Verloren generatie Jongeren zijn massaal werkloos

Generatie Overbodig

Door heel Europa gaan jongeren de straat op. Ze hebben het gevoel dat de toekomst uit hun handen is geglipt. De jeugdwerkloosheid is terug op het niveau van de jaren tachtig en veel samenlevingen zijn permanente vechtmarkten geworden.

WAT DE ECONOMISCHE tegenspoed verder ook zal brengen, in ieder geval heeft ze de wereld verrijkt met allerlei nieuwe termen voor jonge mensen. Er zijn boomerang kids in de Verenigde Staten: jongeren die na de universiteit terugkeren naar het ouderlijk huis omdat ze geen werk vinden. Ook uit Amerika: permatemps (permanente tijdelijke krachten) en permalancers: permanente freelancers die in Japan freeters heten. In Groot-Brittannië resideert de NEET: een zestien- tot 24-jarige die ‘Noch in Educatie, Emplooi of Training’ is. Spanje heeft zijn mileuristas: jongeren die nooit boven de duizend euro per maand uitkomen, zelfs als ze werk hebben. En China heeft 'mierenstammen’: overbevolkte appartementen waar afgestudeerden en twintigers noodgedwongen samendrommen omdat ze geen eigen woning kunnen betalen. Uit Egypte en Tunesië komen respectievelijk de shabab atileen (simpelweg 'werkloze jongeren’) en de hittistes - de 'muurleuners’.
De shabab en hittistes waren even de helden van de wereld, toen zij met geweld hun dictators wegjoegen. Volgens de gangbare wijsheid van de afgelopen lente had dat alles te maken met hun toekomstvooruitzichten. De Arabische landen hadden 'gefaald om hun jongeren een toekomst te bieden’, en kampten daardoor met een 'torenhoge jeugdwerkloosheid’. Dit leidde er uiteindelijk toe dat een 'leger van boze jongeren bezit nam van de straat’.
Als het verband tussen jeugdwerkloosheid en de Arabische lente inderdaad zo simpel ligt, dan moet Europa zich grote zorgen maken. Wie de laatste cijfers van Eurostat naast die van de Verenigde Naties legt, ziet een verbazende overlap. In de Arabische wereld hebben de Palestijnse Gebieden de hoogste jeugdwerkloosheid: 46 procent. Dat is evenveel als Spanje. Daarna volgt Saoedi-Arabië met 39 procent - evenveel als Griekenland. Tunesië en Syrië staan rond de dertig procent - net zoals Ierland, de Baltische landen en Italië. In Egypte was zo'n kwart van de jongeren werkloos - net zoals in Frankrijk, Polen, Roemenië en Zweden.
'We moeten terug naar begin jaren tachtig om dat soort cijfers tegen te komen’, zegt onderzoeker Huib Vreeswijk van Eurostat. De jaren tachtig: de tijd van no future en de 'verloren generatie’ die meetbaar minder kansen, inkomen en carrièreontwikkeling had dan generaties ervoor en erna. Als die tijden terugkeren, is dat ditmaal voor een ongekend grote groep: meer dan één op de vijf jonge Europeanen is werkloos en steeds meer van hen zijn dat voor lange duur: een 'leger’ van meer dan vijf miljoen mensen.
Dat er misschien een nieuwe 'verloren generatie’ in de maak is, klinkt Nederlanders ongetwijfeld overdreven dramatisch in de oren. De reden daarvoor is simpel: Nederland exporteerde de economische crisis weg naar andere Europese landen. De werkloosheid is hier dan ook ruim dubbel zo laag als het Europese gemiddelde; de jeugdwerkloosheid is drie keer zo laag. Alleen Duitsland en Oostenrijk scoren even goed. Het lijkt de meeste Nederlanders te ontgaan - laat staan te deren - dat andere Europese landen serieus geraakt worden door de ergste economische crisis in zeventig jaar en dat de prijs daarvan steeds meer wordt betaald door de jonge generatie die nu de samenleving intreedt. Terwijl hier wordt gedebatteerd of we winst gaan maken op Griekenland of verlies, broeit het in tal van Europese landen.
Dit jaar speelden jongeren de hoofdrol bij demonstraties en straatgeweld over het hele continent. Groot-Brittannië werd opgeschrikt door de ergste rellen in een generatie tijd, terwijl Griekenland al een jaar kampt met straatgevechten en de grootste demonstraties sinds het land in de jaren zeventig een democratie werd. Dat laatste geldt ook voor Portugal en Spanje, waarbij de aandacht vooral getrokken werd door de indignados en de permanente tentenkampen die zij hebben opgetrokken op de pleinen van Spaanse steden. Andere grote, gewelddadige demonstraties vonden plaats in Frankrijk, Italië en Ierland. Wat verder weg kende ook Israël de grootste demonstraties in zijn bestaan en het Midden-Oosten en Noord-Afrika schudden nog steeds onder de gevolgen van de Arabische lente.
In al deze landen gaan jonge, boze mensen de straat op. Daarmee lijkt de overeenkomst tussen al deze demonstraties op te houden. Maar sommigen zien meer overeenkomsten dan verschillen. 'Voor wie oppervlakkig kijkt, lijkt het enige verband tussen deze bewegingen de leeftijd van de deelnemers. Maar dat is schijn. De demonstranten zijn overal jongeren die in beweging komen door een gebrek aan toekomstperspectief en door woede om hun plaats in de maatschappij’, zegt Wolfgang Gründiger, een jonge Duitse schrijver die twee jaar geleden in Die Aufstand der Jungen waarschuwde voor een 'oorlog tussen generaties’ als babyboomers en andere bevoorrechte jaargangen blijven vasthouden aan hun privileges.
'Er zit geen centrale ideologie of politieke overtuiging achter de demonstraties, vooral omdat jonge mensen overal het vertrouwen hebben verloren dat de politiek kan zorgen voor oplossingen van problemen en voor kansen. Ze zien juist dat politici problemen voor hen scheppen, door de kosten voor bankenreddingen en reddingsplannen door te schuiven naar hun generatie. Deze jonge mensen eisen dan ook over het algemeen niet een heel ander soort samenleving: ze eisen dat de samenleving de rechtvaardigheid nakomt die wordt beloofd, de rechtvaardigheid die er voor oudere generaties wél is. Dit gevoel dat de maatschappij niet meer rechtvaardig functioneert hangt duidelijk samen met de economische crisis, die allerlei economische schade aanricht, zoals jeugdwerkloosheid. Door de crisis heeft de staat geen geld meer om die schade op te vangen en te verzachten. Als Europese landen al geld beschikbaar hadden, zit dat nu bij de banken.’

HET IS EEN aantrekkelijke verklaring voor de onrust die in zoveel landen op ongeveer hetzelfde moment plaatsvindt: logisch en alomvattend. Een probleem is wel dat het nauwelijks kan worden gecontroleerd en dat er wel heel verschillende situaties bij elkaar worden geveegd. Er zijn hier en daar wel contacten tussen demonstranten in verschillende landen en er is een uitwisseling van labels (zoals 'indignados’), pamfletten, (zoals Stephane Hessels Indignez-vous!) en symbolen (zoals het masker uit de film V for Vendetta). Maar een centrale ideologie is er inderdaad niet.
Toch komt één element, zoals Gründiger al zegt, in alle landen terug: de woede om het gebrek aan perspectief voor jongeren. 'Griekenland, stop het begraven van je kinderen’, was een van de populairste slogans in Athene; 'Geen werk, geen toekomst, geen vrijheid’, riepen demonstranten in Portugal; 'We vechten voor toegang tot de toekomst’, in Israël. Dat jongeren de hoogste prijs betalen voor de economische crisis is niet alleen een onbevestigd gevoel van de demonstranten: de relevante statistieken bevestigen dat ook. In 2008 lag de jeugdwerkloosheid in Europa nog op vijftien procent, maar binnen drie jaar tijd is daar de helft bij gekomen. De werkloosheidscijfers van Eurostat tonen dat vooral jongeren hun baan kwijtraken in deze crisis, en dat vooral jongeren geen baan kunnen vinden nu de misère zich voortsleept.
Bij sommigen wekte dat grote ongerustheid. De organisatie voor arbeid van de Verenigde Naties (ILO) waarschuwde eind vorig jaar voor het gevaar van een nieuwe 'verloren generatie’ in tal van landen. In Italië wijdde president Napolitano zijn nieuwjaarstoespraak aan 'de diepgravende malaise onder jonge mensen’. In Engeland noemde de minister van Werkgelegenheid in januari, een half jaar voor de rellen, de hoge Britse jeugdwerkloosheid 'een tikkende tijdbom’. Maar jeugdwerkloosheid wordt niet overal als een ernstig probleem gezien. Dat komt onder meer doordat werkloze jongeren hun 'wachttijd’ vaak vullen met een extra opleiding of stage, of anders wel de energie en zin hebben om hun tijd te vullen met de mooie dingen van het leven. Die jongeren vinden wel een baan als de economie weer aantrekt en als de babyboomers met pensioen gaan, is dan vaak de redenering. Maar jammer genoeg is dat niet waar: in werkelijkheid kan een hoge jeugdwerkloosheid diepe, langdurige schade aanrichten in een samenleving.
De manier waarop dat werkt, is een complex mechanisme waarbij competitie om werk en de transitie naar volwassenheid in elkaar grijpen. Wat het werk betreft moeten de 'wachtende’ jongeren straks, als er weer banen vrijkomen, gaan concurreren met jongeren die vers van de opleiding komen. Hoe langer de crisis duurt, hoe groter die competitie straks is. De oudste lichting 'wachtenden’ is daarbij zeker niet in het voordeel. In de praktijk blijken werkgevers vaak de voorkeur te geven aan jongere kandidaten boven de iets oudere kandidaten met een onnodige extra opleiding. Een opleiding volgen is wel altijd beter dan thuiszitten: werkloze 'gaten’ in het cv leiden volgens academische studies tot lagere kansen om later aangenomen te worden, tot een levenslang lager loon en een hogere kans op werkloosheid later in de carrière.
Dan de banen zelf: daarvan gaan er waarschijnlijk veel minder van vrijkomen dan veel mensen denken. Veel babyboomers zíjn al met pensioen en zij laten vaak geen open plekken achter. 'Veel aantrekkelijke banen die Europese babyboomers bezetten, bijvoorbeeld in de opgeblazen managementlaag en in de publieke sector, worden geschrapt als de babyboomers ermee stoppen: er komt niets voor terug’, zegt de Amerikaanse sociologe Hilary Silver.
De competitie tussen grote groepen jongeren om weinig banen heeft gevolgen voor de maatschappij als geheel. 'Werk en inkomen zijn de belangrijkste voorwaarden om volwaardig burger te kunnen worden in Europa’, zegt Silver. 'Als jongeren daar geen toegang toe hebben, komen er daarmee steeds meer jonge mensen die niet deelnemen aan de maatschappij. In de Arabische wereld was dat overal zichtbaar. Maar ook in Zuid-Europa gaan jongeren pas over op een volwassen levenspatroon als ze een vaste baan hebben: pas dan gaan ze het ouderlijk huis uit, omdat ze het eerder niet kunnen betalen, pas dan proberen ze een gezin te stichten. In Zuid-Europa zijn er vele miljoenen jongeren die in een soort wachtstand staan, als vliegtuigen die niet kunnen landen. Velen raken verstrikt in een wachtpatroon: ze stellen het volwassen leven te lang uit en slagen er ook op latere leeftijd niet meer in om vast werk te vinden of om een gezin te stichten. Dat heeft natuurlijk grote effecten op deze mensen zelf: psychologisch en economisch. Maar het raakt de hele maatschappij: het zorgt voor steeds lagere geboortecijfers en voor een lagere dynamiek in de samenleving omdat de energie van jongeren wegvalt.’
In tegenstelling tot de jaren tachtig biedt de verzorgingsstaat geen verzachting: die is onder de bezuinigingsgolven uitgekleed, waarbij de bijl als eerste ging in voorzieningen voor jongeren. Voor velen biedt emigratie een uitweg. Er is een ware exodus van Zuid-Europees talent naar Noord-Europa op gang gekomen. Ook Ierland ziet zijn talentvolle jongeren weer, zoals in bijna de hele Ierse geschiedenis het geval was, naar het buitenland wegtrekken, een feit dat in Ierland als een nationale tragedie wordt beleefd. Een andere uitweg voor jongeren is om werk aan te nemen dat onder hun niveau ligt. Maar dat heeft zijn eigen nadelen. 'Een bijeffect van hoge jeugdwerkloosheid is dat jonge mensen over de hele linie onder hun niveau gaan werken’, vervolgt Silver. 'Hoogopgeleiden doen werk voor middelbaar opgeleiden, en die doen het werk voor lager opgeleiden. Allemaal krijgen ze weinig betaald, want werkgevers hoeven niet meer te betalen, en allemaal kunnen ze eigenlijk meer. Zo is iedereen ontevreden. Zeker de lager opgeleiden: er is geen werk onder hun niveau waar ze in kunnen vluchten als ze werkloos zijn. In de meeste landen zijn het niet de lager opgeleiden die de straat op gaan, maar zij dragen een onevenredig deel van de pijn. Deels zijn de protesten die we nu zien in Zuid-Europa een onderdeel van de rebellie van de middenklasse, die overal ter wereld de kop opsteekt. Terecht verzetten hoogopgeleide mensen uit de middenklasse, en in het geval van Europa hun kinderen, zich tegen de toenemende druk die er op hen wordt gelegd. Maar als de middenklassen pakken wat ze kunnen krijgen, komen de kosten te liggen bij de lagere klassen. Ontevredenheid boven aan de ladder duwt zich zo een weg tot aan de bodem.’
Een langdurige hoge werkloosheid onder jongeren is dus veel meer dan een tijdelijk pijntje dat vanzelf overgaat. Het zorgt ervoor dat de belofte wat iemand kan worden in een maatschappij en de kansen om dat te bereiken uit elkaar beginnen te lopen tot het punt waar het pijn doet en dan tot het punt waar het mensen boos en gefrustreerd maakt. Het is een sombere ervaring om in zo'n samenleving met jongeren te praten over hun toekomst, zoals ik eind vorig jaar deed in Griekenland: hoger opgeleiden die met hun nagels aan hun baan proberen te blijven hangen en niet verder durven te kijken dan het einde van hun contract, of die kaartjes knippen terwijl ze wachten op hun kans; lager opgeleiden die alles moeten slikken dat van boven op hen neerkomt, zoals de halvering van het minimumloon met één pennestreek tot vijfhonderd euro per maand voor een voltijdsbaan, in een land dat door de euro bijna hetzelfde prijsniveau heeft als hier. De situatie is niet anders in Spanje, Portugal, Italië, Bulgarije en al die andere landen die in Nederland vooral beleefd lijken te worden als een risico voor onze koopkrachtplaatjes. Daar woedt niet de financiële crisis in de staatshuishouding en in de hoofdkantoren; daar woedt de crisis thuis.

HET IS een paradoxale situatie: terwijl de Europese economieën de energie en het enthousiasme van een jonge generatie zo hard kunnen gebruiken, en ze steeds meer ouderen moeten gaan onderhouden, worden jongeren in veel landen gedwongen hun carrière uit of bij te stellen. Niet alleen het economische tij zit tegen, ook het nieuwe karakter van de economie maakt het moeilijker voor jongeren om er een plek in te bevechten. Door heel Europa, grof gesteld, is in de afgelopen twintig jaar een scala aan neoliberale maatregelen op de arbeidsmarkt losgelaten om haar flexibeler te maken, terwijl oudere generaties daartegen werden beschermd door linkse partijen, vakbonden en sinds kort rechtspopulisten die zich steeds meer als hun belangenbehartigers opstellen.
In de vechtmarkt die daaruit voortgekomen is, zijn er twee sleutels tot succes: opleiding en werkervaring. Omdat een diploma steeds meer de sleutel is geworden tot een succesvolle carrière - en omdat het ontbreken ervan steeds meer het mislukken daarvan garandeert - proberen steeds meer studenten het hoger onderwijs in te komen. Door de hele westerse wereld leidt dat ofwel tot een inflatie van het diploma en studenten die klagen dat hun opleiding is uitgehold - zoals in Nederland en Duitsland - ofwel dat elk jaar meer studenten worden afgewezen. In Groot-Brittannië kregen dit jaar meer dan tweehonderdduizend ex-scholieren te horen dat er geen plek voor hen is op de universiteit, een diepterecord. En dat fenomeen beperkt zich niet tot Europa: in de VS moest het hogeschoolsysteem van Californië - het grootste onderwijsinstituut van de VS - 350.000 jongeren laten weten dat ze geen plek kregen. In Mexico, waar jaarlijks zeventig procent van de inschrijvingsverzoeken voor de universiteit wordt geweigerd, bestaat sinds een paar jaar de 'Beweging van de Uitgeslotenen’, voor de honderdduizenden jongeren die geen opleiding konden krijgen; in Chili demonstreerden deze zomer honderdduizenden jongeren voor een échte opleiding in hun lokalen. Het krijgen van een hoge opleiding die perspectief op een goede toekomst opent, wordt zo in Europa en andere delen van de wereld steeds meer een gevecht.
Toegang tot een baan loopt voor jongeren via tijdelijke contracten, de contracten die tijdens een economische crisis niet worden vernieuwd. Maar de eerste werkervaring is voor de meeste jongeren de stage, en het verkrijgen daarvan is evenzeer een gevecht geworden als het krijgen van een goede opleiding. 'Stage lopen is deel geworden van het steeds langere traject dat jongeren in rijke landen moeten doorlopen op weg naar een baan’, zegt Ross Perlin, onderzoeker Himalaya-talen en auteur van het ontluisterende Intern Nation: How to Earn Nothing and Learn Little in the Brave New Economy. 'Volgens de gangbare mythe is een stage een win-win-situatie, waarbij de werkgever een goedkope kracht krijgt en de werknemer werkervaring. In werkelijkheid is een stage in rijke landen steeds meer een noodoplossing voor jonge mensen die geen echte baan kunnen vinden en een middel van bedrijven om op arbeidskosten te bezuinigen.’
'Stages zijn binnen dertig jaar in aantal geëxplodeerd’, zegt Perlin per telefoon vanaf een markt in het Zuid-Chinese Yunnan. 'Het fenomeen “seriestagiair” is ontstaan: ik heb mensen gesproken die al aan hun negende stage bezig waren in hun jacht op een baan. Bij veel opleidingen wordt een stage lopen verwacht, bij andere is het verplicht en is het het zwaartepunt van de opleiding geworden. Een carrière-switch is niet meer mogelijk zonder stage. Maar de essentie is wel dat het onbetaald werk is, dat mensen alleen kunnen doen als ze hun spaargeld aanspreken, als hun ouders betalen of als ze ernaast werken. Ik heb het niet kunnen bewijzen, maar ik ben ervan overtuigd dat de hoge jeugdwerkloosheid samenhangt met de explosie aan stages. Er zijn geen betrouwbare statistieken over stages, maar ik vond voor mijn boek een berg anekdotisch materiaal dat suggereerde dat in rijke landen de hele categorie instapbanen is vervangen door stageplekken. En stages houden elites in stand: ik sprak overal stagiairs die hun plek via connecties hadden gekregen. Ten slotte worden stages, zoals te verwachten was, steeds vaker een product. In veel landen is er een industrie omheen ontstaan en in de VS en Engeland zijn er zelfs stageveilingen.’
Hoe stages dienen om sommigen omhoog te helpen en anderen onder te houden, illustreren twee voorbeelden die de afgelopen maanden in het nieuws kwamen. In Engeland lekte uit dat begin dit jaar bij een feestje van de Conservatieve Partij stages van een week of een paar dagen bij hippe bedrijven per opbod werden verkocht aan partijdonoren die het cv van hun kroost wilden opleuken. Gemiddelde prijs: 3500 euro per stuk. De opbrengst ging in de partijkas. In Italië liet het ministerie van Sociale Zaken een 29-jarige juriste met een Duitse mastertitel onder haar gordel en vloeiend in vijf talen tijdens een onbetaalde stage fraudeurs plukken, tot ze verontwaardigd naar de pers stapte.
Het zou een grappige anekdote zijn, als die niet illustreerde wat een enorm potentieel aan hoogopgeleide, gretige werknemers ongebruikt blijft en wat een hoeveelheid productiviteit, energie en opleidingskosten wordt weggegooid in Portugal, Griekenland, Spanje, Ierland, Zweden en al die andere landen waar jongeren moeten knokken om de banen die overblijven nadat de insiders uit oudere generaties door de ruif zijn gegaan en de crisis alle redding wegvlakt die anders van de staat mocht worden verwacht. Het mag weinig verbazing wekken dat die jongeren de straat op gaan als de zaken worden wegbezuinigd die ze nog als bescherming van henzelf ervaren, of als er wordt gesnoeid in onderwijs, hun enige kans om tegen de crisis in vooruit te komen in eigen land. Toen dat begin dit jaar gebeurde, zei de voormalige Italiaanse premier en econoom Giuliano Amato tegen Corriere della Sera: 'Op dit moment zijn er nog slechts enkele mensen die weigeren te begrijpen dat de protesten van de jongeren geen protest zijn tegen hervorming van de universiteit, maar tegen de algemene situatie waarin de oudere generaties de toekomst van de jongere hebben opgegeten.’


Debat Verloren generatie
Donderdag 6 oktober organiseert De Groene Amsterdammer samen met Academisch-cultureel centrum SPUI 25 een avond over de nieuwe verloren generatie van Europa. Groene-redacteur Rutger van der Hoeven zal de avond inleiden, waarna o.a. Ewald Engelen (hoogleraar sociale geografie aan de UvA), Theo Klouvas (voorzitter van de Griekse studentenvereniging in Nederland) en Marieke de Goede (docent Europese studies aan de UvA) in debat zullen gaan over de positie waarin de Europese jeugd zich bevindt. 20.00 uur, SPUI 25, Amsterdam. Toegang gratis. Reserveren verplicht:
www.spui25.nl