Sociale scheidslijnen in Nederland

Generatie ongelijk

De jeugd van nu bevindt zich op een historisch kantelpunt. Na een halve eeuw meritocratie is de kloof tussen hoogopgeleid en laagopgeleid weer aan het groeien.

Medium mvdgjongeren2526

In 2003, ter gelegenheid van zijn afscheid als docent Frans aan het Marnix College in Ede, schreef Jan Siebelink in Trouw over zijn ervaringen van drie decennia in het middelbaar onderwijs. Hij begon met zijn eigen schooltijd. Als elfjarige zat hij in de banken toen het schoolhoofd binnenkwam om de klas te herschikken. Kinderen van rijke ouders werden bij het raam gezet, een uitzicht dat gepaard ging met de toezegging dat ze door mochten naar het middelbaar onderwijs. De rest wachtte ulo (uitgebreid lager onderwijs) of de ambachtschool.

‘Dat was in 1950’, schreef Siebelink, die zich door opleidingen te stapelen opwerkte tot leraar. Toen hij in 1970 aantrad in het onderwijs was dankzij de Mammoetwet van 1968 de ‘oude orde’ (in het geval van Siebelink aangevoerd door een rector die was gepromoveerd op Plotinus) aan het verdwijnen ten gunste van ‘het havo-experiment’. Het klassieke gymnasium en hbs waren vervangen door een democratischer vwo.

Bijna een halve eeuw later lijkt de segregatie terug in het onderwijs. De raamrij mag dan verdwenen zijn, apart onderwijs voor kinderen uit hoog- en kinderen uit laaggeschoolde milieus doemt weer op. Op een kwart van de middelbare scholen in Amsterdam zitten vrijwel uitsluitend kinderen van hoogopgeleide ouders, zo bleek uit onderzoek van de gemeente. Vier op de tien scholen hebben meer dan tachtig procent leerlingen uit laagopgeleide gezinnen. Die twee werelden zijn vooral zichtbaar van half negen tot drie, als de leerlingen in de klas zitten. Buurten zijn gemengder dan scholen, maar iedere ochtend komt een verkeersstroom op gang van leerlingen die buiten hun eigen wijk naar school gaan. Laagopgeleide ouders kiezen eerder voor een school dicht bij huis. Het gevolg: veel Amsterdamse kinderen komen zelden een leeftijdsgenoot tegen met een andere achtergrond.

Onlangs sloeg ook de Onderwijsinspectie alarm. De staat van het onderwijs, het jaarlijkse rapport van de inspectie, laat het Nederlandse onderwijs zien als een plek waar kinderen uit gezinnen met laagopgeleide ouders consequent in het nadeel zijn. Ze zitten op slechtere scholen, met minder bevoegde docenten, hoger ziekteverzuim en groter verloop van personeel. In de eerste drie jaren van de middelbare school doen leerlingen uit laagopgeleide gezinnen vaker een stapje terug naar een lager onderwijsniveau en ze slagen er minder vaak in om het hbo of de universiteit te bereiken en af te ronden. Van de kinderen met hoogopgeleide ouders rondt 55 procent uiteindelijk het hoger onderwijs af, bij jeugd uit laagopgeleide gezinnen is dat 26 procent.

Al met al eindigen kinderen van laagopgeleide ouders stelselmatig lager op de onderwijsladder dan kinderen uit een hooggeschoold nest. En al die verschillen, constateerde de Onderwijsinspectie, zijn in de afgelopen jaren toegenomen – een knauw voor iedereen die volhoudt dat in Nederland talent bepaalt met welk diploma een kind aan zijn volwassen leven begint. Wellicht is het tijd om het zelfbeeld van een open, meritocratische samenleving bij te stellen.

Het ligt, uiteraard, niet aan de kinderen. In De staat van het onderwijs 2016 vergeleek de Onderwijsinspectie leerlingen met hetzelfde IQ, en vond toch deze grote verschillen. Ondanks gelijke intelligentie valt het middelbareschooladvies van docenten gemiddeld lager uit voor kinderen uit laagopgeleide gezinnen dan voor hun leeftijdsgenootjes met meer gediplomeerde ouders. In sommige gevallen geeft de Cito-toets aanleiding om dat advies bij te stellen, naar boven, of naar beneden. Ook hier tekent de ongelijkheid zich af: kinderen met hoogopgeleid voorgeslacht krijgen vaker een advies dat hoger ligt dan hun toetsscore. Bij kinderen uit laagopgeleide gezinnen is dat juist andersom. Zo kan het gebeuren dat van doorsnee kinderen met hoogopgeleide ouders de helft begint op de havo of het vwo. In het geval van laagopgeleide ouders is dat een kwart, hoewel de kinderen even intelligent zijn. ‘Zelfde talenten, verschillende uitkomsten’, zo vatte de Onderwijsinspectie het onderwijs anno 2016 samen.

En binnen de grote ongelijkheid tussen hoog- en laagopgeleid zijn weer kleinere ongelijkheden te bespeuren. Niet alleen het ouderlijk nest is sterk bepalend voor de toekomst van kinderen, ook waar dat nest staat speelt een rol. Zestig procent van de leerlingen uit zogeheten ‘armoede-probleem-cumulatie-gebieden’ (de Schilderswijk in Den Haag, bijvoorbeeld, of Bos en Lommer in Amsterdam) stroomt uiteindelijk door naar het hoger onderwijs, ten opzichte van bijna zeventig procent in meer kansrijke gebieden. Met name tweede-generatie niet-westerse kinderen blijven op dit punt achter. En ook dit verschil is sinds 2008, het jaar waarmee de Onderwijsinspectie het huidige cohort leerlingen vergelijkt, toegenomen.

Hoe dan ook benadeelt kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs allochtone kinderen disproportioneel. Van studenten met een niet-westerse achtergrond op universiteiten en hbo’s studeert zestien procent minder af ten opzichte van studenten met ouders die in Nederland geboren zijn. In vergelijking met andere landen krijgen kinderen hier al vroeg te horen op welk niveau ze mogen doorleren. Dit betekent dat de invloed van thuis zwaarder weegt, omdat er op school minder tijd is om achterstand te compenseren. Opnieuw iets waar vooral migrantenkinderen en kinderen van laagopgeleide ouders het nadeel van ondervinden.

Nederland sluit hiermee aan bij een debat dat in de Verenigde Staten al langer woedt. Vorig jaar verscheen het boek Our Kids, waarin Robert Putnam laat zien dat de Amerikaanse droom van een gelijke start in het leven, ongeacht sociale achtergrond, in scherven ligt. Er bestaan in feite twee Amerika’s, zo toont Putnam, hoogleraar aan Harvard en bedenker van de term ‘sociaal kapitaal’, aan. In het ene Amerika groeien kinderen op in een veilige omgeving van stabiele gezinnen, scholen met goede docenten en een stimulerend verenigingsleven. In het andere Amerika leeft de jeugd in het fotonegatief daarvan: afwezige ouders, gebrekkige scholen en vrije tijd die vooral zelf moet worden ingevuld.

Medium mvdgjongerenschoolfeestmla9109

De twee Amerika’s die Putnam laat zien, leven volstrekt gescheiden. Zowel letterlijk (aan weerskanten van het spoor zoals in zijn geboorteplaats Port Clinton) als figuurlijk. Welk thema Putnam ook aansnijdt, of het nu gaat om armoede, gezondheid of de frequentie waarmee er thuis wordt voorgelezen, de grens tussen minderjarige haves en have nots valt precies samen met het opleidingsniveau van ouders. Hoogopgeleiden brengen nageslacht voort dat wordt zoals zij. Laagopgeleiden wonen elders, en de kans dat hun kinderen later in het leven aan de andere kant van het spoor terechtkomen is in de afgelopen decennia flink afgenomen. De American dream is, in de woorden van Putnam, in werkelijkheid een split-screen American nightmare.

Het voert te ver om een Hollandse nachtmerrie te suggereren, maar een zoete droom is dit land evenmin. Ook hier leven hoog- en laagopgeleid in gescheiden werelden, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs constateerde in het rapport met die titel. In Opleiding als sociale scheidslijn, een onderzoek van de Nijmeegse sociologen Marloes de Lange, Jochem Tolsma en Maarten Wolbers, wordt dat beeld nog eens bevestigd. Deze onderzoekers constateren een ‘aanzienlijke kloof’ als het gaat om gezondheid, kansen op de arbeidsmarkt en de mate waarin ze aan vrijwilligerswerk doen. Dit onderzoek eindigt met een optimistische voetnoot. De opleidingskloof, zo constateren de onderzoekers, is niet per se groter geworden: ‘Opleiding is niet zomaar als nieuwe sociale scheidslijn in de Nederlandse samenleving te bestempelen.’

Onderzoek na onderzoek laat zien: Nederland is een gelijke samenleving, met ongelijke kansen

Dat is geruststellend, maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord hoe het staat met de kansen van our kids in Nederland. Die staan in zekere zin los van sociale en economische verschillen tussen volwassenen. Om dat te begrijpen helpt het om de hotelmetafoor van Joseph Schumpeter erbij te halen. Deze econoom vergeleek ongelijkheid ooit met een hotel van meerdere verdiepingen. Op de bovenste verdiepingen zijn de kamers licht en ruim, daar verblijven niet zo veel mensen. Op de eerste etages zijn de kamers krap en dichtbevolkt. Stel nu dat de gasten iedere avond van kamer mochten wisselen. Dat, volgens Schumpeter, is sociale mobiliteit. Arm en rijk bestaat, zonder twijfel, maar niemand leeft met het vooruitzicht altijd op dezelfde verdieping te moeten verblijven.

Nu kan iedere samenleving bepalen hoeveel grote kamers het maatschappelijk hotel telt, en hoe groot het verschil in luxe is tussen het penthouse en de begane grond. Of mensen een eerlijke kans hebben om in de luxesuite te verblijven, is echter een andere discussie. Kleine verschillen in welvaart kunnen prima bestaan naast beperkte kansen om je achtergrond te ontstijgen. Amerika is een type samenleving met weinig luxekamers en weinig mobiliteit, zo toont Putnam aan. In Nederland lijken de kamers meer op elkaar, maar ook hier hoeven kinderen zich niet al te veel illusies te maken dat ze mogen verhuizen. Onderzoek na onderzoek heeft de afgelopen jaren laten zien wat de Onderwijsinspectie onlangs nog eens bevestigde: Nederland is een gelijke samenleving, met ongelijke kansen.

Zo publiceerde de oeso, het samenwerkingsverband van voornamelijk rijke landen, in 2010 de studie A Family Affair: Intergenerational Social Mobility across OECD Countries. Daarin kwam Nederland uit de bus als een behoorlijk starre samenleving, waar het inkomen van je vader in sterke mate voorspelt hoe hoog je eigen salaris zal worden. België, Luxemburg, Ierland, Zweden, Finland, Frankrijk, Griekenland en Denemarken scoorden in 2010 allemaal beter op dit punt. Ergo: als het gaat om de kans om je eigen milieu te ontstijgen, althans wat betreft inkomen, is Nederland een middenmoter.

De onderzoekers van de oeso keken in 2010 ook naar onderwijs. Schoolprestaties van leerlingen werden vergeleken met het opleidingsniveau van de ouders, precies zoals de Onderwijsinspectie onlangs deed. Wat bleek? Van alle oeso-landen was alleen in Duitsland het verband sterker dan in Nederland. Samen met onze oosterburen zijn wij het land waarin niet je eigen talent maar het diploma van je ouders de beste voorspeller is voor waar je zelf eindigt. ‘De sociaal-economische achtergrond van de school is een zeer belangrijk kanaal waarlangs ouders hun gunstige positie overdragen aan hun kinderen’, zo legt de oeso dat uit.

Het opvallende is: we denken dat Nederland een open samenleving is, waar iedereen die voor een dubbeltje geboren wordt weinig in de weg staat om een kwartje te worden. Nederland scoort hoog op de ‘perceived social mobility index’. Maar het is de vraag of dat gevoel overeenkomt met de werkelijkheid.

‘De invloed van het ouderlijk milieu op de schoolkeuze na de basisschool is weliswaar afgenomen, maar is nog altijd substantieel’, constateerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in Nieuwe ronde, nieuwe kansen, een rapport uit 2011.

Het lijkt verwarrend. Als de invloed van het ouderlijk milieu is afgenomen, zoals de rmo vijf jaar geleden nog constateerde, waarom dan nu ineens de bezorgdheid over kansenongelijkheid? De verklaring zit in een vertragingseffect dat optreedt bij veel wetenschappelijk onderzoek. De afgelopen driekwart eeuw was inderdaad een periode van verruimde mogelijkheden om als kind hoger op de onderwijsladder te eindigen dan je ouders. Om dat te illustreren volstaat een simpel cijfer. In 1960 telde Nederland 85.000 hoger opgeleiden, in 2011 waren dat er meer dan drie miljoen, bijna een derde van de beroepsbevolking.

Die cijfers weerspiegelen de twintigste-eeuwse verzorgingsstaat waarin kinderen uit arbeidersgezinnen massaal hun weg vonden naar hogere sociaal-economische echelons. Dat beeld wordt nog eens bekrachtigd door de vele terugblikken op dit tijdperk. Dit zijn de herinneringen van Mark Bovens, geboren in 1957, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en bedenker van de term ‘diplomademocratie’. Als kleuter speelde de katholieke Bovens, die opgroeide in een portiekflat in Rijswijk, met gereformeerde en openbare buurtkinderen in een gemeenschappelijke tuin. ‘Dat veranderde toen we naar de lagere school gingen. De gereformeerde buurjongen ging naar de protestants-christelijke school, het bovenbuurmeisje naar de openbare school en ik naar de Pius XII-school.’

Bovens’ schooljaren werden getekend door segregatie langs religieuze lijnen, maar het onderwijs van die jaren bood hem een kans om vanuit de Rijswijkse portiekflat een academische leerstoel bestuurskunde te bereiken. Hij tekende zijn herinneringen op in het artikel Opleiding als nieuwe sociale scheidslijn? waarin hij laat zien dat hoogopgeleiden zoals hijzelf dankzij de onderwijsrevolutie een ‘duidelijk herkenbare eigen sociale groep’ zijn geworden die een ‘vrijwel volstrekte dominantie’ heeft in de politieke arena’s van Nederland. Voor de lager opgeleiden is niet veel veranderd, die doen wat ze altijd al deden en vinden wat ze altijd al vonden, schrijft Bovens. Het zijn de hoogopgeleiden die numeriek zijn gegroeid en nu hun stempel op de samenleving drukken.

Een laatste voorbeeld. In haar politieke memoires beschrijft voormalig GroenLinks-fractievoorzitter Femke Halsema, geboren in 1966, het milieu in Enschede waarin ze opgroeide. ‘Uylianen’, zo omschrijft zij haar ouders, ‘gegrepen door de opvatting dat kennis, macht en inkomen beter kunnen worden gespreid’, zoals pvda-voorman Den Uyl verkondigde. Het gezin Halsema profiteert van de welvaartsgroei in de jaren zeventig, koopt een groter huis en gaat op vakantie naar het buitenland. Haar vader maakt carrière, van gymleraar tot hoge gemeenteambtenaar. Toch stelt hij zich op het principe dat ‘er van elite-onderwijs voor zijn al bevoorrechte kinderen geen sprake kan zijn’, aldus Halsema in Pluche. Als ze via omwegen en na het bijna verprutsen van de havo uiteindelijk op de universiteit belandt is haar ouderlijke toelage ‘geen cent hoger dan die van een beursstudent’.

Dit soort levenspaden, omhoog in een egalitaire samenleving, zie je terug in de onderzoeken naar sociale mobiliteit. ‘Nederland is in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meritocratischer geworden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt’, schrijft hoogleraar sociologie Herman van de Werfhorst in Een kloof van alle tijden: Verschillen tussen hoger en lager opgeleiden in werk, cultuur en politiek. ‘Sociale afkomst doet er steeds minder toe voor de schoolprestaties van kinderen.’ Maar dat voorgaande generaties massaal de onderwijskloof zijn overgestoken, betekent niet dat die trend ook doorzet. De gegevens waarover onderzoeken als van Van de Werfhorst beschikken, lopen ongeveer tot en met de jaren tachtig. De levens van Siebelink, Bovens en Halsema vallen er binnen. Wat er daarna is gebeurd, onttrekt zich aan het zicht. Het Nederlandse zelfbeeld van een samenleving met een eerlijke kans voor ieder kind is vooral gebaseerd op resultaten uit het verleden.

Dit is precies de reden dat Our Kids van Robert Putnam grote indruk maakte, zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten. Putnam is van mening dat wie sociale mobiliteit onderzoekt zich gedraagt als ‘een astronoom die naar de sterren kijkt’: je ziet wat jaren geleden is gebeurd. Het is een belangrijke reden waarom de ongelijkheid ongemerkt kon groeien in de afgelopen jaren. De radar van het wetenschappelijk onderzoek pikte het signaal niet op. Door zijn blik te richten op kinderen toont hij de samenleving van nu, en niet van het verleden.

Het ziet ernaar uit dat de jaren zeventig het sluitstuk waren van de meritocratisering in het Nederlandse onderwijs

Het rapport van de Onderwijsinspectie doet hetzelfde. De generatie die nu opgroeit, is, in tegenstelling tot de kinderen van de twintigste-eeuwse verzorgingsstaat, een nieuwe generatie ongelijk. ‘Het is heel goed mogelijk dat we nu precies op het kantelpunt zitten’, zei Herman van de Werfhorst toen ik hem vroeg om een reactie op de bevindingen van de Onderwijsinspectie. ‘Je kunt niet langer volhouden dat Nederland een gelijke kans biedt aan kinderen uit gezinnen van verschillend opleidingsniveau.’

‘Veel kinderen met laagopgeleide ouders krijgen niet het onderwijs dat ze aan zouden kunnen en daardoor blijft talent onderbenut’, concludeert de Onderwijsinspectie in haar rapport. Ook daarin klinkt een echo door uit de jaren zestig. Toen waren er zorgen over de ongelijke kansen voor kinderen uit verschillende sociale klassen. In 1968 verscheen Het verborgen talent, een onderzoek van de Leidse socioloog Frederik van Heek naar stijging en daling op de maatschappelijke ladder. Van Heek maakte zich zorgen dat kinderen ‘afkomstig uit het milieu der vrije beroepen en hogere employés’ gemakkelijker op het hoger onderwijs terechtkwamen terwijl slimme arbeiderskinderen die kans niet kregen.

Van Heek kwam tot de slotsom dat het meeviel. Er zat over het algemeen weinig verschil tussen de beoordeling door docenten en het niveau waarop kinderen na de basisschool terechtkwamen. Maar Van Heek hield er geen rekening mee dat het oordeel dat docenten gaven óók beïnvloed werd door het opleidingsniveau van de ouders. Tot dat inzicht kwam Jos van Kemenade, de onderwijssocioloog die van 1973 tot 1977 minister van Onderwijs was in het kabinet-Den Uyl. Bij gelijke bekwaamheid kregen kinderen uit hogere milieus vaak een beter schooladvies. De wrange conclusie: bijna een halve eeuw later is er wat dat betreft niet veel veranderd. Docenten ‘hebben vaak (onbewust) hogere verwachtingen van leerlingen met hoger opgeleide ouders en lagere van leerlingen met lager opgeleide ouders’, schreef de Onderwijsinspectie in De staat van het onderwijs. Dit is een deel van de verklaring waarom kansenongelijkheid onder kinderen groter is dan vaak wordt gedacht.

Het ziet ernaar uit dat de jaren zeventig het sluitstuk waren van de meritocratisering in het Nederlandse onderwijs die aan begin van de twintigste eeuw begon. Tijdens het ministerschap van Van Kemenade werd het model van basisonderwijs voor alle kinderen tot twaalf jaar in de grondverf gezet. Toen werd geëxperimenteerd door leerlingen pas na een paar jaar middelbare school te verdelen over verschillende niveaus. Daarna volgde een tijdperk waarin excellentie, maatwerk en een algemene verindividualisering van het opvoeden en onderwijzen de overhand kregen. Our kids werden my kids – iedere ouder bezig met het eigen ‘project kind’.

De ironie is dat juist het deel van de bevolking dat heeft kunnen profiteren van de open samenleving nu verantwoordelijk lijkt te zijn voor het sluiten ervan. Het gedrag van hoogopgeleide ouders is een belangrijke oorzaak van de groeiende kloof tussen de kinderen in Nederland. Het onderwijssysteem zelf houdt leerlingen tijdens de basisschoolperiode min of meer bij elkaar, daarna begint de grote verwijdering als gevolg van, zoals de Onderwijsinspectie het uitdrukt, ‘hoogopgeleide ouders die meer betrokken zijn geraakt bij de schoolloopbaan van kun kinderen’. Die ‘betrokkenheid’ uit zich in praten met de onderwijzer, om het schooladvies van kun kinderen op te krikken, uitzoeken waar de betere middelbare scholen zijn, ook al liggen die ver weg (‘een bewustere schoolkeuze’, aldus de Onderwijsinspectie). Hoogopgeleide ouders laten hun kind vaker keuren, om te kijken of er medische verklaringen zijn voor tegenvallende leerprestaties. Naar het schaduwonderwijs van toetstrainingen en klasjes voor huiswerkbegeleiding gaan vooral kinderen van hoogopgeleiden.

Betrokken ouders die op zoek zijn naar manieren om het eigen nageslacht onder zo gunstig mogelijke omstandigheden door de schooljaren heen te loodsen, worden op allerlei manieren bediend met een onderwijsaanbod dat steeds meer op hun wensen is toegesneden. Homogene brugklassen, waar leerlingen van alle niveaus bij elkaar zitten, verdwijnen ten gunste van een eerste middelbareschooljaar onder gelijk geëtiketteerden. In 2008 zat nog bijna tachtig procent van de Nederlandse brugklassers in een gemengde klas. Inmiddels is dat ongeveer zestig procent. Ook in de pauzes zien steeds minder leerlingen hun leeftijdsgenoten van een ander opleidingsniveau. Het aantal gemengde scholen in Nederland neemt af, ten gunste van categoraal onderwijs. Opnieuw zijn de kinderen van laagopgeleiden hiervan de dupe. Onderzoeken laten zien dat vooral leerlingen op lagere niveaus profiteren van gemengd onderwijs.

Dat de weg omhoog steeds steiler wordt is duidelijk te zien. Het afgelopen jaar daalde zowel de doorstroom van de havo naar het vwo, als van de vmbo naar de havo. Ook na de middelbare school tekent dit patroon zich af. De doorstroom van mbo naar hbo daalde van 47 procent van de leerlingen naar veertig procent. Ook het aantal hbo’ers dat overstapte naar de universiteit werd minder. Gaandeweg opklimmen, waar voorgaande generaties zo veel profijt van hadden, blijkt steeds lastiger te gaan. Haags beleid draagt daar actief aan bij. Deze week werd bekend dat het afschaffen van de basisbeurs de instroom op het hbo en de universiteit heeft doen afnemen, vooral uit laagopgeleide gezinnen.

Wat zich nu aftekent in Nederland is de keerzijde van de meritocratie, zoals die in 1958 al werd voorzien door Michael Young in zijn boek The Rise of Meritocracy. Grootschalige meritocratie is een truc die je eigenlijk maar één keer kunt uithalen, wist Young. Wie heeft kunnen stijgen in een open samenleving kan daarna al zijn nieuw verworven kapitaal, zowel sociaal als financieel, inzetten om het eigen kroost een voorsprong te geven. Het is de puur menselijke neiging om de eigen kinderen op de eerste plaats te zetten, met als gevolg dat de ongelijkheid groeit. Wat dat betreft geldt voor ongelijkheid in het onderwijs hetzelfde als voor economische ongelijkheid: als je haar niet actief bestrijdt, wordt ze vanzelf groter.


17… en dan

In dit artikel zijn foto’s afgedrukt uit Ik ben 17, een fotoboek van documentairefotograaf Martijn van de Griendt over Amsterdamse jongeren. Behalve foto’s bevat het ook dagboekteksten en tekeningen. Het project is een vervolg op Forever Young (2014), waarvoor Van de Griendt jongeren uit alle werelddelen fotografeerde.

Het boek wordt op 26 mei gepresenteerd tijdens een tentoonstelling in de Melkweg Expo in Amsterdam. Zie ook martijnvandegriendt.nl.


Beeld 1: Martijn van de Griendt, uit Ik ben 17, vlnr Sophia (17), Piet (14) en Julia (14)

Beeld 2: Martijn van de Griendt, uit Ik ben 17, buiten de Melkweg, schoolfeest van het Montessori Lyceum Amsterdam