Generatie nix (1)

Ik zou elke zin die is gewijd aan de zogenaamde ‘Generatie Nix’ (in De Groene van 23 februari) wel op het schavot willen leggen. Wat een treurnis. De heren Giphart en Van Erkelens gebruiken voor het portret van hun held Fitzpatrick bijzonder verfrissend taalgebruik, analoog aan de ‘spiegel vol barsten’ die de jongste schrijversgeneratie ‘zichzelf voorhoudt’. Ik hoop dat dit de laatste keer is geweest dat De Groene Amsterdammer aan een willekeurige schrijversbende de mogelijkheid biedt spreekbuis van een hele generatie te spelen.

Hoe kan het dat Zwagerman, Van Erkelens, Giphart, Moens, Duyns en Landvreugd representatief willen zijn voor een complete generatie? Hoe kan het dat zij steevast van ‘onze’ generatie willen spreken? Dit wordt zelfs lachwekkend wanneer Connie Palmen opeens in een heel andere generatie wordt geplaatst. Is 'generatie’ misschien alleen een stopwoordje? Wat pijnlijk ook dat de tegenstrijdigheden in de beweringen van de verschillende schrijvers geen enkele discussie opleverden.
Een blik over de muren van hun subcultuurtje heen zou veel goed doen. Er zijn ook jonge mensen met een meer heroische ziel, die weinig herkennen in de pedante zelfhaat van meneer Giphart, mensen die weerstand weten te bieden aan de listen en hinderlagen van de verleiding, of die in ieder geval de ruggegraat hebben om strijd te leveren.
Het onderschrift 'lichamelijke literatuur’, bedacht voor het tijdschrift dat de jonge schrijvers gaan oprichten, ligt vast. Dat belooft dus nog meer ellende.
Dit huwelijk met de tijdgeest zal snel meer weduwen maken. Wassenaar, BOB VAN ’T KLOOSTER
Generatie Nix (2)
Frank Verkuyl interviewde mij ten behoeve van een artikel over mogelijke overeenkomsten tussen een aantal jonge schrijvers (in De Groene van 23 februari). Tot mijn verwondering werd zijn artikel gepresenteerd als een lancering van (alweer een) nieuwe generatie in de Nederlandse literatuur. Xandra Schutte beweert zelfs dat deze 'nieuwe Nederlandse literaire generatie, grofweg geboren tussen 1960 en 1970, zich andermaal bundelt’.
Mij is geen 'bundeling’ bekend. Sinds mijn debuut in 1986 heb ik al drie 'generaties’ jonge schrijvers voorbij zien trekken. Ik heb daar inmiddels zo mijn gedachten over. Ik 'bundel’ mij met niemand meer en ben ook niet van plan dit te doen. Ik zie enkele raakvlakken met sommige schrijvers, dat is alles.
Gelukkig plaatst Xandra Schutte een voorbehoud bij de lancering van die zogenaamde Generatie Nix (gruwelijke naam, overigens): 'De zucht tot categorisering heeft geleid tot een ware overbevolking van “generaties” onder schrijvers, schilders, acteurs, politici, bijstandsgerechtigden, feministen, koopkrachtigen, en welke andere groep ook.’
Hier stem ik graag mee in. Dat is ook niet zo vreemd. Ik heb het namelijk zelf geschreven, in een artikel over de roman Generation X van Douglas Coupland in Vrij Nederland van 14 november 1992: 'De zucht tot categorisering heeft geleid tot een complete overbevolking van “generaties” onder kunstenaars, schilders, inkomensgroepen, fotomodellen, kinderlozen, politici, couturiers en wie al niet.’ 'Complete’ werd 'ware’ en ook Schutte’s keuze van groepen en beroepen verschilt; voor het overige hadden aanhalingstekens en een kleine verwijzing niet misstaan. Amsterdam, JOOST ZWAGERMAN
Mannen Het interview dat Bam-bi Delver met mij hield (in De Groene van 16 februari) over mijn fotografisch werk, heeft mij verbaasd. Een vertaling van het artikel maakte mij duidelijk dat bijna de helft ervan ging over mijn werk als 'wraak’ op mannen. Veel vragen die de journalist mij stelde, getuigden van het vooringenomen idee dat dat de motivatie achter mijn werk zou zijn, maar ik heb duidelijk aangegeven dat dit slechts een heel, heel klein deel uitmaakt van mijn redenen om seksuele beelden van het mannelijk lichaam te maken. We hebben gepraat over die vele andere belangrijke aspecten, maar een en ander is kennelijk weggelaten om meneer Delvers eigen theoriee"n overeind te houden.
De grootste motivatie achter mijn werk is dat ik als heteroseksuele vrouw weinig toegang heb tot seksuele afbeeldingen van mannen, het object van mijn verlangen. Zo'n vijf jaar geleden begon ik te experimenteren met het idee eigen beelden te maken omdat er zo weinig voorhanden waren. Door als vrouw mijn camera op een mannelijk model te richten, draaide ik het gangbare patroon in onze maatschappij om. 'Mannen handelen en vrouwen verschijnen. Mannen kijken naar vrouwen. Vrouwen kijken naar zichzelf terwijl ze bekeken worden.’ (John Berger, Ways Of Seeing, 1988).
Hoewel ik veel van mijn werk vooral als sexy zou omschrijven, is een deel ervan ook tamelijk humoristisch. Daaronder vallen ook Crab en Octopussy, die bij het interview waren afgebeeld. Ik hoop dat mijn werk bij andere vrouwen overkomt, maar door onze geconditioneerdheid vinden veel vrouwen het nog altijd confronterend om te kijken naar een foto van een naakte man. Humor is een van de manieren om zulke blokkades af te breken en vrouwen aan te zetten tot genieten.
De mannelijke toeschouwer krijgt dan misschien een plaats als luistervink bij een dialoog tussen vrouwen. Ik begrijp dat mannelijke toeschouwers zich kwetsbaar en onbehaaglijk gaan voelen bij sommige van mijn beelden, maar ik denk niet dat dat slecht is. Als mannen hun kwetsbaarheid en gevoeligheid als wenselijke kwaliteiten zouden accepteren, zou dit misschien leiden tot een bredere (en voor vrouwen aantrekkelijker?) definitie van mannelijkheid dan de traditionele macho-houding waartoe mannen nu worden geconditioneerd.
Ik vind het nogal onthullend en een goed voorbeeld van de fragiliteit van de mannelijkheid dat een paar strategisch opgestelde natte vissen en een plastic dildo kunnen worden geinterpreteerd als 'wraak’ en zo'n beperkte blik op mijn foto’s kunnen voortbrengen. Londen, ROSIE GUNN
Nabokov
Peter Zeeman zegt in zijn artikel over Vladimir Nabokov (in De Groene van 2 maart) dat diens ijzersterke geheugen een belangrijke drijfveer was om te schrijven. Als bewijs noemt hij Speak, Memory - een autobiografie waarin de schrijver echter regelmatig toegeeft gecorrigeerd te zijn, een boek dat bewijst dat het leven te complex is om herinnerd te worden.
Ook noemt Zeeman Lolita, omdat de hoofdpersoon daarin over een jeugdherinnering spreekt. Ik denk dat dit onjuist is. In Lolita neemt Nabokov Freuds drifttheorie op de hak: Humbert Humbert (niet voor niets een naam die klinkt als een vermaning met geheven vinger) wordt gedreven door driften, gevoed door een jeugdherinnering van haast traumatische proporties. Het betreffende meisje dat behalve in Speak, Memory ook voorkomt in het verhaal 'Eerste liefde’, wordt gebruikt als beeld, maar is dus geen aanleiding!
Als emigre is Nabokov een verwonderde en met afstand kijkende bewoner van onder andere Amerika geweest, die als ex-Rus ieder woord wikte en woog. Als vlinderliefhebber heeft hij een groots gevoel voor tere details en schoonheid ontwikkeld. Derhalve beschikte hij al over alle eigenschappen die hem tot een groot schrijver maakten.
Lolita werd onder andere in Frankrijk een schandaal omdat men niet begreep dat Nabokov slechts zijn stijl leende aan de woordvoerder van de autonomistische roman. Dit alles toont ons dat het samensmelten van stijl, vorm, thematiek, fantasie, werkelijkheid, van alle tegendelen waarbinnen Nabokov nooit partij kiest, de ongrijpbaarheid van de perfectie dicht benadert. Dat is zijn grote verdienste; in de ontwikkeling in de literatuurgeschiedenis draagt hij bij door 'bewust te dromen’. Degenen die daarover willen oordelen, dienen op dezelfde hoogte te staan, ontstegen aan de ons omringende werkelijkheid. Arnhem, HANS MIRCK
Schaefer In De Groene van 2 maart laat Rene Zwaap Eberhard van der Laan zeggen dat ik hem in een discussie over het zogenaamde politieke testament van Jan Schaefer gelijk gaf. Zwaap had mij even kunnen bellen om te checken of dat waar was. Ik heb gezegd dat ik wil aannemen dat de bedenkers te goeder trouw waren en het zogenaamde testament niet stigmatiserend is bedoeld. Maar ik houd staande dat deze flinterdunne ideetjes niets voorstellen.
Ook na herlezing (zoals ik Eberhard beloofde) stel ik vast dat dit zogenaamde testament niets is dan gebakken lucht. Op elke pagina staat wel iets wat onderuit te halen is. Onverlet blijft eveneens dat betaalde en onderbetaalde arbeid in het stuk als enige norm wordt opgevoerd, en dat toch een correlatie wordt verondersteld tussen werkloosheid en onveiligheid.
Een echte verkiezingsoverwinning leverde het trouwens niet op. De PvdA bleef in Amsterdam percentueel vrijwel gelijk, maar won zetels dank zij de kieswet, die de partij aan drie restzetels hielp.
Dat politieke programma presenteer ik niet meer. Ik ben er uitgegooid omdat mijn kritische objectiviteit in het stadhuis niet langer werd getolereerd. Ernst Bakker en de PvdA kunnen weer rustig slapen. Amsterdam, LEO JACOBS
Mondriaan Het is verbazingwekkend dat zoveel schrijvers en dichters een blinde vlek hebben voor beeldende kunst. De enige traditie op kunstgebied met een rij geniee"n waar iedere grote natie trots op zou zijn, wordt constant geweld aangedaan door schouwers met een literair oog. Zij kijken naar Rembrandt en zien Anton Pieck!
In de beeldende kunst is niet het plaatje van belang maar de verbeelding. Zou men het niet lachwekkend vinden de frisse en levensechte romans van Willy Corsari te verkiezen boven het gezemel van Multatuli? Maar soortgelijk gelul van onze geletterde vrienden is intussen een doodnormale zaak.
Zelfs al zou men Huub Beurskens’ essay (in De Groene van 9 maart) grappig of provocerend opvatten, dan nog is het een schandelijke belediging om Mondriaans genie zo platvloers af te doen. Ik kan me niet voorstellen dat schilder Jacques Erven, in hetzelfde artikel boven Mondriaan verkozen en bejubeld, zich door Beurskens’ kletspraat gevleid zal voelen. Amsterdam, JAN DIBBETS