Ger Groot

Genese

«In onze werkwijze is er op het einde van de vorige eeuw een omwenteling opgetreden», merkt dichter en romanschrijver Mark Insingel op in zijn bijdrage Hoe ik het doe aan de bundel Denken op papier, die onlangs verscheen bij het Antwerpse AMVC-Letterenhuis. Centraal in dit cahier met «tekstgenetische studies» staat de vraag hoe literaire werken tot stand komen en wat dat zegt over hun betekenis.

Die totstandkoming heeft zich sinds een paar jaar losgemaakt van het papier. «Ik zie tot pakweg vijftien jaar geleden brieven en kladjes, getypt of met de hand geschreven», schrijft Insingel. «Daarna volgt een periode van slechts enkele jaren met heel wat materiaal op faxpapier (…). En van dan af mailtjes, haast allemaal mailtjes.»

Wat dat betekent voor de wetenschap van de tekstgenese laat zich nog niet helemaal overzien. Wie bewaart al die mailtjes – en wie bewaart de achtereenvolgende versies van een roman of gedicht wanneer het werk eenmaal af is? Reeds in de papieren tijd vernietigde menige auteur zijn probeersels om – zoals Maurice Gilliams elders in dit cahier mag zeggen – de «aasgieren der filosofie» zo min mogelijk met zijn «afval» te verwennen. Sinds het bestaan van de _delete-_toets gaat dat allemaal nog gemakkelijker en automatischer.

Sombere vooruitzichten voor tekstvorsers en literatuurhistorici dus? De dichter Paul Bogaert getuigt juist van het omgekeerde. Van zijn gedicht Iets refreinerigs bewaarde hij alle versies. Het zijn er meer dan 220 en op een ingesloten cd-rom ziet de lezer hen in een zelfgekozen tempo aan zijn ogen voorbijgaan. Verplaatsingen, schrappingen, toevoegingen vormen op het scherm een bewegend patroon dat nog het meest op een woorddans lijkt.

Daarmee roept deze computerversie van het gedicht een nieuw soort poésie concrète in het leven. Niet de woorden spelen daarbij de hoofdrol, maar hun verdeling over het vlak en de wijze waarop ze zich daarin verplaatsen. Voor de betekenis van het eindgedicht heeft dat minder zeggingskracht dan voor het visuele computerkunstwerk dat daardoor bijna toevalligerwijze ontstaat. Niet het wat maar het hoe van de woorden geeft de doorslag. Dispositie en dynamiek zijn belangrijker geworden dan idee of verwijzing. Ironisch genoeg plaatst Bogaerts «tekstgenetische» materiaal het voltooide gedicht waar het uiteindelijk om te doen was eerder in de schaduw dan er een verhelderend licht op te werpen. Het nieuwe kunstwerk heeft het oude overwoekerd, zonder de band ermee helemaal door te snijden.

Dat zoiets ook in het geschreven essay mogelijk was, bewees Rutger Kopland al zo’n dertig jaar geleden, toen hij in De revisor het ontstaansproces van het gedicht Geen gezicht, geen handen, geen haar beschreef. Dat essay (later opgenomen in de bundel Al die mooie beloften) vertelde als het ware over het vers heen hoe dichten gaat, zo aangrijpend dat het me veel scherper voor de geest is blijven staan dan het vers zelf. Langzaam zag men het opkomen uit de bedachtzaamheid van de dichter/essayist en met dat proces bleef het vanaf die tijd onlosmakelijk verbonden. Voor de autonomie van de poëzie is dat nogal bedenkelijk maar voor de lezer van het essay was daar niets meer aan te doen. Het gedicht, dat vrij kan staan, had voor hem die mogelijkheid verloren.

Dat was het offer waard – maar eist de tekstgenetische wetenschap ook van haar kant niet een dergelijk verlies op? Via het onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis keert ongemerkt het biografisme in de literatuur weer terug. En toch, zo schrijft Insingel terecht, «tilt het effet de réel (Roland Barthes) waarmee literatuur de werkelijkheid toont anekdotische voorvallen op een universeel vlak». De dichter mag verliefd zijn en wij mogen – «tekstgenetisch» – kunnen naspeuren op wie hij dat was, maar zijn gedicht boeit pas wanneer we het «kunnen lezen als de beschrijving van onze eigen liefde». Verantwoordelijk daarvoor is en blijft «de kracht van de taal. Als die kracht ontbreekt wordt het lezen vervelend, het is als in de liefde [zelf].»