‘Genoeg Bassie voor nu – denk ik’

Toen mijn moeder hoorde dat ik met enige regelmaat columns zou gaan schrijven voor De Groene Amsterdammer zei ze: ‘Als je maar niet zo’n iemand wordt die het de hele tijd over haar huisdier heeft.’ Een opmerking die mijn vorige week overleden kat Bassie zou doen omdraaien in zijn graf, ware het niet dat hij gecremeerd is. Bassie is samen met vijf andere huisdieren uit de gewichtscategorie 3 – 6kg gecremeerd. Behalve katten zijn dat dwerghonden en konijnen. We konden natuurlijk ook voor een individuele crematie kiezen, maar dat kostte veel meer geld. Bovendien krijg je dan achteraf een urn opgestuurd, en constateerde mijn vader kort na Bassie’s overlijden: ‘Genoeg Bassie voor nu – denk ik.’

Drie dagen nadat mijn ouders en ik Bassie hadden laten inslapen bij Dierenkliniek Vondelpark kregen we een condoléancekaart van het crematorium in Naarden. Het was de tweede, want al een dag na Bassie’s dood ontvingen we er een van de dierenkliniek. Op de voorkant was een afbeelding van een slapend kattenhoofd te zien, aan de achterkant stond de tekst: ‘Wij wensen u graag nogmaals sterkte met het verlies van uw lieve ventje Bassie. Wij hopen dat de herinneringen aan uw tijd samen het gemis op den duur kunnen verzachten.’ Op de kaart van het crematorium stond uitsluitend: ‘Tijd heelt alle wonden.’ Daarnaast zag je een plaatje van een lege kattenmand.

Omdat ik niet langer thuis woon, heeft mijn moeder me op de hoogte gehouden van de post. Twee keer stond ze razend op mijn voicemail: eerst over de benaming ‘ventje’. Ze zei: ‘Die man is nota bene bijna honderd geworden; ik zou zeggen dat je dan wel iets meer verdient.’ Na de kaart van het crematorium hoorde ik alleen: ‘Wil je me even terugbellen? Er is iets.’ Toen ik haar eenmaal aan de lijn had, met het hart in mijn keel overigens en in de veronderstelling dat na Bassie nu een ander naast familielid het loodje had gelegd, zuchtte ze: ‘Ik ben sprakeloos, als je het me heel eerlijk vraagt. Ik bedoel: de kitsch waarmee je geconfronteerd wordt na het overlijden van zo’n dier.’ Het was me toen nog steeds niet duidelijk wat er precies op die kaart stond, en toen ik ernaar vroeg zei mijn moeder dat ze daar liever niet op in ging. Ze zei: ‘Meisjelief, ze wrijven het ons goed in. En dat is het enige wat ik er op dit moment over kwijt wil.’

Later hoorde ik dat Bassie is uitgestrooid over een veld in de buurt van Huizen. Waarom ze dat niet gewoon in de buurt van Naarden hebben gedaan, begreep ik niet. Wel vond ik het een gezellig idee dat hij dit alles niet alleen had hoeven doorstaan, maar samen met een paar dwerghonden en konijnen. Toch was het in zekere zin atypisch: Bassie was, zoals mijn ouders en ik soms zeiden, de Kafka onder de katten – altijd alleen, en vergezeld door een niet-aflatende duisternis. Nu hebben mijn ouders noch ik Kafka persoonlijk gekend, en heeft mijn moeder weliswaar zijn verzameld werk in de boekenkast staan maar fluisterde ze daar ooit over: ‘Eigenlijk heeft alleen je grootvader dat gelezen.’

Het was, kortom, vooral een vermoeden – die gelijkenis. Toch denk ik dat wanneer je het verhaal van Jozef K. zou samenvatten als een lijdensweg die getekend wordt door nietsontziende willekeur de associatie tussen Bassie en Kafka niet misplaatst is. Al op jonge leeftijd werd Bassie in Dierenkliniek Vondelpark gediagnostiseerd met een angststoornis, waardoor we behalve brokjes ook antidepressiva in zijn bakje moesten stoppen. Later heb ik als tienjarige de buitendeur eens te vroeg achter me dichtgetrokken, met het gevolg dat Bassie voortaan slechts één vierde staart had. Daarmee verloor hij ook het bij katten zo geprezen vermogen tot evenwicht, en kwam Bassie niet op zijn pootjes terecht – hij viel gewoon. In de jaren die volgden raakte hij dankzij een aanrijding eveneens zijn zicht kwijt, en kort daarna om onduidelijke redenen ook zijn gehoor.

Enige tijd geleden constateerde de dierenkliniek dat Bassie was begonnen met dementeren. Dit verklaarde waarom hij sinds kort nog eigenzinnigere looplijnen door het huis maakte dan hij dankzij zijn blindheid toch al deed, en waarom hij vrijwel voortdurend in paniek was. Hij stond dan oorverdovend hard te miauwen in de gang, en werd pas rustig wanneer je een hand op hem legde. Nu heeft mijn moeder gezegd dat columns pas echt irritant worden wanneer er na een luchtig verhaal op de valreep nog een levensinzicht wordt toegevoegd – maar: ik kan niet ontkennen dat Bassie’s plotselinge gespin me op zulke momenten ontroerde, om de simpele reden dat ik denk dat het altijd zo werkt. Zo nu en dan moet je ergens tegenaan lopen, het liefst iets warms, dat zegt: ‘Ik begrijp je bewegingen niet altijd even goed, maar ze worden geregistreerd.’ Voor degenen onder ons met een kwart staart of minder, net iets eenvoudiger uit evenwicht, scheelt dat soms een hele hoop.


Dit is de eerste De Groene-column van Sofie Lakmaker (24). Ze studeerde eerst korte tijd Russisch, toen korte tijd literatuurwetenschap en uiteindelijk filosofie. Ze werkt op dit moment aan een debuutroman.