Wie is er bang voor gentech-producten?

Genetisch gemodificeerd de honger te lijf

Alle producten waarvan meer dan 0,9 procent genetisch versleuteld is hebben sinds een maand een «gentech-etiket». De Amerikanen nemen er geen genoegen mee en hebben de EU reeds voor het gerecht van de Wereldhandelsorganisatie WTO gedaagd. Afrikaanse boeren wachten in spanning af. Moeten niet juist zij het hebben van gentech-producten?

Voormalig minister Eveline Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) kon het onderwerp goed polemiseren. De ontwikkelingslanden zijn banger voor «Magere Hein» dan voor «Frankenstein», sneerde zij naar milieuorganisaties en andere «gentech-foben». De angst voor genetisch versleutelde gewassen en zaadjes vond zij decadente praatjes. Mensen die de hongerdood in de ogen kijken, praten wel anders, wilde de PvdA-minister zeggen.

We zijn een paar jaar verder en sindsdien hebben miljoenen boeren genetisch veranderde soja, maïs en katoen in de grond gestopt. Grote delen van het platteland in de VS, China en Argentinië zijn beplant dankzij de laboratoriumzaadjes van multinationals als Monsanto en Syngenta. Maar voor de toon van het debat lijkt dat niet uit te maken. «Green peace heeft liever blinde kinderen dan genetisch gemodificeerde rijst», provoceerde nota bene de oprichter van die milieuorganisatie, Patrick Moore, begin maart in de NRC. Milieuorganisaties zouden de risico’s van de biotechnologische landbouw overdrijven met Hollywood-verzinsels. Intussen bestrijden de tegenstanders de pretentie dat gentech-landbouw de honger in de wereld kan oplossen.

Die verwachting lijkt inderdaad veel te hoog gegrepen, en wordt eigenlijk alleen verdedigd door Monsanto en co. De Europese regelmakers in Brussel geloven er in elk geval niet veel van. Eerder al stelden ze etiketten verplicht voor voedselproducten die genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) bevatten. Per 18 april is dat nog eens aangescherpt: ook producten waarbij ggo’s zijn gebruikt voor de bereiding en waarvan nog minstens 0,9 procent is achtergebleven, hebben een etiket gekregen. Ook Unilever ontkomt er niet meer aan Magnum-ijsjes te etiketteren omdat daarvoor genetisch veranderde soja is gebruikt.

Maar kan «gentech» dan helemáál geen goed doen in hongerend Afrika? Wat bezielt landen als Zambia en Angola om voedselhulp uit de VS te weigeren, omdat die genetisch gemanipuleerd is? Waarom laten ze liever hun eigen bevolking creperen?

De halsstarrigheid van de zuidelijk Afrikaanse landen blijkt weinig van doen te hebben met anti-Amerikanisme. Al zal de dwingende manier waarop de VS met hun landbouwoverschotten nieuwe markten proberen te winnen weinig sympathie wekken in de hoofdsteden van Angola en Zambia. Belangrijker voor de Afrikanen is echter het gevaar dat de genmaïs hun eigen voedselgewassen zal besmetten. Dat is niet ondenkbaar, omdat een deel van de voedselhulp vaak wordt gebruikt als zaaigoed. Besmette gewassen zijn in Europa, Afrika’s grootste afzetmarkt, niet welkom. Vandaar de etiketten die volgende week verplicht worden. En vandaar dat de VS, de grootste gentech-producent ter wereld, de Wereldhandelsorganisatie hebben gevraagd zulke «discriminatie» te veroordelen.

Dit voorbeeld tekent de manier waarop Europa en de VS de voedselvoorziening in Afrika bepalen. En dat terwijl dit verloren continent volgens de industrie toch zo veel profijt zou kunnen hebben van biotechnologie. Miljoenen kleine boertjes zouden hun opbrengst kunnen verhogen met een gewas dat een grotere opbrengst geeft of geen last heeft van onkruid. Welke boer zou daar niet van dromen? «De miljoen kleine Oegandese boeren die bij ons zijn aangesloten in elk geval niet. Ik heb in heel Afrika nog nooit een boer horen vragen om gentech-zaden», weet Dick Nuwamanya van de Uganda National Farmers Federation: «En als ze er al om vragen, dan kunnen ze het zich niet veroorloven, want ze moeten er flink voor betalen, onder meer vanwege de patenten.»

Dat moet steeds opnieuw, omdat de vruchten van genetisch gemanipuleerde planten geen nieuw zaad in zich dragen. Nuwamanya kan eigenlijk geen enkele goede reden verzinnen voor de promotie van gentech-zaden in Afrika: het zal boeren ruïneren, afhankelijk maken van multinationale bedrijven en traditionele gewassen als bananen, sorghum en bonen verdringen. Met het verdwijnen daarvan zal het steeds onzekerder worden of boeren nog wel voldoende voedsel voor eigen gebruik kunnen produceren, vreest Nuwamanya. Bovendien ontbreken in heel sub-Sahara-Afrika het wetenschappelijk apparaat en het geld om de invoering van gentechnologie verantwoord te laten plaatsvinden. Gentechnologie zal de Afrikaanse landen volgens Nuwamanya dan ook uitleveren aan de Monsanto’s en Syngenta’s. Die zullen de Afrikaanse overheden wegblazen. En dan te bedenken, verzucht de Oegandese boerenvoorman, dat de risico’s voor milieu en gezondheid helemaal niet duidelijk zijn.

Dat laatste is waar, en voor de milieubeweging reden om vanuit het voorzorgbeginsel elke toepassing van biotechnologie af te wijzen. Maar er zijn ook mensen, en die werken niet meteen voor de gentech-industrie, die er wél brood in zien. Zij vinden de risico’s opwegen tegen de noodzaak om de voedselproductie in Afrika te verhogen. Zulke diplomatieke gentech-advocaten vinden het verhaal van Nuwamanya veel te somber. Louise Fresco bijvoorbeeld, de Nederlandse directeur van de landbouwafdeling van de VN-voedselorganisatie FAO, gelooft dat gentechnologie het leven in ontwikkelingslanden comfortabeler kan maken door hogere opbrengsten. In gebieden waar vanwege oorlog en armoede honger heerst, zou biotechnologie kunnen helpen bij een stabielere voedselproductie, meent de VN-vrouw.

Het zou dus kunnen, maar gebeurt het ook? Nee, erkent ook Fresco. De grote gentech-bedrijven zijn vooral druk doende met het pushen van hun genetisch versleutelde maïs en soja, die resistent zijn tegen onkruidbestrijdingsmiddelen. Terwijl er in arme landen volgens haar vooral behoefte is aan gewassen die het ook nog een beetje doen in oprukkende woestijnen. Volgens Nuwamanya heeft Fresco zich echter zand in de ogen laten strooien door Monsanto. Ze zou er beter aan doen kleine boeren te helpen hun traditionele gewassen te cultiveren, liefst biologisch.

Harm Evert Waalkens, kamerlid voor de PvdA én biologisch boer, noemt dat «absolute flauwekul». Eerder deze maand heeft hij op de jaarlijkse toogdag van de Evert Vermeer Stichting, de derdewereldclub van de PvdA, nog een vriendelijk debat met de Oegandees gevoerd. Vriendelijk blijft hij, maar de manier waarop Nuwamanya Fresco’s FAO nu afserveert als een ordinaire gentech-club, noemt hij een «bloody shame». In de ogen van Waalkens kan de FAO er juist voor zorgen dat Afrika op een gecontroleerde manier in zee gaat met gentechnologie. Hij verkeert als biologische boer in een lastige spagaat: «Ook al boer ik zelf zonder kunstmatige toevoegingen, ik sluit mijn ogen niet voor biotechnologie.»

De Israëlische professor David Bigman, als hoogleraar voedselzekerheid verbonden aan de Universiteit Wageningen, spert zijn ogen daar zelfs wijd voor open. Boeren die zich laten verleiden tot de gemanipuleerde soja en maïs van de Monsanto’s zijn volgens hem beter af dan hun collega’s. Dat ze meer zijn overgeleverd aan industrie en handel weegt volgens hem op tegen de inkomensverhoging: ze produceren al snel drie keer zo veel, verdienen meer en kunnen daardoor zelf voedsel kopen, en elk jaar weer nieuwe zaden. Maar als ze het nu zelf niet willen, zoals Nuwamanya claimt? Bigman lijkt het zich niet te kunnen voorstellen. Hij gooit het erop dat «onbekend nu eenmaal onbemind maakt».

Om te tonen wat je terug krijgt als de traditionele landbouw verdwijnt, wijst Bigman graag naar China, waar hij onderzoek deed. De met gentech opgestuwde katoenproductie tilde, in combinatie met goedkope werknemers, een hele kledingindustrie van de grond: «Je weet dat de meeste jeans allang niet meer uit de VS komen maar uit China.» Nu tekent de milieubeweging daar wel graag bij aan dat grootschalige katoenteelt gepaard gaat met veel gifgebruik en bodemuitputting.

Los daarvan staat tegenover het Chinese succes aan de andere kant van de wereld een minder wervend voorbeeld. Argentinië heeft al meer dan tien jaar ervaring met genetisch geproduceerde soja en werd zo zelfs de derde sojaproducent ter wereld, na de VS en Brazilië. Maar de consequentie is dat tienduizenden boeren hun land moeten verlaten omdat ze onder druk van de moordende concurrentie — in het failliete Argentinië lijkt soja-export de laatste strohalm — hun schulden niet meer kunnen aflossen. Schulden die ze zijn aangegaan om het dure Monsanto-zaad met het bijbehorende bestrijdingsmiddel Round Up te kunnen betalen. Veel afgehaakte boeren wonen nu in de sloppenwijken.

Deze voorbeelden laten twee kanten van de medaille zien: met gentech-landbouw kun je de productie flink verhogen, maar als het economisch tegenzit, ben je als boer nog niet jarig. En dat is precies de reden waarom mensen als Numawanya, gesteund door milieuorganisaties, inzetten op traditionele gewassen en biologische landbouw. En dus op minder handel en meer zelfvoorziening. Maar waarom is die optie dan nog niet benut? Blijkbaar is de druk om in wereldhandel te gaan of de verleiding om naar de stad te trekken niet te weerstaan. De vraag is ook of landen in Afrika nog enige keus hebben als het gaat om biotechnologie. Want ze gaan er komen, die gentech-zaden. Na de VS, China en Argentinië zal ook de rest van de wereld volgen. En dan is het over en uit met de traditionele en biologische landbouw. Want biologisch en technologisch gaan niet samen; zie het gevaar van besmetting door voedselhulp. Kan Afrika zich niet beter voorbereiden op de gentech-invasie?

Nuwamanya: «Als het dan onze laatste redding zou zijn, dan moeten wij er ook iets over te zeggen hebben, dan moeten Afrikaanse wetenschappers erover gaan. Maar dat zal niet gebeuren.» Waalkens geeft toe dat de door hem gekoesterde FAO intern nog heel wat weerstand moet overwinnen voordat zij Afrika hierbij de helpende organisatiehand kan bieden. En dus zal gentechnologie de Afrikanen wellicht kunnen helpen aan een hogere voedselproductie. Maar die wordt dan wel geproduceerd door veel minder en afhankelijker boeren, voor een snel groeiende bevolking in de sloppenwijken, en met onduidelijke risico’s op de lange termijn. Tenzij het EU-etiket stand houdt voor het WTO-tribunaal. Maar daarvoor lijkt de geest bij de Wereldhandelsorganisatie te veel die van de vrijhandel uit te ademen. De uitslag wordt over een jaar verwacht. Tot die tijd kan Afrika nog wikken en wegen.