minh-trail op te rollen werd in februari 1971 bovendien Laos aangevallen. Zo breidde de oorlog zich uit. De Amerikanen steunden het Zuidvietnamese bewind, dat berucht was vanwege de enorme corruptie (eerst Ky en later ook Thieu). Omdat de oorlog op grote afstand van Amerika zelf werd gevochten, moesten grote logistieke problemen worden overwonnen. Wegens de door de Vietcong toegepaste guerrilla-tactiek van hit and run waren nachtelijke overvallen en gevechten op Amerikaanse posten een normaal verschijnsel. Juist de jungle en de vele bergruggen maakten de inzet van zware wapens doorgaans onmogelijk. Wel beschikten de Amerikanen over een superieure vuurkracht, met name de Bell UH1C-helikopter draagt terecht de bijnaam gunship.
ONDANKS DEZE militair-technologische voorprong liepen Amerikaanse offensieven in wezen op niets uit, er moest zelfs terrein worden prijsgegeven. Ook hier speelde frictie een belangrijke rol. Overweldigende luchtsteun en de modernste communicatiemiddelen konden de onbekendheid met het terrein en de angst voor verwondingen bij de dienstplichtige GI’s niet wegnemen. Ofschoon wel tactische overwinningen werden behaald, zoals de beruchte aanval op Hill 937, beter bekend als Hamburger Hill, en creatieve initiatieven zoals het Strategic Hamlet Program om de harten van de lokale bevolking te winnen, mislukte de contra-guerrilla geheel. Mede door de televisie groeide thuis in Amerika de weerstand tegen de oorlog en was er steeds minder animo voor militaire operaties om Saigon te redden.
Deze kenmerken vinden we ook in Friesland terug. Sinds het begin van de veertiende eeuw streden de Hollanders tegen de Friezen. De aanval in 1345 op Staveren was op een fiasco uitgelopen, maar werd in 1396 en 1398 nog eens overgedaan. Grote legers van meer dan tienduizend man werden overgevaren. In gevechten werden de Friezen aanvankelijk verslagen. Daarnaast steunde Holland de lokale partij van de Vetkopers. Hierop sloten de Schieringers een triple alliance met Groningen en Oostlauwerse Friezen. Daarom besloot de Hollandse legerleiding de strijd eind 1398 uit te breiden naar de Lauwers en de stad Groningen. Een onbeperkte kaperoorlog om de Friese handel te ontwrichten leidde zelfs tot de vijandschap van Gelre. Zo breidde de oorlog zich uit. De Hollandse steun aan de Vetkopers was bedenkelijk, want hiermee mengde men zich in een plaatselijke vete en werden lokale bestuursposten niet eerlijk toegewezen.
Dat de operatiegebieden op een grote afstand van het Hollandse centrum lagen, was duidelijk. Over land en zee moest logistiek meer dan honderd kilometer worden overbrugd. In het kader van guerrilla-acties pleegden de Friezen nachtelijke overvallen op Hollandse troepen, zoals in Holwerd (1399) en in Staveren (1411). Het terrein liet de inzet van de zwaarste Hollandse wapens - de cavalerie - niet toe. Alleen wanneer de militaire operaties een statisch karakter hadden, kon Holland met een superieure vuurkracht in de vorm van de nieuwste lood- en steenbussen rebelse 'stinzen’ aan gort schieten. Maar offensieve operaties liepen niet zelden door frictie op een fiasco uit. Zo kwam van de aanval in 1396 door een woeste zee al niets meer terecht. Hoewel het leger in staat was om tactische overwinningen te behalen, zoals op de dijk te Kuinre of in het veld voor Dokkum, en ondanks creatieve oplossingen, zoals het voeren van propaganda via circulaires, kwam van een contra-guerrilla niets terecht. Als Hollandse manschappen door de Friezen gevangen werden genomen, werden ze zonder pardon in het Damsterdiep verdonken! Uiteindelijk werden de Hollandse steden zo oorlogsmoe dat ze in 1399, 1400 en 1401 weigerden om troepen en geld beschikbaar te stellen. Na 1401 was de val van de laatste post in Staveren een kwestie van tijd geworden.
HET DERDE VLAK is het tactische. Op gevechtsniveau zien we bepaalde handelingen die aan tijd noch plaats gebonden zijn. In Newsweek van 11 maart 1991 staat te lezen hoe de Amerikaanse generaal Norman Schwarzkopf in zijn hoofdkwartier in Riyadh tijdens de Golfoorlog tegen Irak besloten had om het luchtoffensief te doen vergezellen van de grondaanval: 'Toen liep hij naar buiten. Hij schopte in het woestijnzand en voelde dat het hard genoeg was, zowel voor vrachtwagens als tanks, en keerde terug om zijn doelen uit te werken.’ Tussen twee haakjes: zijn aanval zou een variant worden van de klassieke schaaroperatie over de linkerflank, een operatie waarmee Hannibal in de slag bij Cannae in 216 v. Chr. het Romeinse leger vernietigde. Verwonderlijk is dat niet. Tijdens een televisie-interview verklaarde Schwarzkopf gefascineerd te zijn door Hannibal en zijn vermogen de tegenpartij grondig te verrassen.
In Holland komen we soortgelijke acties tegen in 1256. De Hollandse graaf Willem II was in 1247 tot koning over het Heilige Roomse Rijk gekozen en kon na zijn terugkeer in Holland moeilijk verkroppen dat de Westfriezen bleven weigeren zich te laten inlijven. In de zomer van 1255 was hij bij Alkmaar het gebied binnengevallen; hij veroverde weliswaar negen dorpjes, maar moest door 'de drassigheid en de sloten’ terugtrekken. Vandaar zijn besluit om tot de winter te wachten. Alleen na strenge vorst was de bodem droog en hard genoeg voor de ridders te paard. Na kerst werd het leger bij Alkmaar verzameld. Het krijgsplan werd opgesteld: de ruiterij zou onder leiding van Brederode over land aanvallen en Willem zou de infanterie over de bevroren Heer Huigen Waard aanvoeren. En wat lezen we: 'Samen met enkele boogschutters ging hij (begin januari 1256) het ijs op, maakte een gat en zag dat het een halve voet dik was.’ Dit was voldoende voor het voetvolk. De voorbereidingen werden gecontinueerd en op 28 januari werd de aanval ingezet.
Een geheel andere tactiek zien we bij de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, een tactiek die vergeleken kan worden met die van Amerikaanse generaal Douglas MacArthur en admiraal Ernest J. King bij de slag in de Stille Oceaan tegen Japan in de Tweede Wereldoorlog. Nadat de Amerikanen in de zomer van 1943 de Japanse opmars tot staan hadden gebracht, werd de tegenaanval ingezet. De opmars verliep langs twee hoofdroutes. Aangezien de Amerikaanse mogelijkheden logistiek beperkt waren, werden niet alle eilanden tegelijkertijd aangevallen, maar werd van eiland naar eiland gesprongen (island hopping) en in bepaalde gevallen werden sterke bases eenvoudig overgeslagen (leap frogging). Was een eiland veroverd dan konden bijvoorbeeld de landingsvaartuigen en troepentransportschepen tegen andere doelen worden ingezet.
In Holland zien we een analoge handeling in de jaren 1351-1353. De Kabeljauwen, de 'vaderlandse partij’ onder leiding van Willem V, probeerden zeventien Hoekse burchten in handen te krijgen. Ze werden verdedigd door ontevreden edelen, die gesteund werden door autoriteiten in Beieren en Engeland. In eerste instantie eiste Willem zeven huizen in en rond Rotterdam op en deze werden meteen overgegeven. De tien andere moest hij zien te veroveren. Vijf lagen tussen Hoek van Holland en Leiden; drie tussen Haarlem en Medemblik en twee lagen zeer excentrisch, namelijk in Geertruidenberg en Vredeland. De laatste twee werden alleen ingesloten, niet aangevallen. De andere acht werden ook ingesloten, maar tevens aangevallen. Niet tegelijk: de blijden, torens en rammen waren demontabel, zodat na iedere aanval het zaakje op schepen werd geladen en naar de volgende burcht gevaren. Blijdestenen werden zelfs uit de grachten gevist en gerecycled! Willem sprong als het ware van burcht naar burcht en sloeg een sterke tijdelijk over.
KORTOM, WIE HET heden serieus neemt, moet het verleden op de koop toe nemen. In conflicten spelen immers naast tijdgebonden ook tijdloze factoren en daarom moeten zowel in de analyse van hedendaagse als historische gevallen beide worden belicht. Door dit filter zullen de wisselende schijngestalten van verandering en continuïteit als bij een zonsverduistering goed te zien zijn. Oude oorlogen beschrijven in de huidige strategische begrippen verdient dan ook sterke aanbeveling. Alleen militaire bromberen zullen zich daaraan storen.