Genieën

‘Ik snap niet dat nog niemand heeft gezien dat Jij zegt het heel het Mattheüs-evangelie in zich heeft’, schijnt Connie Palmen laatst gezegd te hebben op een podium.

‘Geen enkele recensent die over De laatste ontsnapping schreef legde de link met Icarus’, schreef Jan van Mersbergen eens op zijn weblog.

‘Opmerkelijk dat nog niemand mijn roman Voorwaardelijke liefde als een hedendaagse Faust-allegorie heeft geduid’, twitterde Thierry Baudet ooit.

‘De kelders onder mijn laatste boek zijn door de recensenten niet opgemerkt’, vertelde Anton Dautzenberg me op een borrel.

‘Het ware genie is miskend’, vond Fernando Pessoa.

Het lijstje met zulke verzuchtingen had ik moeiteloos tot drie pagina’s kunnen uitbreiden, en zo onder elkaar komen die schrijvers een beetje over als stampvoetende, verongelijkte kinderen, maar ik denk dat de meeste van hen vooral verwonderd waren. Hoe kan het toch, dat iets wat voor jou zó duidelijk is, er zó dik bovenop ligt dat je het juist nog maar wat extra toedekte, echt door he-le-maal nie-mand is gezien?

Of het erg is, is een andere vraag. Wordt Romeo en Julia er beter of slechter op als je ziet dat Shakespeare ermee varieert op Ovidius’ Pyramus en Thisbe? En Ovidius heeft het verhaal toch zelf ook niet uit z’n duim gezogen?

Ik heb De laatste ontsnapping destijds gelezen zonder de Icarus-link te herkennen. Daar schaam ik me wel voor. Zeker toen Van Mersbergen, vorig jaar augustus op zijn erg lezenswaardige blog, met de sleutelbos ging rammelen en alle toespelingen in de namen prijsgaf – Deedee is Daedalus, Simone is Minos, enzovoorts. Mijn schaamte had twee redenen: 1) Ik heb gymnasium gedaan. 2) Ik schreef zelf een roman waarvan tot mijn verbijstering nooit iemand de link met de mythische architect Daedalus heeft opgemerkt.

Is het erg? Ik weet het niet. Als de mythische fundering van een boek deugt, en als het maar genoeg spookt in die kelders, dan voel je het drama toch wel door gonzen, in alle woon- en slaapkamers. Dan dringt het demonenbloed door tot op zolder, als optrekkend vocht. Elke goede vertelling heeft een luik openstaan naar die tijdloze dimensie die het tot meer maakt dan de anekdote of de actualiteit.

Je voelt de macht van de mythologie in elke alinea maar ziet haar nergens

Volgens de formule van Flaubert is de schrijver ‘overal aanwezig, maar nergens zichtbaar’. Dat zou ook voor de mythologie kunnen gelden. Je voelt haar macht in elke alinea maar ziet haar nergens. En de argeloze lezer loopt in die schepping rond als zo iemand die ‘wel gelooft dat er iets is’.

Ik was eens met studenten in gesprek over een scène bij Jeannette Winterson waar een engel uit een kerstboom viel. ‘Ik voel dat dat iets moet betekenen, maar ik heb geen idee wat’, bekende een student. Hij geloofde dat er iets was. ‘Iemand anders misschien?’ vroeg ik in de collegezaal. ‘Een gevallen engel?’

Niemand die het wist, terwijl het duivelsmotief de scène wel degelijk in een ander licht zette.

Je kent die museumbezoekers wel, die praten op dat toontje van iemand die eigenlijk geen verstand heeft van kunst maar wel ziet dat het mooi is. Ik weet niet of dat voldoende is. Soms voegt verstand echt wat toe. Als je eenmaal door hebt dat De wetten een moderne variant op Mariken van Nieumeghen is, lees je dat boek toch anders. Voller zou ik zeggen, met een extra dimensie. Het is te vergelijken met een muziekstuk luisteren door dat ene speakertje van je keukenradiootje. Dat gaat allemaal best, maar pas als je hetzelfde stuk door een surround sound system hoort, begrijp je wat je al die tijd hebt gemist.

Toen ik Nederlands ging studeren kregen alle eerstejaars nog zo’n surround sound system. We hadden een verplicht vak dat alles moest bijspijkeren wat het voortgezet onderwijs had verwaarloosd: vaderlandse geschiedenis, de bijbel, Griekse mythen en sagen. Na alle onderwijsherzieningen is ook dit vak geloof ik gesneuveld, terwijl het natuurlijk had moeten worden uitgebreid, om te beginnen naar alle talen- en cultuurstudies.

Die verhalen, mythen en geschiedenissen zijn de humuslaag van onze Europese cultuur. Het gedeelde verleden van Middeleeuwen, Renaissance, Romantiek en Modernisme verbindt onze Europese lidstaten veel meer dan de gezamenlijke munt of het beleid over plastic tasjes.

De bijbelse verhalen en de Griekse mythologie krijgen we niet langer vanzelfsprekend mee, tenzij Disney of Pixar zich erop stort en er, hopeloos verkitschte feel good-_rommel van maakt – van _De kleine zeemeermin tot Frozen – waar alle gruwelijkheden angstvallig uit geweerd zijn die de sprookjes van Grimm en Andersen juist zo kenmerken.

Dat bewijst overigens dat het herschrijven van oude mythen nooit louter daarom een garantie voor kwaliteit kan zijn. Schrijvers kunnen daarom ook nooit echt verongelijkt zijn door ons gebrek aan mythologische opmerkzaamheid.

En mocht dat wel zo zijn, dan bestaat daar een simpel vuistregeltje tegen: het ware genie mag dan miskend zijn, dat maakt elke miskende nog niet geniaal.