Generaal Sisi

Het conflict in Egypte tussen het leger en de Moslimbroederschap nadert de volgende ronde. Dat zien we op de televisie. Tienduizenden, pro en contra, verzamelen zich op de pleinen. Soldaten openen het vuur en tientallen demonstranten worden doodgeschoten. Dan komen de beelden van hartverscheurend verdriet.

Lijken worden weggedragen. Zwaargewonden in de ziekenhuizen. Ook in Tunis is een vooraanstaand politicus vermoord. In Irak blijven soennieten en sjiieten elkaar opblazen en Syrië verdwijnt reddeloos verder in zijn burgeroorlog. Daarna komt het laatste nieuws over onze hittegolf, de ruzie over de nieuwe ‘schaatstempel’, een groot treinongeluk en een bus is in een ravijn gereden. Zo gaat het avond na avond. Valt daar iets uit af te leiden? Ja. Dat we aan de oorlogen in het Midden-Oosten gewend zijn geraakt. En dat onze politieke leiders, in Amerika en Europa, zich feitelijk bij de machteloosheid van het Westen hebben neergelegd.

In The New Yorker van vorige week staat een doorwrocht artikel van Peter Hessler, een onbetwijfelbare deskundige. Hij woont in Caïro, hij heeft verscheidene boeken over de problematiek van het Midden-Oosten geschreven. Toen ik zijn zesenhalve pagina’s grondig had gelezen, had ik weer iets geleerd over de carrière van de afgezette president Morsi, de rol van het leger in de recente omwenteling en de betekenis van de nieuwe oppositiegroep Tamarrod, die voornamelijk bestaat uit jongeren tussen de twintig en dertig. Tamarrod betekent rebellie. Sinds de organisatie een paar maanden geleden werd opgericht, is haar invloed razendsnel gegroeid. Allemaal interessante informatie, maar dan komt er een andere vraag. Wat is de praktische bruikbaarheid als je deelt in de verantwoordelijkheid voor het ontwerpen van de buitenlandse politiek voor het Midden-Oosten en Egypte in het bijzonder? Die vraag kwam bij Hessler niet aan de orde.

Misschien krijgt nu de onverschrokken legerleider generaal Sisi in Egypte de macht. Hij heeft een paar jaren van studie in Engeland en Amerika achter de rug. En hij staat als jongetje nog met zijn grote voorganger kolonel Gamal Abdel Nasser op de foto. Nasser heeft in 1956 het Suezkanaal genationaliseerd en zodoende in samenwerking met Engeland, Frankrijk en Israël een wereldcrisis veroorzaakt. Want laatstgenoemde landen waren tegen en begonnen een oorlog die bij gebrek aan Amerikaanse steun mislukte. Zouden we nu met een vergelijkbare ontwikkeling rekening moeten houden? De Midden-Oosten­deskundige van de NRC, Carolien Roelants, besluit haar verhelderende beschouwing als volgt: ‘De vraag is hoe snel de Egyptenaren weer op generaal Sisi zijn uitgekeken.’ Catharine Ashton, coördinator buitenlandse politiek van de Europese Unie, deze week op bezoek in Caïro, heeft met de afgezette dictator Morsi gesproken. We weten niet waarover. Ze dringt er ook op aan dat de confrontaties met de Moslimbroederschap zullen worden gestaakt. Misschien een goed idee. Maar wie luistert?

Ongeveer drie jaar geleden verkeerden we in de veronderstelling dat in het Midden-Oosten wezenlijke veranderingen op til waren. De Arabische lente was uitgebroken. De jonge generaties kwamen in opstand tegen de religieus gefundeerde dictaturen. Geïnspireerd, geleid, georganiseerd door de sociale media gingen ze de straat op. De sociale media waren het geheime wapen. In Tunesië, Libië en ten slotte ook in Egypte werden de dictators verjaagd. Eindelijk had de democratie wortel geschoten. Nieuwe tijden waren aangebroken.

Dit bleek een geweldige vergissing te zijn. Het vestigen van een democratie is iets anders dan de opstand tegen een dictatuur. Een goed functionerende democratie vergt betrouwbare instituties, partijen, een parlement, gerechtshoven, een min of meer geletterde publieke opinie. Dit ingewikkelde complex kan alleen goed blijven werken als het door de bevolking min of meer wordt vertrouwd. Een resultaat van honderd procent bestaat niet. Als een democratie goed werkt, wordt dat bewezen in de dagelijkse praktijk. Hoezeer de burgers het ook met elkaar oneens zijn, ze gaan niet met elkaar vechten, regeringsgebouwen in brand steken, en als ze demonstreren lopen ze niet het gevaar dat ze bij tientallen door het leger of de politie worden doorgeschoten.

Misschien bevindt een aantal landen in het Midden-Oosten zich nu in een overgangstijd, van een religieus gefundeerde dictatuur naar een wankele democratie. Maar tot dusver is geen land erin geslaagd die revolutie te voltooien. In Syrië woedt sinds twee jaar de burgeroorlog, met als resultaat nu omstreeks honderdduizend doden en een continue stroom van vluchtelingen die de buurlanden ontwricht. Syrië heeft (of had) een bevolking van ongeveer 21 miljoen. In Egypte wonen 83 miljoen mensen. Moeten we er rekening mee houden dat daar een soort Syrische toestand zal ontstaan? Wat dan? Ingrijpen doet het Westen niet meer. Dat heeft president George W. Bush ons afgeleerd. Een burger­oorlog in Egypte, dat is voor het Westen nu het zwartste scenario.