Profiel: John Forbes Nash

Genie met stemmen in het hoofd

Profiel: John Forbes Nash

«De stemmen, dacht ik eerst, waren die van engelen… een soort engelen… Wel, ziet u, die stemmen kwamen eigenlijk uit mijn onder bewustzijn — dat weet ik nu.» De man op het scherm oogt oud en breekbaar: doorschijnende huid, waterige ogen, zachte, beverige stem. Toch straalt hij intensiteit uit. Je zou niet zeggen dat hij tegenover zich de ijzervreter Mike Wallace van cbs’ legendarische actualiteitenprogramma 60 Minutes heeft. Of dat miljoenen kijkers aan zijn lippen hangen. Veeleer lijkt het alsof hij alleen is, en tegen zichzelf praat. Misschien is dat ook zo. Want als de 74-jarige John Forbes Nash — wiskundig genie en winnaar van de Nobelprijs voor economie in 1994 — voor het eerst in zijn leven voor zo’n groot publiek spreekt over de stemmen in zijn hoofd, is hij geen uitleg verschuldigd aan wie dan ook. Behalve aan zichzelf, valt op te maken uit de uitzending, nog iedere dag.

Hij was dertig toen hij voor het eerst door paranoïde schizofrenie werd getroffen. De tragedie was compleet — de wereld lag aan zijn voeten. In de ogen van jaloerse collega’s zag hij eruit als een «Griekse god», met zijn donkere haar, brede schouders en dunne taille. En belangrijker nog: hij bevond zich op de top van zijn verstandelijke vermogen.

De relatie tussen genialiteit en waanzin is in nevelen gehuld, getuige het leven van groot heden als Friedrich Nietzsche, de Russische danser Vaslav Nijinski en de Duitse componist Robert Schumann. Genialiteit is volgens Freud het resultaat van hetgeen zich afspeelt in het onderbewuste. Bij de kunstenaar kan het verdrongene zich op uiterst creatieve wijze manifesteren. Maar tegelijkertijd is het onder bewuste een broedplaats voor onderdrukte trauma’s die kunnen leiden tot neuroses. Op het eerste gezicht heeft dat weinig te maken met paranoïde schizofrenie, een deels genetisch bepaalde ziekte van de hersenen. Des te curieuzer is het dat John Forbes Nash na zijn wonderbaarlijke herstel van schizofrenie stelt dat zijn onderdrukte angst voor het hectische academische leven in belangrijke mate heeft bijgedragen tot zijn ziekte. Zijn «herstel», of «remissie» zoals sommigen het noemen, zegt Nash te danken aan een combinatie van lichamelijke en geestelijke factoren: ten eerste wordt hij eenvoudigweg ouder, waardoor hormonale veranderingen intreden, en ten tweede «leert» hij zichzelf zijn gedachtewereld te «rationaliseren», zodat hij als het ware tegengif ontwikkelt voor de stemmen in zijn hoofd.

De betekenis van Nash’ bijzondere leven is nu onderwerp van een mediahype. Aanleiding: een met vier Oscars — waaronder die voor beste film — bekroonde en eerder met Oscarnomi naties overladen, afschuwelijk zoetsappige Hollywoodbiografie, getiteld A Beautiful Mind. Aan de vooravond van de uitreiking van de Oscars verschenen suggesties in de media — van Amerikaanse tabloids tot de Times van Londen en New York — dat Nash een overspelige, anti semitische homoseksueel en een slechte vader was en in niets lijkt op de tragisch-heroïsche academische denker van de film, vertolkt door de heteroseksuele, viriele acteur Russell Crowe.

De beschuldigingen zijn veelbetekenend. In het kader van de 60 Minutes-uitzending lijkt het namelijk alsof niet zozeer de waanzin van Nash aan de orde is, als wel die van een in media gedrenkte maatschappij waarin de grens tussen feit en fictie verdwijnt. Sylvia Nasar, auteur van Een schitterend brein (1998), de biografie van Nash en het bronmateriaal van regisseur Ron Howards film, reageerde furieus. «Tijdens een lezing voor journalistiekstudenten», schreef Nasar recent in The Los Angeles Times, «vroeg niemand iets over het werk waar Nash de Nobelprijs voor kreeg. Ze wilden alleen maar roddelverhalen horen. Dat geeft aan hoe ver de discussie over Nash van de werkelijkheid is verwijderd.»

Nasars verontwaardiging is vreemd. In haar boek beschrijft zij juist hoe Nash antisemitische uitlatingen deed tijdens hallucinaties. En hoe hij meer dan een romantisch getinte vriendschappelijke relatie met mannen had. En hoe hij zijn zoontje negeerde. De enige werkelijk valse beschuldiging is dat Nash een buitenechtelijke relatie had. Hij had wel een buitenechtelijk kind, maar dat werd geboren lang voordat hij trouwde met Alicia Larde, die hem door dik en dun zou blijven steunen. Deze laatste beschuldiging is inmiddels gecorrigeerd door de Associated Press, die het «nieuws» wereldkundig maakte.

Wat is er aan de hand dat Nash na zoveel jaar voor de camera’s van 60 Minutes moet verschijnen om te vertellen dat hij ziek was, maar dat het nu wel gaat? Dat is toch oud nieuws? De ironie ligt er dik bovenop: door de film en de klucht van de Oscars is men kennelijk Nasars indringende biografie gaan lezen, waardoor de verschillende «versies» van Nash inderdaad opvallen. Het klopt dus dat A Beautiful Mind een volstrekt leugenachtig beeld van Nash schetst. Maar tussen film, boek en televisie tekenen zich wel de contouren af van een complex leven. Rode draad: wiskunde en waanzin.

Het is 1959. Een mooie, fors gebouwde jongeman walst op een bijtend koude ochtend de koffiekamer van het Massachusetts Institute of Technology binnen, The New York Times onder zijn arm. Tot grote verbazing van een aantal jonge MIT-docenten hijgt hij: «Kijk, dit stukje hier linksboven op de voorpagina… dit bevat een gecodeerde boodschap van een ander melkwegstelsel. Ik ben de enige die de boodschap kan ontcijferen.»

In figuurlijke zin praat Nash zijn leven lang tegen zichzelf. Zijn eenzaamheid was wel altijd functioneel; hij was een rebel in de wereld van Albert Einstein, Norbert Wiener en John von Neumann. Sylvia Nasar schrijft in Een schitterend brein: «Niemand was zo bezeten van oorspronkelijkheid… Bij vrijwel alles wat hij deed — van speltheorie tot meetkunde — maakte hij een lange neus naar de algemeen aanvaarde kennis, de heersende mode, de gevestigde methoden. Hij werkte bijna altijd alleen, in zijn hoofd, veelal wandelend, vaak terwijl hij melodieën van Bach floot.» Zijn helden waren denkers zoals Nietzsche. Hij was weg van computers. Hij las veel sciencefiction. Zo raakte hij geboeid door het idee dat een buitenaards ras zichzelf leert alle emoties te negeren. Hij was, zo schrijft Nasar, dwangmatig rationeel, hij was in de ban van zijn eigen werkelijkheid, hij was anders dan wij.

John von Neumann was de eerste die sociaal gedrag als een spel analyseerde, waarbij de winst van de ene speler het verlies van de andere speler betekende. Maar Nash vond dat Von Neumann in wezen niets nieuws verkondigde. Ging Von Neumann uit van coalities tussen spelers, van overeenkomsten en compromissen, Nash concentreerde zich op het individu, waardoor zijn speltheorie relevant werd voor de moderne economische wetenschap. In zijn proefschrift van 27 pagina’s, waarvoor hij in 1994 de Nobelprijs kreeg, toonde Nash aan dat de uitkomst van het spel wederzijdse winst zou zijn wanneer iedere speler onafhankelijk koos voor de beste reactie op de strategie van de andere spelers.

Spellen en cijfers waren altijd stapelvoedsel voor John Forbes Nash jr., die op 13 juni 1928 werd geboren in Bluefield, West-Virginia. Op veertienjarige leeftijd bleek zijn wiskundige genialiteit voor het eerst. Hij las, in navolging van Einstein en Bertrand Russell, E.T. Bell’s boek Men of Mathematics en slaagde er wonder boven wonder in een bewijs te leveren voor een zogenoemde Fermat-stelling. Al gauw kreeg hij een beurs voor studie aan het Carnegie Institute of Technology in Pittsburgh.

Zijn medestudenten vonden hem vreemd, vooral toen John blijk gaf van homoseksuele gevoelens. Sylvia Nasar beschrijft hoe John tijdens een vakantie in een verlaten studentenhuis in bed klom bij een slapende medestudent, Paul Zweifel, en probeerde hem te versieren. Daarna noemden Zweifel en zijn vrienden Nash «homo» en «Nash-mo». Het plagen had weinig effect op zijn werk. Hij was volledig in de ban van de dingen die hem zijn leven lang zouden bezighouden: getallentheorie, kwantummechanica, relativiteitstheorie. En: de spel theorie.

In het najaar van 1948 bevond Nash zich op Princeton. Zijn hunkering naar originaliteit, hetgeen hij zag als een voorwaarde voor zijn intellectuele onafhankelijkheid, leidde ertoe dat hij weinig colleges bijwoonde en moeilijk vrienden maakte. In 1950 ging hij werken bij de Rand Corporation, de beruchte denktank waarin briljante academici zoals John von Neumann zich bogen over onder meer de toepassingsmogelijkheden van de speltheorie op kernoorlogen.

Het waren bange tijden. De Russen bleken een atoombom te bezitten; senator Joseph McCarthy sleep zijn messen; de Verenigde Staten bereidden een offensief in Korea voor, en John Nash werd opgeroepen voor militaire dienst. Hij probeerde daaraan te ontsnappen. Dat lukte, maar de vrees voor een militair leven deed iets knakken in zijn hoofd. Later, in 1996, beschreef hij zijn ziekte als volgt: «Overal zag ik communisten… ik begon te denken dat ik iemand met grote religieuze betekenis was. Ik hoorde stemmen, als telefoongesprekken in mijn hoofd, mensen die mijn ideeën tegenstonden. Het delirium was als een droom waaruit ik nooit ontwaakte.»

Nash leek ongeschikt voor het alledaagse. Dat kwam door zijn ziekte en zijn genialiteit, maar ook door een onverbiddelijke maatschappij. Hij werd opgejaagd. Bij Rand werd hij ontslagen nadat hij in een mannentoilet was gearresteerd wegens «openbare schennis van de eerbaarheid». Hij vluchtte naar Europa, verbrandde zijn Amerikaanse paspoort, belandde in psychiatrische inrichtingen.

In de jaren zeventig ging hij weer naar Princeton. En langzaam keerde de wiskunde terug. In de jaren tachtig en negentig werd hij verder wakker. Zijn ziekte, met een duur van dertig jaar, noemde hij «een soort vakantie». Maar hij ging twijfelen aan zijn vermogen te publiceren. In zijn Nobel-autobiografie schrijft hij: «Ik hoop dat ik door mijn toekomstige ideeën iets zal bereiken wat van enige waarde is.»

Het is 1996. De Madrid-lezing. John Nash beschrijft hoe «fantastisch» het is de rationaliteit te hebben teruggevonden. Een stilte volgt. Hij peinst. Als hij weer praat lijkt het alsof hij het tegen zichzelf heeft, zoals in 60 Minutes: «Stel je een kunstenaar voor. Hij is rationeel. Maar stel dat hij niet kan schilderen. En wel normaal functioneert. Is hij nu werkelijk genezen? Is hij werkelijk verlost?»