INTERVIEW MET FATMA KOSER KAYA

Genoeg van het wild, wilder, Wilders

Op interviewverzoeken waarin ze alleen wordt aangesproken op haar allochtone achtergrond gaat Kamerlid Fatma Koser Kaya van D66 liever niet in. Nu voor één keer wel, want ze maakt zich kwaad over het eenzijdige beeld van migranten in het integratiedebat.

HALVERWEGE HET GESPREK zitten we nog vrolijk Brabantse carnavalsliedjes te zingen: Bergen op Zoom tegen Helmond. Later is die lichtheid weg. Na ruim een uur praten heeft D66-Tweede-Kamerlid Fatma Koser Kaya zichtbaar de pest in. Alsof ze zichzelf geweld heeft aangedaan. ‘Ik heb nu een keer gezegd wat ik vind van de huidige discussie over allochtonen. Dat is het. Want ik voel nu ook meteen waarom het me zo tegen de borst stuit. Ik stel mezelf nooit de vraag of ik geïntegreerd ben, het zijn anderen die dat doen.’
Ze was al opgestaan, maar komt weer zitten, haar vinger priemend in de stof van de bank. ‘Al toen ik moest kiezen voor de middelbare school in Bergen op Zoom koos ik voor de meest vrijzinnige school. Ik wil niet bij een groep horen. Daarom voel ik me ook zo thuis bij D66. Ik wil niet worden aangesproken op slechts een stukje van mijn identiteit. Zelf accepteer ik me als een Nederlander met een Turkse achtergrond, maar sinds ik in de Kamer zit, word ik voordurend door anderen aangesproken op dat ene stukje, die Turkse achtergrond. In de elf jaar dat ik als advocaat in de juridische dienstverlening werkte, is er door al die honderden cliënten nooit gevraagd naar mijn buitenlandse achtergrond. Niemand vroeg of ik dat werk wel kon. En dat waren voor het merendeel toch autochtone cliënten. Maar sinds ik hier ben…’

Het is de ochtend na het spoeddebat in de Tweede Kamer over de Marokkaanse ‘rotjochies’ in de wijk Oosterwei in Gouda. Zelf heeft ze dat debat niet gevoerd, maar dat de toon in de Kamer de afgelopen jaren is verhard, weet ze maar al te goed. Dat is juist waarom ze voor een keer wel als Kamerlid met een allochtone achtergrond haar mond open doet in het integratiedebat. ‘Tien, twintig jaar geleden had niemand oog voor de problemen van de mensen in wijken als Oosterwei of de Haagse Schilderswijk, noch voor die van de autochtonen, noch voor die van de allochtonen. Als toen iemand zei: “Het wordt hier zwart”, schoot iedereen in een reflex. Rechts riep: “Het wordt te vol”, links: “Dat mag je niet zeggen, ze zijn zielig.” Maar de allochtonen vonden het er ook te zwart worden. Die wonen vaak ook niet voor de lol in die wijken. Die verhuizen ook liever naar Almere of Zoetermeer. Maar de discussie werd gevoerd over de hoofden van de mensen heen. Ook nu weer.
Nu durven we het allemaal te benoemen. Natuurlijk mag je een relschopper een relschopper noemen. Natuurlijk spelen er culturele achtergronden. Maar ik zie niet in waarom we daar zo spastisch over moeten doen hier. Rechts wordt steeds harder, dat wordt onhoudbaar. De grootste groep migranten heeft er de buik vol van, zowel van de rotjochies als van het wild, wilder, Wilders. Maar moet die groep dan de straat op gaan?’
Op de vraag of politieke partijen hun toon verharden om kiezers te winnen, is het aanvankelijke antwoord: ‘Dat moet je aan anderen vragen, wij bij D66 doen dat niet.’ Maar later in het gesprek laat ze zich ontvallen dat het daar natuurlijk wel om te doen is: ‘Ze denken dat het steeds luider moet, om beter over te komen. Maar is het ook effectief? Ik denk dat mensen resultaten willen zien, niet alleen een hoge toon willen horen. Ik vind ook dat we zo eerlijk moeten zijn om te zeggen dat de problemen niet in één dag op te lossen zijn.
Ik hoef niet de zoveelste rel over het schudden van handen. Daar is nu wel genoeg discussie over geweest. Iedereen heeft daarin een standpunt kunnen bepalen. Maar in de praktijk kan ik jou niet dwingen een ander een hand te geven. Discussie over het opstaan voor de rechtbank is niet nodig. Als de regel is dat advocaten opstaan als de rechter binnenkomt, dan heeft een advocaat zich daaraan te houden.
We blijven hier in Den Haag altijd hangen in relletjes en kleine oplossingen. Nu is naar aanleiding van Gouda weer geopperd dat rechters de wijken in moeten. Maar is dat de taak van een rechter? De politie hoort daar rond te lopen. Wij kunnen in Den Haag wel kijken of die genoeg bevoegdheden heeft en of er voldoende agenten zijn, maar de oplossing ligt in de buurten zelf, niet hier in Den Haag. Dat is zelfoverschatting van de Tweede Kamer. Misschien ook wel onmacht. We zouden hier het liefst een pasklaar antwoord hebben, maar dat is er niet.
Dat minister Vogelaar van Integratie niet bij dat spoeddebat zat vorige week maar alleen de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, was eigenlijk veelzeggend voor de manier waarop we in Den Haag bezig zijn. Eerlijk gezegd is minister Vogelaar zo afwezig in het totale debat dat ik me gisteren niet eens heb afgevraagd waarom ze er niet bij was.
We hebben het in de Kamer nooit over de grote thema’s, over de integrale visie. Het zou hier in Den Haag moeten gaan over het niveau van het onderwijs, over het dichtslibben van de huizenmarkt waardoor mensen niet uit die wijken kunnen doorstromen naar Almere, over de hypotheekrenteaftrek die daar mede debet aan is, over banen en dus het ontslagrecht dat de arbeidsmarkt voor jongeren – de allochtone én de autochtone – verstopt houdt. Over die tweedeling, tussen de insiders en de mensen die buiten de arbeidsmarkt staan, zouden we het moeten hebben.
Vooral ontwikkeling is belangrijk. Dat gaat via onderwijs. Als ik de Amsterdamse stadsdeelvoorzitter Marcouch hoor over een beschavingsoffensief, dan is het voor mij alsof hij het heeft over het eten met mes en vork en netjes met twee woorden spreken. Maar een beschaafd volk is een ontwikkeld volk. Alleen met goed onderwijs, ook op vmbo-niveau, kun je ervoor zorgen dat kinderen de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven leren nemen.
Het probleem is dat we mensen met een allochtone achtergrond voortdurend benaderen als groep. De vraag is of dat leidt tot een oplossing. Vroeger was Nederland een verzuild land, nu is de samenleving veel individualistischer. Maar dat geldt blijkbaar niet voor de moslims. Die zien we nog als een aparte zuil. Maar wie vertegenwoordigt hen dan? Wie zijn dan de voormannen die namens hen kunnen spreken? Allochtonen worden altijd benaderd als anders. Maar ik ben niet anders.’

Op haar zesde kwam Koser Kaya naar Nederland, naar Brabant. Dat ze ook daar een deel van haar identiteit vandaan heeft, betuigt ze al zingend als we plaatselijke carnavalsliedjes vergelijken. Het Brabants uit Bergen op Zoom blijkt voor een Oost-Brabantse moeilijk te verstaan. Koser Kaya is ook duidelijk tekstvaster. ‘Je kunt je achtergrond niet losknippen. Ik ben Fatma, Turks, moslim, maar ook nog veel meer. Er is wel eens de vraag opgeworpen of het woord “allochtoon” moet worden afgeschaft. Ik heb me dat zelf ook afgevraagd. Maar als je dat doet, krijgt het wel weer een andere naam. We hebben ook al “gastarbeider” gehad, en “buitenlander”. Het punt is veel meer dit: waarom wordt Marcouch in de media alleen aangesproken over de problemen met Marokkaanse jongeren? Over die problemen kan ook Han Entzinger (socioloog en hoogleraar – red.) worden benaderd. Ik wil Marcouch wel eens horen over een ander onderwerp dat in zijn stadsdeel speelt.
Toen het het afgelopen jaar in de media ging over de film Fitna van PVV-fractieleider Geert Wilders heb ik de televisie nog nooit zo gekleurd gezien: allemaal allochtonen. Maar waar zijn die als het gaat over iets dat speelt in een ziekenhuis of in de rechtbank? Waar zijn de gekleurde artsen, advocaten, architecten? Waarom maken we ze niet zichtbaar in hun professie? Ik ben er vrij zeker van dat bijna niemand weet dat de bekende dokter Oz uit het televisieprogramma van Oprah Winfrey een Turkse achtergrond heeft. Waarom worden de allochtonen hier altijd alleen op hun allochtoon zijn aangesproken?
We houden elkaar gevangen. Die vicieuze cirkel moet doorbroken worden. Dat kan alleen door elkaar op een andere manier aan te spreken. Nu gooien we mensen steeds terug in een groep. We moeten ons daar, over en weer, niet voor laten gebruiken. Dé allochtoon bestaat niet, dé Marokkaan bestaat niet, dé Nederlander ook niet. Daarom zijn er ook geen pasklare antwoorden. Dat doorbreken van die cirkel lukt alleen met een volwassen houding. Met een positieve benadering. Ik, Fatma, houd van boerenkool en ook van gevulde wijnbladeren, al kan ik ze niet zelf maken. Ik spreek twee talen vloeiend. Ik ben geworden wie ik ben met hulp van mijn familie, mijn vrienden, mijn studie. Daar ben ik trots op. Ik heb iets toe te voegen.’