Geweld in Syrië

Genocidale dynastie

Het Syrië van vader en zoon Assad was altijd al een genocidale staat, met een scala aan veiligheidsdiensten die politiek geweld toepasten. Zelfs als het geweld morgen ophoudt, zullen nog generaties met trauma’s kampen.

TOEN DE SLUNGELIGE en weinig charismatische dr. Bashar al-Assad (1965) in juli 2000 het presidentschap van Syrië erfde van zijn vader leefde er wijdverspreide hoop dat de troonopvolging tot liberalisatie van het regime zou leiden. Maar inmiddels heeft de zoon zich ontpopt tot een even meedogenloze dictator als zijn vader. In analyses van het geweld in Syrië wordt de nadruk gelegd op Bashar, maar daarmee wordt de context over het hoofd gezien waarin hij opereert. Sinds de staatsgreep van 1970 heeft de Assad-clan een stevige familiedictatuur geconsolideerd die het land tot op de dag van vandaag in een wurggreep houdt.
Alle sleutelposities in de Syrische staat worden bezet door leden van de Assad-dynastie. Broer Maher (1967), een agressieve en oncontroleerbare persoonlijkheid, is commandant van de Republikeinse Garde. Deze superieur uitgeruste elitetroepen zijn verantwoordelijk voor de belangrijkste mensenrechtenschendingen in het afgelopen jaar. Zwager Asif Shawkat (1950) was jarenlang hoofd van de beruchte inlichtingendienst en is nu de vice-chef-staf van het Syrische leger. Daarmee draagt hij directe verantwoordelijkheid voor de bombardementen op woonwijken en de grootschalige executies van vermeende deserteurs. Neef Rami Makhlouf (1969) controleert min of meer eigenhandig de gehele Syrische economie. Hij bezit Syriatel, twee banken, vrijhandelszones, verschillende olie- en gasbedrijven, een aannemersbedrijf, een luchtvaartmaatschappij en twee televisiekanalen en beheert de invoer van vrijwel alle luxeproducten. Makhlouf is een cruciale spil in de corruptie en het nepotisme die de Syrische economie karakteriseren.
De lijst met directe en aangetrouwde familieleden met strategische functies is nog veel langer. Gezamenlijk vormen deze mannen het geraamte van de Syrische staat, die volledig in handen is van de familie Assad. Dit betekent dat de huidige repressie niet alleen om machtspolitiek of ideologie draait. De dynamiek binnen zo'n familie, analoog aan die in de Godfather-trilogie, speelt een minstens even grote rol. Net als Michael Corleone is Bashar de introverte verlegen jongen die een metamorfose ondergaat tot meedogenloze moordenaar na een moordaanslag op vader. Maher lijkt op de impulsieve en gewelddadige Sonny, die de gedoodverfde opvolger was van de vader. En Majid (overleden in 2009) was de ongezonde loser Fredo. Het is aannemelijk dat Bashar en Maher niet alleen om hun machtspositie vechten, maar ook voor het behoud van de familie, voor de reputatie en het graf van hun vader (dat ongetwijfeld vernietigd zal worden mocht de opstand slagen) en de toekomst van hun kinderen.

DE SYRISCHE samenleving kent een lange voorgeschiedenis van politiek geweld. De periode 1946-1970 kende maar liefst acht bloedige staatsgrepen, die de angst voor contracoups diep verankerden in de Syrische politieke cultuur. De dictatuur van de Arabisch-nationalistische Ba'athpartij was vanaf zijn aanvang in 1970 meedogenloos jegens de oppositie. Achter gesloten deuren was Syrië een samenleving van arbitraire arrestaties, verdwijningen en buitengerechtelijke executies. Door deze onderdrukking radicaliseerden de Moslimbroeders, die tussen 1976 en 1982 tegen het regime in opstand kwamen. Net als in Egypte vormden de Broeders zich tot een massabeweging met een terroristische vleugel. Hun opstand escaleerde in 1982 in de massamoord in de stad Hama (slechts veertig kilometer van het huidige doelwit Homs), waar Assad seniors artillerie lukraak woonwijken bombardeerde en twintigduizend mensen vermoordde. De infrastructuur en condities voor een genocidale staat waren er dus al lang voor de Arabische lente: de machtsconcentratie, een radicale ideologie en een genadeloze politieke elite.
De huidige opstandelingen wisten waar zij het tegen opnamen. De opstand is veroorzaakt door frustraties, voornamelijk over het gebrek aan vrijheid en democratie en de voorturende intimidatie door inlichtingendiensten, maar ook over economische uitzichtloosheid. De Syrische binnensteden zitten vol jonge afgestudeerden die geen baan kunnen vinden omdat ze geen contacten hebben met het omkopingsnetwerk van Rami Makhlouf. In die situatie functioneerde de Arabische lente als een trigger. Eindelijk kon de jarenlang opgekropte frustratie uit volle borst worden uitgeschreeuwd. De protestsessies in grote steden, met rappers die de massa het ondenkbare lieten scanderen (‘Kom op Bashar, oprotten!’), werden ervaren als collectieve katarsis. Het regime toonde onmiddellijk hoe het deze uitdaging opnam: Ibrahim Qashoush, de volkszanger die het lied had bedacht, werd dood aangetroffen met zijn stembanden eruit gerukt.
Al zijn de protesten massaal en diep gemotiveerd, dat betekent niet dat de demonstranten aan het langste eind zullen trekken. Syrië beschikt over een uitgebreid en goed uitgerust veiligheidsapparaat dat uit acht instituties bestaat. Het reguliere leger van dienstplichtigen is het minst verbonden met het regime, zoals blijkt uit de regelmatige desertie van soldaten en zelfs (hoge) officieren. De belangrijkste geweldsmiddelen zijn de andere bureaus: Politieke Veiligheid, Nationale Veiligheid, Militaire Inlichtingen en Staatsveiligheid. Ook de Inlichtingendienst van de Luchtmacht is belangrijk; zij heeft een goede reputatie opgebouwd in confrontaties met Israël, wordt goed gefinancierd en runt een belangrijk martelcentrum in Damascus. De Presidentiële Garde bestaat uit tienduizend getrainde mannen en staat onder direct bevel van Maher Al-Assad. Deze mobiele brigade verricht de meeste arrestaties en executies.
Tot slot zijn de Shabbiha ('Spoken’) een belangrijke kracht, paramilitairen in burger, veelal laag opgeleid en organisch verbonden met het regime vanwege verre familiebanden met gezagdragers. Het regime kan het geweld altijd afschuiven op deze Shabbiha, door vol te houden dat die op eigen houtje opereren. Deze vervlechting tussen getolereerde georganiseerde misdaad en de veiligheidsdienst doet denken aan hoe Servië tijdens de Joegoslavische oorlogen criminele bendes als de Arkans Tijgers inzette. De Shabbiha infiltreren demonstraties, verkrachten vrouwen, mishandelen kinderen en roven vooral veel bezit.
Door deze verscheidenheid aan veiligheidsapparaten steunt het regime op meerdere pilaren: zelfs als een van de instanties uitgeschakeld zou worden, dan kan het regime voort functioneren door te leunen op de andere. Er is ook aanzienlijke concurrentie tussen deze organisaties. Sommige hardliners zien de opstand als een mogelijkheid om hun eigen machtsbasis uit te breiden ten koste van een andere veiligheidsdienst.
RAZZIA’S, MOORD en marteling zijn de meest voorkomende vormen van geweld. Het regime gebruikt lijsten van oppositieleden en hun families, probeert mensen via hun IP-adressen op te sporen en ontkent de systematiek van het geweld. Onlangs uitgelekte e-mails van Assad bieden een zeldzaam inzicht in de ontkenningsmechanismen van gewelddadige regimes. In de mails wordt Assad geadviseerd om vooral het beleidsmatige aspect van het geweld te ontkennen. 'There was no order, there is no policy’, benadrukt hij in zijn interview met ABC News.
Dat valt natuurlijk niet vol te houden. Alleen doelbewust beleid kan de omvang van het geweld verklaren. Meer dan zevenduizend mensen zijn inmiddels vermoord, inclusief vijfhonderd kinderen, waarvan honderd onder tien jaar. Sommige mensen worden lukraak op straat vermoord, anderen worden pas na arrestatie geëxecuteerd. Het regime gebruikt geen verdwijningen, zoals de Argentijnse junta deed, maar bezorgt verminkte lijken juist terug aan de families om ze angst in te boezemen.
De meeste doden (bijna de helft) vallen door scherpschutters. In Homs, een religieus gemengde stad, schieten snipers zonder onderscheid op mensen. De situatie lijkt op Sarajevo: de snipers wordt bevolen te schieten op alles wat beweegt. Daarbij zijn sommige gebieden bestempeld als 'onbetrouwbaar territorium’ en dus vrij voor geweld. Het noordelijke dorp K'far Ouaid werd grotendeels uitgemoord op kerstavond, de opstandige buurten in Homs, zoals Khalidiya en Baba Amr, worden categorisch gebombardeerd. Ooggetuigen in Homs meldden dat de Shabbiha methodisch huizen binnendrongen en ongewapende soennitische families doodschoten.
Folter is een tweede vorm van geweld. Vele tienduizenden mensen zijn in Syrië zwaar gewond en gruwelijk gemarteld. De veiligheidsdiensten gebruiken bijvoorbeeld honger en dorst als martelmethode. Ze sluiten arrestanten op in isoleercellen, laten ze eerst creperen en dan enkele dagen zout water drinken. Het regime toont daarmee dat het tot diepe krenkingen van de Syrische cultuur bereid is, aangezien het in elk woestijnland een groot taboe is om mensen water te ontzeggen. Nog zo'n daad is het martelen door seksueel geweld. Het regime begrijpt goed dat het verkrachten van de dochters, zusters en partners van demonstranten leidt tot een zwaar stigma in de Syrische patriarchale eercultuur.
De meest voorkomende martelvorm is echter slaag. Zoals bastinado, een aloude regionale traditie: iemand langdurig met een knuppel onder de voetzolen slaan, met vaak amputatie als gevolg. Mensen worden dagenlang opgehangen aan hun armen, wat hun torso grotendeels ruïneert. Elektrocutie is aan de orde van de dag. En deze martelvormen zijn niet bedoeld om bekentenissen af te dwingen: het Assad-regime martelt zijn eigen burgers om ze te breken en de bevolking tot zelfcensuur en conformisme te dwingen. De echo’s van deze martelingen zullen ten minste even lang nagalmen als de moorden. Zelfs als het geweld morgen ophoudt is de maatschappelijke traumatisering als gevolg van deze martelingen zo diepgaand dat generaties de consequenties zullen voelen.

DE OPSTAND en de repressie polariseren de Syrische samenleving, waardoor het moeilijk is om de verdere ontwikkelingen te voorspellen. Drie scenario’s zijn mogelijk. Scenario 1 is een machtsvacuüm dat ontstaat als de staat implodeert. Dat kan leiden tot een failed state als Somalië. Scenario 2 is asymmetrie van de macht: de paranoïde dictatuur kan zich barricaderen en nog meer geweld orkestreren, zoals in Irak onder Saddam Hoessein. Het derde scenario is meer symmetrie in macht tussen de staat en de opstand. Als verschillende facties zich bewapenen, ingraven en andere groepen bestoken ontstaat iets wat lijkt op de Libanese burgeroorlog.
En dan de oppositie. Die is nog erg gefragmenteerd, maar geweld produceert identiteit. De centrale motto’s van de opstand zijn antisektarisch (na'am hurriya, la tayfiyya: ja voor vrijheid, nee tegen sektarisme), maar door het huidige geweld kan gemakkelijk verdeeldheid ontstaan. Incidenten van retributie tegen alawieten zijn al voorgekomen en in een enkele optocht werd met slogans opgeroepen tot de jihad. Wanneer zullen de leiders van de Syrische opstand hun principe van antisektarisme opzeggen? Dat zou ook het risico creëren dat het geweld de grens oversteekt naar Irak en Libanon of zelfs naar Turkije.
Een Syrische vriendin van me sprak laatst: 'Ik hoop dat de situatie weer normaal wordt.’ Maar wat betekent normaal in Syrië? Terug naar de totalitaire dictatuur? Zelfs als het regime morgen valt, zijn er zoveel daders betrokken bij het geweld dat normalisering moeizaam zal verlopen. Er zullen vele rekeningen te vereffenen zijn en er is geen garantie voor de veiligheid van die religieuze groepen die oververtegenwoordigd zijn in het regime. De consequenties van politiek geweld zijn immers onomkeerbaar.