Populairste politicus van Amerika

Genuanceerd martelen

Opnieuw blijkt senator John McCain niet de liberaal die zowel Democraten als Europeanen zo graag in hem zien. Over een conservatieve Republikein met eergevoel.

Lange tijd lag juist hij dwars, samen met de Republikeinse senatoren Warner en Graham, maar afgelopen week verdedigde hij op de senaatsvloer, met ziel en zaligheid, de nieuwe wet die de president aanzienlijk meer bevoegdheden geeft in zijn oorlog tegen het terrorisme. Zo mag de president voortaan zelf de criteria bepalen waaraan een opgepakte terreurverdachte moet voldoen om de status ‘vijandelijke strijder’ te krijgen. Voldoet een gevangene aan die criteria, dan vervallen de beroepsmogelijkheden, zijn tenlastelegging noch huiszoekingsbevelen vereist, en is inhumane ondervraging in het verleden geen grond voor vrijlating. Goed, de wet verbiedt martelen volgens enkele zeer breed uit te leggen definities, maar tegelijk hoeven ondervragers niet naar de letter van het Verdrag van Genève te handelen. De leidraad is een nieuwe handleiding voor ondervragingsmethoden, opgesteld door het Witte Huis. John McCain had van zijn strijd tegen het martelen een halszaak gemaakt. Niet alleen omdat hij niet gelooft in het nut ervan – McCain was zelf slachtoffer van marteling, in de vijfenhalf jaar die hij doorbracht als krijgsgevangene in het Hanoi Hilton in Vietnam – maar ook om de morele superioriteit van Amerika te beschermen. Als wij de regels van internationale verdragen buigen, was zijn redenering, is er geen enkele reden voor andere landen om niet hetzelfde te doen.

Maar nu, een maand voor de congresverkiezingen, zegt hij tevreden te zijn met de military commissions act. Hij stemde voor en vroeg zijn collega’s hetzelfde te doen. Slechts een derde van de senaat stemde tegen, op één na allemaal Democraten.

Na ellenlange onderhandelingen met het Witte Huis, en vooral met het kantoor van vice-president Cheney, is er met McCain een compromis gesloten. McCain is blij, zo zei hij op de vloer van de senaat, dat de methoden nu tenminste worden gespecificeerd, net als de criteria voor ‘vijandelijke strijders’. Dat de president dat recht tot specificatie heeft gekregen, stemt Democraten en de buitenlandse pers somber, maar geeft de Republikein McCain juist vertrouwen. De senator uit Arizona beweert zelfs dat de wet strookt met internationale verdragen als dat van Genève. ‘The conventions are preserved intact’, zei hij in zijn positieve stemadvies. ‘Ik ben blij dat deze wet het verdrag van Genève op geen enkele manier amendeert, herdefinieert of aanpast.’

Het veelbesproken waterboarding (verdachten onder water houden) is volgens McCain nu eindelijk strafbaar. Ook maakt de wet het onmogelijk bewijs aan te voeren dat is verkregen door ‘wrede en onmenselijke behandeling’ (lees: martelen). Maar om niet alle ‘vijandelijke strijders’ te moeten vrijlaten, maakt de wet een uitzondering voor bewijs dat verzameld werd voor 1 januari 2006. De Democratische senaatsleider Harry Reid noemt de wet mede daarom ‘een historische vergissing’.

De druk op McCain en de twee andere rebellerende Republikeinse senatoren moet enorm zijn geweest, zo’n maand voor de tussentijdse verkiezingen. De Republikeinse partij zou daarin de meerderheid in het congres kunnen kwijtraken, en daarmee de macht over de invloedrijke senaatscommissies. Deze wet kan helpen, zeggen Republikeinse partijstrategen. Al direct na de stemming beschuldigde de Republikeinse congresleider Hastert tegenstemmende Democraten ervan ‘terroristen te knuffelen’. Het is cynische politiek waar McCain, als grote uitzondering, zelden aan mee leek te doen. Daarom is zijn ogenschijnlijke ommezwaai voor veel Democratisch stemmende Amerikanen een enorme teleurstelling. De man werd principes toebedeeld, zeker toen bleek dat zijn strijd tegen het kantoor van Dick Cheney fanatieke trekjes vertoonde. Al jaren is McCain de populairste politicus van Amerika en in het afgelopen jaar bleek zelfs dat meer Democraten (59 procent) hem waarderen dan partijgenoten (56 procent). Daar zijn ook wel redenen voor te vinden. McCain streed jarenlang met de meest liberale Democraat in de senaat, Russ Feingold (die nu pleit voor de officiële afzetting van Bush), voor het beperken van de manieren waarop politici geld mogen ophalen voor hun verkiezingscampagnes. Ook strijdt hij voor een ruimhartiger immigratiebeleid – het wetsvoorstel daartoe schreef hij samen met Edward Kennedy, broertje van – en is hij in het congres een van de leidende alarmisten in het debat over de opwarming van de aarde.

Maar wat Democraten het meest aan hem waardeerden, was zijn ongekend felle strijd, in 2000, tegen de huidige president, voor het kandidaatschap van de Republikeinse partij. Het werd een smerige strijd, waarin McCain zijn Waterloo vond in South Carolina, toen hij zei de vlag van de zuiderlingen uit de burgeroorlog te associëren met ‘racisme en slavernij’, wat het niet goed doet bij rechts in de zuidelijke VS.

De liefde van Democraten voor McCain ging daarna zo ver dat John Kerry hem al in een vroeg stadium van de vorige verkiezingscampagne vroeg om zijn running mate te worden. Bij winst (de peilingen voorspelden voor een tandem Kerry-McCain een reuzenoverwinning van negentien procent verschil) zou McCain niet alleen vice-president worden, maar ook minister van Defensie. Ondanks herhaaldelijk aandringen achter de schermen weigerde McCain. ‘Ik zou een vice-president zijn zonder land’, zei hij een jaar na de verkiezingen tegen een verslaggever van het weekblad The New Yorker. ‘Bovendien zou bij plotseling overlijden van president Kerry de kiezer zijn bedrogen met een conservatieve Republikein in het Witte Huis.’

Een andere verklaring voor zijn weigering is dat McCain nadrukkelijk mikt op het presidentschap, niet op het vice-presidentschap of een ministerspost. Daarvoor moet hij eerst worden gekozen tot presidentskandidaat door de meest fanatieke van zijn eigen partijleden, want alleen die komen opdagen bij voorverkiezingen. Probleem is dat juist zij in 2000 partij kozen voor George W. Bush, zoals de machtige Republikeinse gouverneurs en de leiders van religieus rechts, die er alles aan deden – veel rumoer en geld – om het presidentschap niet in handen van McCain te laten vallen, een man die ze nooit hebben vertrouwd, ondanks zijn consequente anti-abortusstandpunt. De wapenlobby deed de rest van het sloopwerk. Een Republikeinse campagnemedewerker – wiens voornaamste wapenfeit eruit bestaat dat hij in 2000 ontdekte dat de zelfverklaarde milieubeschermer Al Gore een tinmijn bezat die veelvuldig de milieuwetgeving overtrad – vertelde eens omstandig over zijn grondige hekel aan McCain, die hij ‘knotsgek’ noemde en ‘opvliegend van karakter’. ‘Als ik voor McCain zou moeten werken’, zei hij met grote stelligheid, ‘neem ik direct ontslag.’ Het zou wel eens zo kunnen zijn, suggereerde vriend en vijand afgelopen week, dat McCain voor de nieuwe wet heeft gestemd om met het oog op 2008 de partijkaders niet nog verder tegen zich in het harnas te jagen.

Misschien, maar het is niet de enige reden. De teleurstelling in McCain zegt ook iets over de naïviteit van zijn Democratische en Europese fans. Want hoewel de senator met het stoere oorlogsverleden de partijdiscipline inderdaad dikwijls aan zijn laars lapt, is hij aanzienlijk conservatiever dan veelal gedacht. Zelf wijst hij daar ook vaak op. Hij begint dan over zijn onverminderde steun voor de oorlog in Irak, die hij bij voortduring een ‘nobele zaak’ noemt. Er zijn volgens McCain te weinig troepen gestuurd, niet te veel. Hij klaagt dan permanent over Europa’s passiviteit in de oorlog tegen het terrorisme en verklaart dat Amerika zijn macht juist vaker, niet minder vaak moet inzetten om zijn waarden te verspreiden. Tijdens een ontbijt met Duitse officieren en bureaucraten schoot hij zelfs zo ongenadig uit zijn slof dat het volgens ooggetuigen aan het onbeschofte grensde. En tegen The New Yorker zei hij in mei vorig jaar dat ‘de geschiedenis ongelooflijk gunstig’ over Bush zal oordelen. Verder is McCain voor de doodstraf, tegen homo’s in het leger en het recht op abortus en stemde hij afgelopen jaar voor een bepaling die het verbod op het verbranden van de vlag opneemt in de grondwet. Zijn strijd voor een soepeler immigratiewetgeving pleziert niet alleen hispanics, maar vooral ook multinationals en het midden- en kleinbedrijf, die hun (illegale) werkkrachten goedkoop willen houden. Ook McCains strijd tegen de zogenoemde wetsoormerken (het belonen van donateurs in extra wetsbepalingen die onbesproken blijven in het congres) kan worden gezien als onderdeel van zijn liefde voor een zo klein mogelijke overheid. En om de schande uit te wissen van zijn (betrekkelijk kleine) aandeel in de ‘Keating-five’, een lobbyschandaal dat hem onderwerp maakte van een onderzoekscommissie.

Toch zal de kater van de Democraten in 2008 minder groot zijn na een overwinning van McCain dan na de verkiezingen van 2000 en 2004. Een Democratische campagnemedewerker vertelde dat hij na Kerry’s verlies drie dagen lang in bed was blijven liggen, opgerold als een foetus. De enige keren dat hij eruit kwam, was om de deur te openen voor de pizzakoerier.

Want of je het nu met McCain eens bent of niet, de man lijkt integer en bekwaam en bezit een overdosis aan eergevoel. Al stelt hij te veel vertrouwen in de president bij het bepalen van de toelaatbaarheid van ondervragingstechnieken, good government betekent voor hem niet alleen campagne voeren en reclame maken, maar ook het daadwerkelijk uitvoeren van wetten en plannen. Bij Bush wil dat nog wel eens mislukken, laat ook McCain niet na af en toe op te merken, door inschattingsfouten, vriendjespolitiek of schier bestuurlijke onkunde – en een combinatie van deze drie.

En dan zijn eergevoel. McCain herinnert zich nog goed, zo blijkt uit zijn autobiografie Faith of My Fathers, hoe zijn vader op hem inpraatte toen die hem naar de Naval Academy reed, begin jaren vijftig. De oude McCain peperde hem voor de zoveelste keer, maar sterker dan ooit, het belang in van eer, karakter en plicht. Dat zijn voor McCain geen loze woorden. Omdat zijn vader, een viersterrenadmiraal, als legerleider een belangrijke rol speelde in de Vietnamoorlog, boden de Noord-Vietnamezen hem, als propagandastunt, een paar keer vervroegde vrijlating aan. Maar McCain weigerde, omdat zijn vader hem had opgedragen altijd de meest eervolle weg te kiezen. Hij weigerde als zoontje-van vruchten te plukken die voor anderen onbereikbaar bleven, al bezweek hij bijna onder de fysieke aftakeling. Al kan niemand het bewijzen, maar onder vriend en vijand is het vermoeden gerezen dat vader Bush – ook een oorlogsveteraan – die noodzakelijke gesprekken te zelden met zijn zoon heeft gevoerd.