Menno Hurenkamp

Generatiekloof

Ik heb zojuist een zoon gekregen — Jonas heet hij. De familie maakt het goed, dank u wel. Terwijl hij in mijn armen ligt te brommen, vraag ik me af of hij me ooit ter verantwoording zal roepen over mijn tijd. Vraagt hij mij straks met opgetrokken wenkbrauwen waar ik was ten tijde van de val van Srebrenica? «Eh… in de Sahara, sorry, ik hoorde het pas weken later.» Waarom ik mij niet vastgeketend heb aan een asielzoekerscentrum? «Tja, dat deed je niet in die tijd. Ik niet tenminste. Je schreef een stuk, misschien.»

Of zal ik verlangend maar tevergeefs uitzien naar het moment waar op hij mij mangelt over mijn gebrek aan daadkracht voor een betere wereld, of waarop hij keihard lacht over mij naïeve veronderstelling goed te doen door die dingen te ondernemen die ik geloofwaardig acht, alleen die plannen te maken waaraan ik zelf kan bijdragen?

(2018. Scène in de keuken. Vader, zoon)

Zoon: «Hoezo moet ik jou om rekenschap vragen?»

Vader: «Dat hoort. Dat doen jongere generaties altijd. Je moet vragen wat ik vroeger deed en vond en dan zeggen dat je het er niet mee eens bent, dat je het belachelijk vindt.»

Zoon: «O, geestig. Waar komt die gewoonte vandaan?» (Gelukkig, het is een nieuwsgierige jongen.)

Vader: «Het is misschien wel een invented tradition, zoals die Engelse historicus, Hobsbawm, dat zou noemen. Sinds de babyboomers, de generatie van je grootouders, ruzie zochten met de mensen wier baantjes ze wilden hebben, bestaat het generatieconflict. Ze wilden zich in de jaren zestig en zeventig onderscheiden van alles en iedereen omdat ze dachten dat ze anders waren, beter, idealistischer. Sindsdien schelden ze op alles wat jonger en ouder is en sindsdien doen we allemaal of dat altijd zo geweest is. Mijn generatie beschouwen ze als superlosers, omdat we geen conflict met de gevestigde orde — met hen dus — aangingen, geen bonje met hen maakten om hun principes.»

Zoon: «Zijn die babyboomers idealisten of houden ze gewoon van ruzieschoppen?»

Vader: «Ja, dat weet ik eigenlijk niet. Het is maar een klein clubje. In Duitsland en Frankrijk voerden die babyboomers grotemensenoorlog met stenen en geweren. Hier zijn het een beetje slappelingen, beroemd geworden door heel hard dingen te willen waar helemaal niemand tegen was, zoals democratisering van het openbare leven en vergroting van de persoonlijke vrijheid en zo. Kun je mooi nalezen in dat boek van James Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw.»

Zoon: «Ga weg met je boeken. Dus die eh… Pronk, die nou weer minister van, van-wat-ook-al-weer is, is een vernieuwer en een idealist? En alles wat voor en na hem kwam, zoals die oude Van der Stoel, met die Nobelprijs, niet? Daar had die Pronk toch altijd zo’n ruzie mee? Heeft-ie knap verloren, die strijd. Waarom maak jij je druk om die babyboomers en hun tradities als ze niks voor elkaar hebben gekregen? Het is me allemaal wat, zeg. Waar brengt dit gesprek ons en hoe kwamen we erop?»

Vader: «Volgens mij was jij aan het vertellen dat je van school af ging om op een brommer naar Sicilië te rijden en ging ik juist zeggen dat dat niet doorging.»