Generaal van de avantgarde

Guillaume Apollinaire leidde zijn avantgarde-troepen in de strijd tegen de behoudende kunstopvattingen. Modernisten bezielde hij tot het veroveren van de twintigste eeuw. Een deel van de buit is te bewonderen op de tentoonstelling ‘Apollinaire: Woordvoerder van de avantgarde - avantgardist van het woord’.

HIJ WORDT MET de helm op geboren: zijn vader heeft gediend in het koninklijk leger van de Bourbons. Maar onder druk van de familie verlaat de ex-officier zijn Poolse vrouw en daarom krijgt de kleine de achternaam van zijn moeder: Wilhelm Albert Wladimir Alexandre Apollinaire de Kostrowitzky. Mama reist met haar twee zoons door Italië en Frankrijk. Wilhelm de Kostrowitzky bezoekt verschillende scholen aan de Franse zuidkust, waar xenofobe klasgenootjes steevast zijn voornaam uitspreken als ‘vilain’. Zijn eerste gedichten tekent hij met Guillaume Macabre. Vanaf zijn zeventiende noemt hij zich Guillaume Apollinaire, een krachtig en Frans klinkende naam. Hij wil de twintigste eeuw binnenvallen als dichter en journalist.
Na vele omzwervingen, gelardeerd met de ongelukkige liefdes die zijn handelsmerk worden, arriveert Apollinaire in Parijs, hoofdkwartier van de Europese cultuur en strijdtoneel van schermutselingen tussen kunstketters en -verketteraars. Het gonst er van de vernieuwingen. Apollinaire duikt onmiddellijk in het kunstgewoel. Op zondagse wandeltochten rond het voorstadje waar hij bij zijn moeder en broer is ingetrokken, leert hij de schilders André Derain en Maurice de Vlaminck kennen. Als Friar Tuck en Little John werken ze in het struweel, wachtend tot ze tot de strijd met de Sheriff van Nottingham worden beroepen. Voor Apollinaire is vooralsnog geen rol van Robin Hood weggelegd: die is voor Henri Matisse, die zijn makkers voorgaat in de eerste slag om de moderne kunst. Op de roemruchte expositie in 1905 worden ze uitgemaakt voor fauves, natuurlijk meteen een geuzennaam voor de avantgardisten die de stormloop uitvoeren op de diep ingegraven instituties. De felle kleurexplosies van de fauves zenden schokgolven door de rangen van de bourgeoisie, die zich oprecht maar graag laat epateren.
TERWIJL DE VIJAND zijn wonden likt, harnast een volgend echelon jonge kunstenaars zich voor een tweede aanvalsgolf. Apollinaire ontmoet Pablo Picasso en sluit een levenslange vriendschap. In zijn eerste kunstkritieken woelt hij zich een weg door Picasso’s werk; een geheel nieuwe methode, die het traditionele Franse intellectualisme bij verrassing neemt. Bij Picasso’s kunsthandelaar leert hij de schilderes Marie Laurencin kennen, met wie hij vijf jaar het leven zal delen. Zij introduceert hem in nog meer verzetsgroeperingen en vanaf dat moment spuwt hij onweerstaanbaar zijn kritieken, anthologieën en voorwoorden in catalogi over de hoofden van vriend en vijand uit. Hij heeft zichzelf gepromoveerd tot generaal van de avantgarde, en laat zich graag en veel salueren. Eigenmachtig deelt hij zijn stoottroepen, de kubisten, in vier divisies in: de wetenschappelijke, de fysieke, de instinctieve en de orfische kubisten. De troepen zelf vinden het allemaal best en leven zich uit in allerhande portretten van de generaal. Picasso, Albert Marcoussis en Jean Metzinger maken kubistische portretten van hem; Amedeo Modigliani en Laurencin schilderen hem in een eigen variant van wat gemeenschappelijk de Ecole de Paris heet; Michail Larionov en wederom Picasso maken karikaturen; Henri Rousseau, Giorgio de Chirico, Marcel Duchamp en Marc Chagall creëren hommages aan Apollinaire als symbool van de 'moderne beweging’.
Apollinaire wentelt zich in zijn heroïsche rol en voert de reeds gangbare militaire metafoor op tot bevreemdende hoogte. Als Napoleon, maar zeker drie koppen groter, kwam hij uit het zuiden om de hoofdstad van zijn zelfgekozen vaderland stormenderhand in te nemen. Frankrijk is voor hem 'de verdedigster van het geheim van de beschaving’ en het analytische kubisme komt rechtstreeks voort uit de 'strenge intellectuele discipline’ die de Franse cultuur van oudsher kenmerkt. Zoals het modernisten betaamt, rekenen de kubisten streng af met elke traditionele suggestie van diepte. Geen 3-D-illusies meer. Tegelijkertijd voel je hoe de ronde, hoekige, grauwe en felgekleurde vormen door hun platte korst heen proberen te breken. Drie dimensies zijn hen niet genoeg, nee, niets minder dan de vierde dimensie, symbool van de oneindigheid, moeten pen en penseel zichtbaar maken. Vanaf de Renaissance is de driedimensionale meetkunde van Euclides de basis van het traditionele perspectief. In 1830 bedenkt de wiskundige Gauss een niet-euclidische meetkunde, die mogelijkheden biedt om multidimensionale ruimte uit te beelden, en ook de beweging in ruimte en tijd: de vierde dimensie.
Picasso, Braque, Metzinger en Gleizes verwerken de verschillende standpunten van de waarnemer, en daarmee beweging, in hun schilderijen. Het ongelukkige publiek ziet zich geconfronteerd met een veelvoud van over elkaar heen buitelende objecten en betrekkingen, die heen en weer pendelen tussen het vlak en de ruimte, en flexibel kijken verlangen. Metzinger schrijft in 1910 dat Picasso 'een vrij en beweeglijk perspectief heeft uitgevonden’.
Apollinaire formuleert de vierde dimensie als 'de oneindigheid van de ruimte die zichzelf vereeuwigt in alle richtingen op elk gegeven moment. Het is de ruimte zelf, de dimensie van de oneindigheid. De vierde dimensie geeft de dingen hun plasticiteit; het geeft het object zijn juiste proporties.’
Zelf draagt hij zijn steentje bij door de poëzie te 'bevrijden’ van leestekens en de typografie beeldend te maken: een gedicht over de Eiffeltoren krijgt de vorm van de Eiffeltoren ('Gegroet wereld waarvan ik de welsprekende tong ben…’). 'La petite auto’ heeft de vorm van een auto en in de bladspiegel van een tekst over Picasso geeft een aantal vreemd gevormde leemten de indruk van een stilleven. Met deze kalligrammen bevecht Apollinaire zich een plaats in de historische avantgarde, hoewel hij in de gedichten zelf niet de moderne wereld bezingt, maar aloude thema’s als de onbereikbare en verloren geliefde. IN 1911, ALS HIJ voor veel tijdschriften schrijft en landelijke bekendheid geniet, belandt Apollinaire in de gevangenis op verdenking iets uitstaande te hebben met de diefstal van de Mona Lisa uit het Louvre. Ondanks het absurde van de aantijging zegt de inderhaast opgetrommelde Picasso, wie Apollinaire als zijn beste vriend beschouwt, uit een onverklaarbare angst de dichter niet te kennen. De dichter komt na zes dagen met de schrik vrij en alles lijkt vergeven en vergeten, maar hij is ernstig aangeslagen en de vriendschap wordt nooit meer die van weleer.
Apollinaire wedt op moderner paarden. Na de breuk met Lauren cin reist hij met Francis Picabia naar Engeland en met Marcel Duchamp naar de Jura. Voor hij zijn nieuwe Parijse woning betrekt, logeert hij enige weken bij het echtpaar Delaunay. Eerder vond de rap oordelende dichter dat Robert Delaunays werk 'de betreurenswaardige indruk maakt van de herdenking van een aardbeving’. Bij nadere kennismaking slaat zijn scepsis om in juichende bewondering. Hij verzint zelfs de benaming 'orfisme’ voor Delaunays spetterend kleurige kubisme, dat voor hem ook moderner oogt dan dat van Picasso en Braque. In plaats van hun traditionele stillevens met viool of fles schildert Delaunay manifestaties van de moderne wereld als vliegtuigen, rugbyspelers en vooral en altijd de Eiffeltoren, 'mijn eigen fruitschaal’.
HET IS TIJD voor een volgende aanval. Apollinaire trekt zijn troe pen samen: onder de codenaam Section d'Or (Gulden Snede) trachten Marcel Duchamp, Juan Gris, Picabia, Herbin, Metzinger, Gleizes en Marcoussis tegenstellingen te overbruggen in een vlak-ornamentaal kubisme. Duchamp ontwikkelt een dynamisch kubisme: hij gebruikt niet-euclidische meetkunde om de tweedimensionale ruimte in het schilderij in overeenstemming te brengen met de schijn van een vierdimensionale voorstelling. In het schilderij Naakt dat de trap afdaalt zijn de verschillende bewegingsfasen als vierde dimensie in de voorstelling verwerkt: 'Elk gewoon, driedimensionaal object - inktpot, huis of ballon - is het perspectief dat wordt geprojecteerd door talloze vierdimensionale objecten op het driedimensionale vlak.’
Tegelijkertijd vindt een groepstentoonstelling plaats van Robert en Sonia Delaunay, Fernand Léger, Frantisek Kupka en Picabia, door Apollinaire getooid met de nom de guerre 'orfisme’, naar de Griekse dichter Orpheus. De Tsjech Kupka maakt als eerste kunstenaar gebruik van Albert Einsteins Spezielle Relativitätstheorie (1905), die de vierde dimensie van de ruimte als tijd definieert. Zijn 'symorphie’ ontwikkelt zich in de ruimte zoals een symfonie in de tijd. Hij probeert de ruimte op een niet-beschrijvende, 'roterende’ manier uit te beelden met behulp van de 'psychofysiologische’ werking van kleur: 'De voortbeweging in de derde dimensie vindt plaats in de ruimte, terwijl de voortbeweging in de vierde dimensie berust op de wisseling van atomen.’
ALS APOLLINAIRE zijn voorhoeden eenmaal tot de vernietiging van het bestaande en traditionele heeft aangezet, zoekt hij nieuwe wapens voor de strijd om het moderne. Een geslaagde poging de moraal te revolutionaliseren is het opwarmen van het lijk van Markies de Sade, diep begraven in het collectieve onbewuste. Apollinaire promoveert hem tot voorvechter van een bevrijde seksuele moraal, en plaveit zo de weg voor de surrealisten die in Sade de bevrijder van weggestopte verlangens zien. Al in 1917 munt hij het begrip 'sur-réalisme’, in een artikel getiteld 'Parade ou l'esprit nouveau’. Het controversiële ballet Parade, een nauwe samenwerking van Jean Cocteau, Picasso en Erik Satie, schaduwt een nieuw tijdperk van avantgarde-wapenfeiten vooraf.
Apollinaires militaire beeldspraak is dan al lang ingehaald door de werkelijkheid. In 1914 wordt hij verrast door het uitbreken van een echte oorlog. Hij wil zijn uitverkoren vaderland dienen en meldt zich als vrijwilliger. Vrijwel onmiddellijk na het verkrijgen van de felbegeerde Franse nationaliteit splijt een granaatscherf de helm van kanonnier Apollinaire. Als toppunt van ironie krijgt hij na een schedeloperatie een baantje bij de binnendienst, afdeling censuur. In Parijs treft hij een groep jonge aanhangers aan, verse rekruten van het modernisme: André Breton, Tristan Tzara, Cocteau, Philippe Soupault en Louis Aragon, de Parijse tak van Dada die zal uitgroeien tot de surrealistische beweging.
Nog eenmaal verheft de generaal zich om de strijd aan te voeren. Alsof hij zijn naderende Waterloo voorvoelt, ontplooit hij een tomeloze activiteit: een stroom artikelen, gedichten en voorwoorden vloeien uit zijn pen en in 1917 wordt zijn stuk Les mamelles de Tirésias opgevoerd met als ondertitel 'Surrealistisch drama’. Picasso ontwerpt het programmaboekje, tekent Apollinaire met verband om zijn hoofd, maakt illustraties bij dichtbundels en is getuige bij het huwelijk van de dichter in mei 1918. In november, de maand van de wapenstilstand, sterft Apollinaire aan de Spaanse griep.
DE ERFENIS VAN Guillaume Apollinaire is generaties lang gekoesterd. Zijn gedichten zijn door talloze moderne componisten op muziek gezet. Ook hedendaagse kunstenaars geven de dichter een prominente plaats in het pantheon van heldhaftige modernisten, zij het op een ironische manier, als een afgesloten hoofdstuk. Want de strijd is gestreden. De 'historische avantgarde’ is nu vooral museumkunst, verdroogde verf geworden legitimatie van het alzheimerende modernisme. Nu de alomgeldigheid daarvan algemeen wordt betwijfeld, dienen de ooit opschudding veroorzakende doeken van Picasso, Duchamp, Modigliani en Picabia nog als laatste bolwerken van de avantgarde, relieken van de heroïsche strijd van de aanstormende twintigste eeuw tegen academische instituties die niet van wijken leken te willen weten.
Goethe bespotte het newtoniaanse wereldbeeld door het te vergelijken met een ondanks alle aanvallen steeds uitgebreide en verstevigde vesting, waarvan de onaangetaste reputatie de mensen verhindert te zien dat hij allang leegstaat, 'slechts bewaakt door enkele invaliden, die zich heel serieus voor bewapend houden’. De krijgshaftige beeldspraak had van Apollinaire kunnen zijn, om de begin deze eeuw nauwelijks nog overeind staande academische opvattingen mee aan te duiden. Maar even zo makkelijk kan hij nu worden toegepast op het voortsukkelende modernisme, waarvan de bestaansredenen zijn weggevallen. En waarvan de heroïsche strijd tegen de traditie nog altijd wordt gefêteerd als begin- en ijkpunt van onze twintigste-eeuwse cultuur, terwijl de relieken tientallen miljoenen opbrengen op veilingen.
De avantgarde hoeft niet eens meer achterhoedegevechten te leveren. De helden van de revolutie zijn postuum met de hoogste onderscheidingen gedecoreerd.