Generatieconflict

Homoseksualiteit is iets doodgewoons. Het wordt inmiddels niet meer beschouwd als een afwijking of ziekte waarvoor je je zou moeten laten behandelen. Weinig mensen zullen nog geschokt reageren als hun zoon of dochter aankondigt de eigen sekse te prefereren boven de andere.

Jarenlang is er gestreden, uitkomen voor homoseksualiteit was niet alleen een erotische keuze maar ook een daad die moed vereiste. Pas nu groeit er voor het eerst een generatie op die onbelemmerd kan kiezen. Homoseksuele jongeren wordt niets meer in de weg gelegd. Integendeel: het COC zit te springen om actieve leden, de gay-bars bloeien en je kunt je allang openlijk manifesteren als homo. De lang verwachte bevrijding is eindelijk voltooid.
Maar wat is nu kenmerkend voor de jongeren die de vruchten plukken van deze emancipatiestrijd? Hun situatie is wezenlijk anders dan die van oudere generaties, zij hoeven zich niet langer te verdedigen en zij lijken zich dan ook minder te identificeren met de groep.
Sinds ik wat meer jongens ken die zich ophouden in het homocircuit, begint mij in toenemende mate op te vallen dat zij zich verzetten tegen de ongeschreven wet dat iedere homo vanzelfsprekend promiscue zou moeten zijn. Ze gaan weliswaar graag uit en frequenteren de bekende etablissementen, maar beweren niets te begrijpen van de in hun ogen overdreven belangstelling voor seksualiteit. Ze zijn populair bij oudere homo’s die hen proberen te versieren en daarbij graag vertellen hoe zij ooit hun bevrijding vonden in avontuurlijke contacten met ervaren mannen. Niet zelden bekijkt de homopuber zijn gesprekspartner met een meewarige blik en verlegt hij zijn aandacht snel naar iemand anders. ‘Ouwe lul’, denkt hij en wandelt naar de dansvloer in de hoop een aantrekkelijke jongen te ontmoeten - want eigenlijk hoopt hij maar op één ding: een vast vriendje. Verliefd willen ze worden, net als meisjes, en in principe - voor zolang als het duurt - willen ze ook monogaam blijven.
Het is bijna of er een generatieconflict aan de gang is, want de oudere homo’s blijven welwillend, maar begrijpen doen ze er wenig van. De meeste die ik ken zijn geneigd homoseksualiteit als een manier van leven te beschouwen die nadrukkelijk afwijkt van het gangbare. Promiscuïteit is voor hen vanzelfsprekend, en cruisen heeft iets opwindends, al gebruik je dan tegenwoordig condooms. Het is alsof ze bevrijding associëren met wisselende seksuele contacten.
De generatie die opgroeide in een toleranter klimaat is daarentegen nauwelijks geneigd homoseksualiteit als iets bijzonders te beschouwen. Zij halen hun schouders op over 'de vleesmarkt’ en voelen zich nauwelijks anders dan hun heteroseksuele vrienden. Ze zijn niet bezig met bevrijding en als ze eens een keer gediscrimineerd worden, vinden ze dat hooguit verbazingwekkend.
Homo’s boven de veertig blijven levenslang in de verdediging, denk ik. Zo hebben ze de curieuze neiging om iedere man van stiekeme homoseksuele behoeften te verdenken. Als je hen moet geloven is het een mirakel dat je als vrouw nog aan de bak komt, want elke passerende kennis is 'eigenlijk een nicht’ of op zijn minst een cryptohomo.
Jongens onder de twintig hoor je daar nooit meer over. Ze weten dat ze een minderheid zijn, maar lijken daar niet mee te zitten. Ze maken geen moralistische indruk en ze zijn ook niet speciaal bang voor seks, maar lijken geen behoefte te hebben aan een uitgesproken subcultuur.
Zou het misschien over twintig jaar voorbij zijn? De relnichten, de darkrooms, de leerbars en de conflicten over de baan, waar men elkaar anoniem treft? Ik hoop het niet, want het brengt wel leven in de brouwerij. Maar zou het niet gewoon zo zijn dat de nadruk die in de homoseksuele subcultuur op seks wordt gelegd, iets tijdelijks is?
Eerlijk gezegd zou het me niet verbazen.