Geniaal wapentuig

Vincent Hunink
Bedolven door de Vesuvius: Pompeii in 1000 graffiti
Damon, 336 blz., € 24,90

‘Allen zwegen’ (conticuere omnes): met deze woorden begint het tweede boek van Vergilius’ Aeneis, waarna de hoofdpersoon over zijn gruwelijke avonturen gaat vertellen. Het zwijgen is een stilte voor de storm. De lezers waren al op wapengekletter voorbereid door de openingsregels van het werk, die naar de Ilias en de Odysseia verwijzen: ‘arma uirumque cano’ (de wapens en de man bezing ik). Voor Romeinen waren deze citaten even vertrouwd als voor ons ‘in den beginne schiep God’ of ‘to be or not to be’. Maar hoe gingen ze met hun literaire vorming om? Hoe spraken ze de woorden uit? We weten het nauwelijks. Rome zwijgt.

In het jaar 79 werd Pompeii samen met enkele andere stadjes onder vulkanisch materiaal bedolven. Toen de stad in de achttiende eeuw werd teruggevonden, kwam een verloren gewaande wereld ineens tot leven. Niet alleen waren er schitterende fresco’s en mozaïeken bewaard gebleven, ook bleken vele muren beklad te zijn met teksten die beslist niet voor de eeuwigheid bedoeld waren. Het aardige van die opschriften is dat ze een beeld van de Oudheid oproepen waar niets klassieks of verhevens aan is, in een vaak fonetisch gespeld Latijn, met een woordkeus die je bij Vergilius niet zult tegenkomen. Vincent Hunink heeft er ruim duizend verzameld en vertaald, ongeveer een tiende van het gehele corpus. Bakkers prijzen broodjes aan, verliefde jongens formuleren ontroerende hartenkreten, sukkels worden belachelijk gemaakt, en vóór alles wordt er onvoorstelbaar veel geneukt, gebeft en gepijpt. ‘Eulalus, alle goeds, samen met je echtgenote Vera; en ik heb haar goed geneukt’. ‘Ik stop hem in je mond!’ ‘Euplia, wijdopen, met flinke clitoris’. ‘Julius: nicht’. Dergelijke teksten zijn op zichzelf niet heel opwindend, hoewel de formulering ons veel leert over het gesproken Latijn in de eerste eeuw en over seksuele mores, die in een aantal opzichten afweken van de onze.

Interessanter is dat veel graffiti metrisch zijn en verwijzingen bevatten naar poëzie van Vergilius, Propertius en Ovidius. Wanneer we op de muren van een bordeel ‘arma uirumque cano’ lezen, mogen we aannemen dat het om genitaal wapentuig gaat, en kennelijk had de lezer aan ‘militat omnes’ genoeg om ‘militat omnis amans’ (_elke minnaar voert oorlog) van Ovidius te herkennen. Tientallen keren lezen we: _‘conticuere omnes’. Er is weinig fantasie voor nodig om ons de verzwegen gevechten voor te stellen.