De Tweede Wereldoorlog - Het Derde Rijk in historische context

Geobsedeerd door de nazi’s

De Tweede Wereldoorlog eindigde zeventig jaar geleden, maar hij is nog niet voorbij. Ook nu er vrijwel geen levende getuigen meer zijn, is onze cultuur nog steeds doordrenkt van de herinnering aan het nazisme en het Derde Rijk. Waarom zijn we zo geobsedeerd door de nazi’s? Terwijl ook Stalin en Pol Pot miljoenen mensen vermoordden, zien we Hitler als de ultieme belichaming van het kwaad, aldus Richard J. Evans.

Medium evans

Waarom zijn we nog steeds zo geobsedeerd door de nazi’s? Er gaat nauwelijks een dag voorbij zonder televisieprogramma of krantenstuk over hen. Films waarin nazi’s voorkomen blijven maar geproduceerd worden, van Tarantino’s Inglourious Basterds tot Polanski’s The Pianist. De misdaden van de nazi’s blijven ons achtervolgen. Een van de huidige manifestaties daarvan is het grote aantal kunstwerken dat zij hebben gestolen of aan het eigendom van hun oorspronkelijke joodse bezitters hebben ontfutseld; duizenden van deze culturele voorwerpen hangen en staan in galerieën en musea over de hele wereld, wachtend op de erfgenamen van degenen die ze zijn kwijtgeraakt om hun wettig bezit te komen opeisen. Zo nu en dan wordt er zelfs nog een ex-nazi vervolgd wegens oorlogsmisdaden.

In heel Europa lijkt het politieke protest in sommige arme of door de crisis getroffen gebieden steeds meer neonazistische trekjes aan te nemen, of het nu om de Griekse Gouden Dageraad gaat met zijn swastika-achtige logo en hang naar geweld, om de antisemitische schurken van het Azov-bataljon dat in oostelijk Oekraïne vecht onder een banier dat nog meer op een hakenkruisvlag lijkt dan de Griekse, of om de Hongaarse Jobbik-partij, met zijn ultranationalistische eisen inzake de teruggave van grote stukken grondgebied van de omringende staten, die van Hongarije zijn afgenomen bij het Verdrag van Trianon uit 1920.

De leiders van de Gouden Dageraad zitten voor het merendeel in de gevangenis op grond van de verdenking van betrokkenheid bij de moord op een antifascistische rapper, hoewel de partij bij de recente Griekse verkiezingen nog steeds ruim zes procent van de stemmen trok. Jobbik deed het stukken beter, met twintig procent van de stemmen bij de jongste verkiezingen in Hongarije. Het lijkt erop dat de aantrekkingskracht van het nazisme voortleeft bij sommige delen van antisemitisch extreem-rechts, dat tegen immigratie is. Dergelijke groeperingen kunnen wel ontkennen dat zij ook maar iets te maken hebben met het nazisme, maar dat heeft de organisator van de islamofobe demonstraties van de Pegida-beweging in Oost-Duitsland, Lutz Bachmann, er niet van weerhouden met een Hitler-snorretje en een lok zwart haar over zijn voorhoofd te poseren.

Het gebaar van Bachmann, dat hem tijdelijk het leiderschap van Pegida kostte, duidt op een cruciale factor in de krachtige greep die de herinnering aan het nazisme op onze cultuur blijft houden. Hitler fascineert ons niet in de laatste plaats omdat hij met terugwerkende kracht de ultieme belichaming van het kwaad lijkt. Stalin heeft miljoenen mensen vermoord uit naam van wat hij als sociale vooruitgang beschouwde; Pol Pot gaf leiding aan een soort genocide op zijn eigen volk in Cambodja om alle sporen van de moderne wereld uit te wissen; de Rwandese Hutu’s sloegen, schoten en staken een miljoen van hun etnische rivalen, de Tutsi’s, dood – in het geloof dat zij zich zo konden bevrijden van onderdrukking; de Jonge Turken vermoordden in de nadagen van het Ottomaanse Rijk ruim een miljoen Armeniërs uit naam van de nationale eenheid, de religie en de etnische homogeniteit. Maar slechts Hitler roeide doelbewust miljoenen mensen uit louter op grond van hun ras. Alleen Hitler gebruikte speciaal voor dat doel gebouwde gaskamers en liet de lichamen van de slachtoffers systematisch exploiteren voor economische doeleinden. Alleen Hitler ontketende doelbewust een oorlog van Europese en – uiteindelijk op z’n minst ook qua intentie – wereldverovering, gepland vanaf het moment dat hij aan de macht kwam, zo niet eerder.

Het moordzuchtige beleid van Hitler kan net zo min als dat van Stalin ‘barbaars’ of ‘middeleeuws’ worden genoemd, zoals dat van vele anderen. De ideologie die ten grondslag lag aan Stalins beleid van massa-executies stierf in 1989 met de ondergang van het communisme, maar het racisme dat ten grondslag lag aan Hitlers beleid leeft voort in talloze vormen die de wereld vandaag de dag blijven plagen. Het Derde Rijk vertegenwoordigt de meest extreme vorm van racisme: in nazi-Duitsland kwam alles neer op ras.

Alleen raciaal goedgekeurde huwelijken waren toegestaan, aan partners die gewapend waren met een certificaat van hun ‘arische’ afkomst. Moderne kunst werd als ‘gedegenereerd’ veroordeeld, omdat Hitler dacht dat die deel uitmaakte van een wereldwijde samenzwering van joden die er op uit waren de Duitse cultuur te vernietigen. ‘Asociale’ Duitsers, alcoholici, kleine criminelen, zwervers, Duitsers van gemengd bloed en de ‘arbeidsschuwen’ werden gedwongen gesteriliseerd om ervoor te zorgen dat zij hun vermeende gebreken niet aan de volgende generatie zouden doorgeven. Homoseksuelen werden vermoord, omdat ze een gevaar vormden voor het arische ras en zijn viriliteit zouden ondermijnen. Zigeuners werden afgeslacht omdat de nazi’s dachten dat ze erfelijk belast waren met criminaliteit. Het officiële ‘Algemene Plan voor het Oosten’ uit de oorlog voorzag in de doelbewuste uitroeiing door honger en ziekten van maar liefst 45 miljoen Slavische inwoners van Oost-Europa na de overwinning van de nazi’s, om ruimte te maken voor Duitse kolonisten. Dit was geplande genocide op een welhaast onvoorstelbare schaal.

En dan is er nog het feit dat de nazi’s aan de macht kwamen in een moderne Europese samenleving met prachtige steden, klassieke gebouwen en drukke kosmopolitische straten; een economisch en technologisch geavanceerde en cultureel onderlegde samenleving, het land van Bach, Beethoven en Brahms, van Richard Strauss, Thomas Mann en Bertolt Brecht, van Goethe en Schiller, Caspar David Friedrich en de moderne schilders van Die Brücke en Der blaue Reiter. De nazi’s en degenen die hen dienden hielden van moderne technologie, racewagens, autowegen, film, televisie, raketten, straalvliegtuigen – zelfs van de atoombom, hoewel ze nooit slaagden in hun pogingen er een te vervaardigen. Dit maakt het des te makkelijker om ons hun situatie in te denken en ons af te vragen wat wij zouden hebben gedaan als we in het Derde Rijk zouden hebben geleefd.

Medium evans3

Het nazisme, de samenleving die het heeft geschapen, de wereld van het Derde Rijk en de mensen die daarin woonden verschijnen als een soort moreel drama, waarin de vraagstukken met een helderheid aan ons worden voorgelegd die we niet meer kunnen bereiken in de moreel complexe, verwarrende en gecompromitteerde wereld waarin we vandaag de dag leven. Het is een gemeenplaats geworden om de inwoners van nazi-Duitsland en van de landen die het heeft veroverd en bezet als ‘daders’, ‘slachtoffers’ en ‘omstanders’ te classificeren. Zo lijkt het Derde Rijk één grote criminele daad die met terugwerkende kracht moet worden beoordeeld, alsof de geschiedenis een gerechtshof is. Zo nu en dan knikken we in de richting van de weinigen die zich hebben verzet, maar hun aantal stelt niets voor in vergelijking met dat van degenen die voor schuldig of onschuldig worden gehouden, de actieve criminelen en hun passieve slachtoffers.

Toch hebben we de geschiedenis van het nazisme niet altijd op deze manier benaderd. Het overwegend morele perspectief van waaruit Hitler en het Duitsland dat hij schiep tegenwoordig worden beoordeeld, is van betrekkelijk recente herkomst. Lange tijd na afloop van de oorlog die hij in september 1939 ontketende en vijfenhalf jaar later verloor was Hitler een betrekkelijk veronachtzaamd onderwerp onder historici, net als de nazibeweging en de nazistaat. Het bewijsmateriaal stapelde zich op voor de processen van Neurenberg, maar de nadruk lag heel erg op ‘oorlogsmisdaden’. De jaren vóór 1939 bevonden zich min of meer buiten het zichtveld van de aanklagers, en de dodenkampen van Treblinka, Auschwitz en elders waren niet het centrale onderzoekspunt.

De processen werden snel vergeten, althans voor een tijdje. In Duitsland zette een soort collectief geheugenverlies in, slechts ondermijnd door wrok tegen de processen zelf, het indringende proces van ‘denazificatie’, de wrede verdrijving van twaalf miljoen etnische Duitsers uit Oost-Europa aan het einde van de oorlog en de massale bombardementen op Duitse steden in de laatste fase van de oorlog. In de landen die voorheen door nazi-Duitsland waren bezet, zoals Frankrijk, wilden de mensen herinnerd worden aan het verzet. In het Oostblok vierden (en overdreven) communistische regeringen de rol van het communistische verzet, hoewel ze er tegelijkertijd voor kozen de ex-nazi’s in de nieuwe samenleving die zij aan het bouwen waren te integreren, in plaats van ze rekenschap te laten afleggen voor hun misdaden. In Groot-Brittannië herinnerden de mensen zich de oorlog, het stoïcisme van de bevolking tijdens de Blitzkrieg en de prestaties van de Britse strijdkrachten, maar verder niet zo veel.

Pas eind jaren zestig begonnen de zaken te veranderen. Voor de Duitsers was de sleutelvraag hoe en waarom de nazi’s aan de macht waren gekomen. De Duitse Bondsrepubliek, met zijn hoofdstad in de Rijnlandse universiteitsstad Bonn, had legitimiteit verworven dankzij het Wirtschaftswunder van de jaren vijftig, maar was nog steeds niet veel ouder dan wat Duitslands eerste democratie, de Weimar-republiek, was geworden toen die plaats moest maken voor Hitlers Derde Rijk. De mensen vroegen zich nerveus af of Bonn Weimar was. Politieke wetenschappers en historici onderzochten de redenen voor de kwetsbaarheid van de instellingen van Weimar en kwamen geruststellend tot het antwoord ‘nee’.

In de jaren zeventig deden ook de sociale wetenschappen een duit in het zakje. Nazidocumenten waren in grote hoeveelheden beschikbaar gekomen, een jongere generatie West-Duitse historici was eraan gaan werken, en onderzoekers in Engeland en Amerika reisden naar Duitsland om hun voordeel te doen met de vrijgave ervan. De nadruk kwam te liggen op hoe ‘gewone’ Duitsers zich in het alledaagse leven hadden gedragen, in hoeverre zij het regime hadden gesteund en in hoeverre zij zich ertegen hadden verzet. Het zal geen verbazing wekken dat uit het onderzoek een grote hoeveelheid antwoorden naar voren kwam, uiteenlopend van fanatiek enthousiasme tot ondergronds verzet, grotendeels van vroegere communisten en sociaal-democraten.

Het Duitse bedrijfsleven heeft blijk gegeven van een eerlijke benadering van zijn betrokkenheid bij de nazi-misdaden

De pionier van deze aanpak in Duitsland, Martin Broszat, directeur van het in München gevestigde Instituut voor Hedendaagse Geschiedenis, heeft leiding gegeven aan een omvangrijk project waarvan het verslag, dat verscheen in zes kloeke delen, aantoonde dat de meeste Duitsers in veel opzichten met het regime onder een hoedje hadden gespeeld, maar zich hadden verzet als het inbreuk maakte op hun diepste overtuigingen, vooral op religieus gebied. Veel gewone mensen mopperden over hun levensstandaard, waren pessimistisch over de oorlog, bekritiseerden de corruptie van leidende nazi’s en waren over het algemeen niet zo enthousiast over hoe de zaken zich ontwikkelden, vooral als de economie in het slop zat, zoals in 1935, of toen de oorlog verkeerd begon te gaan, vanaf begin 1943. Maar Hitler wist hun loyaliteit bijna tot aan het eind te behouden.

Voor de historici van de jaren zeventig en tachtig, en niet slechts in Duitsland zelf, was het belangrijk zo objectief mogelijk te blijven, vooral met het oog op de politieke vooringenomenheid en rechtse parti pris van de oudere traditie der geschiedschrijving, die Duitse historici ertoe had gebracht met de nazi’s te sympathiseren en daarna, na de oorlog, te betogen dat hun ideeën niet echt Duits waren geweest of dat de val van de Weimar-republiek was veroorzaakt door de harde opstelling van de geallieerden tegenover het verslagen Duitsland bij het verdrag van Versailles. Nazi-Duitsland werd afgeschilderd als een land dat werd bezet door een kleine groep gangsters, waartoe de grote meerderheid van het volk afstand had bewaard. Voor de jongere generatie historici zouden de theorieën en methoden van de sociale wetenschappen helpen een minder eenzijdig en meer waarheidsgetrouw beeld van het Derde Rijk te schetsen.

Het nazisme moest dus worden behandeld als ieder ander historisch verschijnsel, met gebruikmaking van de methoden van de moderne historische wetenschap, zonder morele oordelen en veroordelingen. Bij het bepleiten van deze zienswijze bouwde Broszat voort op zijn ervaring – en die van zijn collega’s – bij het leveren van rapporten voor de processen tegen nazi-oorlogsmisdadigers, met name de Auschwitz-processen van 1964, waarbij het Münchense instituut voorzag in beëdigde verklaringen met betrekking tot kwesties als de vraag of de kampbewakers van de SS gedwongen waren te kiezen tussen het begaan van wreedheden en het voor de krijgsraad verschijnen wegens ongehoorzaamheid, of de vraag hoe de concentratiekampen tot stand waren gekomen en hoe ze werden geleid.

Maar deze nuchtere aanpak, die door Broszat de ‘historisering’ van het Derde Rijk werd genoemd, stuitte op kritiek van de Israëlische historicus Saul Friedländer, die betoogde dat het eenvoudigweg verkeerd was om nazi-Duitsland op dezelfde manier te behandelen als zestiende-eeuws Frankrijk of middeleeuws Italië. De misdaden van de nazi’s waren zo buitengewoon en extreem dat het op deze manier historiseren van het Derde Rijk inhield dat je het belang van het antisemitisme en de uitroeiing van de joden door Hitler en de nazi’s uit het oog verloor. De jongere historici van de jaren zeventig en tachtig concentreerden zich op zaken als de medeplichtigheid van Duitse elites aan de opkomst en de triomf van het nazisme, en op de lange wortels van het Derde Rijk in de sociaal-politieke geschiedenis van negentiende-eeuws Duitsland. Maar als je dat deed, zo betoogde Friedländer, verdoezelde je de kloof die nazi-Duitsland scheidde van iedere normale historische periode.

De ouders van Friedländer waren allebei in Auschwitz vergast en hijzelf zou een belangrijke, uit twee delen bestaande studie schrijven over nazi-Duitsland en de joden (verschenen in 1997 en 2007), waarin op ontroerende wijze de individuele verhalen van de vervolgden en vermoorden werden samengebracht met een gedetailleerd verslag van het antisemitische beleid en de tenuitvoerlegging daarvan. Het voldeed aan alle eisen van de moderne historische wetenschap, maar bracht tegelijkertijd een nauw gevoel van identificatie over met de slachtoffers die de voornaamste onderwerpen van dat verhaal waren.

Toch was het hele historische landschap veranderd tegen de tijd dat de studie verscheen. In de jaren negentig was de generatie Duitsers die onder het Derde Rijk de juridische, medische en andere sectoren had gevuld van het toneel verdwenen, waardoor de weg vrij kwam voor jongere mensen die niets te verbergen hadden. Een stroom van historische studies liet zien dat rechters en advocaten betrokken waren geweest bij de onterechte berechting en executie van duizenden gewone mensen die niets anders hadden gedaan dan het regime bekritiseren. De nauwe betrokkenheid van de medische beroepsgroep bij de moord door vergassing en dodelijke injecties op mensen die geestesziek of gehandicapt waren werd onthuld en onder de aandacht van het publiek gebracht. Een reizende tentoonstelling van foto’s documenteerde de wreedheden die door de reguliere Duitse strijdkrachten waren begaan aan het oostfront. Dit leidde tot demonstraties in München waarbij de terugtrekking van de tentoonstelling werd geëist. Critici ontdekten een paar onnauwkeurigheden, maar die werden snel verwijderd en ondermijnden de boodschap van de tentoonstelling niet.

Een linkse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, boos over de vergoelijkende necrologieën van gepensioneerde diplomaten, waarin hun activiteiten tijdens de Hitler-tijd onder het tapijt werden geschoven, gaf opdracht tot een grootschalig onderzoek van professionele historici. Daaruit bleek gedetailleerd hoe nauw diplomaten betrokken waren geweest bij de centrale misdaad van het Derde Rijk: het oppakken van joden in de door de nazi’s bezette landen, hun deportatie en de moord op hen in Auschwitz. Onder druk van de Amerikaanse publieke opinie in het bijzonder namen grote Duitse bedrijven, die belangen op het spel hadden staan aan de overkant van de Atlantische Oceaan, historici in de arm om te schrijven over hun rol in de nazi-economie, hun gebruik van slavenarbeid onder mensonterende en dikwijls moordzuchtige omstandigheden, hun exploitatie van de gouden gebitsvullingen die werden verwijderd uit de lichamen van in Auschwitz vergaste joden, en andere misdaden.

Medium evans2

Er werden toen zeker pogingen in het werk gesteld om dit alles te verdoezelen, en dat gebeurt nog steeds, het meest recent in de officiële geschiedenis die is verschenen om het tweehonderdjarig bestaan te vieren van de ijzer-, staal- en wapenfirma Krupp in 2011, waarin niet adequaat wordt ingegaan op de wrede behandeling van de slavenarbeiders die het bedrijf tijdens de oorlog inzette, en waarin veel andere duistere aspecten van zijn verleden worden genegeerd. Maar over het geheel genomen heeft het Duitse bedrijfsleven, althans recentelijk, blijk gegeven van een open en eerlijke benadering van zijn betrokkenheid bij de misdaden van het nazisme, om te kunnen getuigen van zijn morele afkeuring en zichzelf ervan te distantiëren.

Dit werk werd aangedreven door een sterke morele impuls die zijn kracht aan een aantal bronnen ontleende. De val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van het communisme in 1989 hebben de weg geopend voor een vloedgolf van genoegdoeningsclaims van mensen die het communistische Oost-Duitsland na 1949 waren ontvlucht en nu hun bezittingen terug wilden hebben. Uiteraard bestond een behoorlijk aantal van hen uit ex-nazi’s, en deze claims zetten voormalige slavenarbeiders in Oost-Europa ertoe aan compensatie te eisen voor hun ontberingen. En veel joodse families waarvan de bezittingen, vooral kunstcollecties, door de nazi’s in beslag waren genomen of geplunderd, begonnen nu ook claims in te dienen waarin teruggave werd geëist.

Tegen het einde van de eeuw had een grote internationale conferentie in Washington DC de basisregels vastgesteld voor het omgaan met deze claims, en individuele staten begonnen hun eigen specialistische lichamen in te richten, zoals de Britse commissie over plunderingen, die advies geeft over culturele voorwerpen in Britse musea en galerieën die tijdens het nazitijdperk van hun rechtmatige eigenaren zijn geroofd. Nu de kwestie steeds meer aandacht krijgt, geholpen door films als The Monuments Men van George Clooney (2014), en nu steeds meer musea en galerieën werken van onduidelijke herkomst die in hun bezit zijn op hun website plaatsen, stijgt het aantal claims.

De jaren negentig waren het tijdperk waarin de herinnering aan de holocaust, zoals het nu was gaan heten, haar intrede deed in de hoofdstroom van de Europese en Amerikaanse cultuur, met speciale musea in diverse steden in de VS, waaronder Washington, en een permanente holocausttentoonstelling in het Londense Imperial War Museum. Hollywood speelde zijn rol in dit proces met films als Schindler’s List van Steven Spielberg (1993). Voormalige concentratiekampgevangenen en overlevenden van de vernietigingskampen begonnen na decennia van stilte hun memoires te publiceren.

Sinds de eeuwwisseling hebben deze ontwikkelingen veel invloed uitgeoefend op de manier waarop historici omgaan met het naziverleden. In zekere zin heeft Friedländer het debat gewonnen dat hij in de jaren tachtig met Broszat voerde. Het is nu vrijwel onmogelijk over het Derde Rijk in de jaren van zijn bestaan (1933-1945) te schrijven zonder tevens het erfgoed ervan in de huidige tijd en het recente verleden te belichten. Gedeeltelijk vormt dit de weerspiegeling van het feit dat de aandacht van historici al enige tijd is gericht op de naoorlogse jaren in Duitsland, dankzij de geleidelijke vrijgave na dertig jaar van officiële documenten. Daarbij is veel bewijsmateriaal boven water gekomen over de overleving in de naoorlogse decennia, vaak op posities van macht en invloed, van voormalige actieve nazi’s, die verantwoordelijk zijn voor vele soorten misdaden. De opkomst van de zogenoemde ‘memory studies’ heeft voeding gegeven aan deze ontwikkeling. De geschiedenis is verweven geraakt met de herinnering, en het idee dat je op dezelfde manier over het Derde Rijk moet schrijven als over het zestiende-eeuwse Frankrijk wordt niet langer breed gedeeld.

Grote generalisaties over ‘de Duitsers’ zijn niet op hun plaats in wetenschappelijke verhandelingen en in het publieke geheugen

De naoorlogse transformatie van de herinnering heeft dikwijls vreemde vormen aangenomen, zoals in de adoptie eind twintigste eeuw door de Mexicanen van de Volkswagen Kever, oorspronkelijk de nazistische ‘Kraft durch Freude’-_auto, als nationaal icoon; in groene kleuren geverfd doet deze _vochito nog steeds alom dienst als taxi. De Kever is ook een Duits nationaal icoon, het symbool van het Wirtschaftswunder uit de jaren vijftig, waarbij het concern een ‘nieuwe Kever’ heeft geproduceerd: een voorbeeld van postmoderne retro-chic. Eigenaren van de oorspronkelijke auto’s houden bijeenkomsten op het oude terrein van de Neurenberg-partijdagen, zich schijnbaar niet bewust van of ongevoelig voor de nazistische oorsprong van de auto.

Maar in het algemeen heeft de herinnering het geheugenverlies de afgelopen jaren afgetroefd. Dit heeft zijn eigen problemen met zich meegebracht. In sommige gevallen heeft de emotionele behoefte om de misdaden van het nazisme aan de kaak te stellen, evenals de medeplichtigheid en schuld van degenen die eraan hebben meegedaan, geleid tot grootschalige veroordelingen, waar historici er beter aan zouden doen zorgvuldig onderscheid te maken. De ontdekking van het verdoezelen door een rijke zakenman van zijn activiteiten tijdens het Derde Rijk heeft bijvoorbeeld geleid tot enorme overdrijving van zijn betrokkenheid bij de ergste misdaden van het regime. Net als veel andere ‘fellow travellers’ is hij van begin tot eind met het regime meegegaan, maar uit een nauwkeuriger onderzoek van zijn eerloze carrière blijkt op geen enkele wijze dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van slavenarbeid, het produceren van wapens, het leveren van middelen om massamoorden te verdoezelen of het uiten van ook maar één antisemitische zinsnede. Het verlies van je morele kompas is niet hetzelfde als het plegen van massamoorden.

Op dezelfde manier heeft de onthulling, na decennia van zorgvuldige cover-ups, van de rol die professionele diplomaten hebben gespeeld in de ontwikkeling van het buitenlandse beleid van de nazi’s geleid tot ongefundeerde beschuldigingen dat zij feitelijk achter de uitroeiing van de joden zaten en die niet louter faciliteerden (wat op zichzelf natuurlijk al erg genoeg is, maar niet hetzelfde, en een aantijging die de echte schuldigen impliciet buiten schot laat).

In steeds meer historische geschriften van de afgelopen vijftien jaar wordt betoogd dat de overweldigende meerderheid van de Duitsers de nazi’s vanaf het begin heeft gesteund, dat de overname van de macht door de nazi’s in 1933 plaatsvond zonder enige geweldspleging, behalve tegen geminachte minderheden, en dat Hitler er werkelijk in was geslaagd alle Duitsers te verenigen in een enthousiaste ‘volksgemeenschap’: iedereen is dus schuldig.

De keuzes die zijn gemaakt worden niet gerechtvaardigd door erop te wijzen dat er feitelijk sprake was van veel geweld jegens de tegenstanders van het nazisme, vooral maar niet uitsluitend in de communistische en sociaal-democratische partij, toen Hitler zijn dictatuur vestigde en honderdduizend mensen in concentratiekampen gevangen werden gezet, waar zij geslagen, gemarteld en – in op z’n minst zeshonderd maar waarschijnlijk veel meer gevallen – vermoord werden. Het Derde Rijk was immers een dictatuur waarin afwijkende meningen, zelfs als het alleen maar om grapjes over Hitler ging, met de dood werden bestraft. De tijd is aangebroken dat we moeten bedenken dat nazi-Duitsland in feite een dictatuur was waarin burgerrechten en vrijheden werden onderdrukt en tegenstanders van het regime niet werden getolereerd.

Niet alleen sociale buitenstaanders werden onderdrukt, maar ook grote delen van de werkenden en hun politieke vertegenwoordigers. Alleen maar omdat mensen hun morele keuzes moesten maken binnen deze beperkingen betekent natuurlijk niet dat ze helemaal geen morele keuzes hadden of dat ze niet verantwoordelijk zouden zijn voor de keuzes die ze maakten. Op dezelfde manier betekende het publiekelijk uitbrengen van de Hitlergroet niet dat mensen in de privé-sfeer in het regime geloofden.

Grote generalisaties over ‘de Duitsers’ zijn niet op hun plaats in serieuze wetenschappelijke verhandelingen en in het publieke geheugen. De oorlogspropaganda veroordeelde alle Duitsers uit heden en verleden wegens de opkomst van het nazisme en de moorddadige triomf van het antisemitisme, maar het mag niet worden vergeten dat de nazi’s tot het eind van de jaren twintig een heel kleine beweging vormden aan de rand van het politieke spectrum. Het regime moest er hard voor werken om de steun van het volk te verwerven toen het eenmaal aan de macht was gekomen in 1933, en daarin speelde geweld net zo’n belangrijke rol als propaganda. Vooraanstaande joden in de Weimar-republiek, met name minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau, werden niet geminacht, maar genoten veel steun en bewondering onder het volk, wat tot uiting kwam in het nationale verdriet over Rathenau’s dood.

Het is steeds moeilijker geworden om het idee overeind te houden, dat is geworteld in de geallieerde oorlogspropaganda en op geraffineerdere wijze uitdrukking vond in het werk van de dominante school van links-liberale West-Duitsers in de jaren zeventig, tachtig en negentig, waarin de bronnen van het nazisme diep in het Duitse verleden werden gezocht. Het Derde Rijk, dat vaak is beoordeeld tegen de langetermijnachtergrond van de moderne Duitse geschiedenis sinds het tijdperk van de eenwording van het land onder Bismarck in de negentiende eeuw, wordt tegenwoordig steeds vaker gezien in een bredere internationale en zelfs mondiale context, als deel van het tijdperk van het imperialisme, waarbij de drang naar dominantie voortkwam uit een bredere traditie van het Duitse verlangen naar een eigen imperium.

Het nazibeleid in Oost-Europa was voor een groot deel gebaseerd op Hitlers beeld van de Amerikaanse kolonisatie van de Great Plains, ontleend aan de vooroorlogse schrijver van populaire lectuur Karl May. Het moordzuchtige streven van Hitler om een nieuw Duits rijk te vestigen richtte zich eerder op Europa dan op Afrika of Azië, maar maakte daarbij gebruik van het erfgoed uit het tijdperk van het Europese imperialisme, vóór alles van de daarmee samenhangende doctrines rond raciale superioriteit. Hitler zei meermaals dat een handvol Engelsen in staat was geweest over miljoenen in India te regeren, en dat de Duitsers beslist tot hetzelfde in staat moesten worden geacht in Oost-Europa. Dat de Britse Raj indirect werd geregeerd, via de inheemse structuur van de Indiase samenleving, kwam niet bij hem op; hij schreef het allemaal toe aan de vermeende raciale superioriteit van de overheersers.

In de nieuwe, transnationale visie die opgeld doet onder historici in ons eigen tijdperk van globalisering komt het nazisme naar voren als een ideologie die put uit bronnen uit vele landen, van Rusland tot Frankrijk, en van Italië tot Turkije, en niet zozeer als de culminatie van exclusief Duitse intellectuele tradities, zoals de historici van de naoorlogse generatie hadden betoogd. Raciale doctrines die waren ontleend aan de Franse theoreticus Arthur de Gobineau werden gekoppeld aan een verwrongen versie van het sociaal darwinisme, afkomstig uit Engeland; het antisemitisme van Russische en Franse schrijvers werd vermengd met het antibolsjewisme van de Witten uit de Russische burgeroorlog; de verering van geweld en de haat jegens het parlementarisme van de Italiaanse fascisten van Mussolini en de ideeën over een nationale wederopstanding uit de nationalistische revolutie van Kemal Atatürk in Turkije.

Op grond van deze trend zijn historici de uitroeiing van de joden door de nazi’s niet als een unieke historische gebeurtenis gaan zien, maar als een genocide met parallellen in andere landen en andere tijden – niet slechts de Duitse uitroeiing van de Herero-stam in de kolonie Namibië vóór de Eerste Wereldoorlog, maar ook de daden van de Turken in 1915, van Stalin in Oekraïne begin jaren dertig en van de Hutu’s in Rwanda, om maar een paar massamoorden van de twintigste eeuw te noemen.

Maar hoewel zulke vergelijkingen iets kunnen toevoegen aan onze kennis en begrip van wat Hitler en de nazi’s hebben gedaan, kunnen ze ook alle onderscheid vervagen door alle massamoorden over één kam te scheren, tot je ze niet meer los van elkaar kunt zien. Alleen in Duitsland is de eclectische potpourri van Europese ideeën die de ideologie van het nationaal-socialisme vormde erin geslaagd op te komen, te triomferen en zichzelf in praktijk te brengen. En de genocide die hieruit voortkwam was anders dan andere genociden: voor Hitler waren de joden niet louter ‘Untermenschen’ die moesten worden geëlimineerd in het belang van een vermeend superieur ras, zij waren de ‘wereldvijand’ van de bijna bovenmenselijke ariërs en moesten worden vervolgd en ritueel vernederd waar ze ook maar werden aangetroffen, alvorens zonder uitzondering te worden vermoord. Dat is de reden dat moderne neonazi’s het zo belangrijk vinden om de wreedheden van Auschwitz te ontkennen, en dat is de reden dat de nazi’s zo lang en nadrukkelijk in ons collectieve geheugen zijn blijven hangen.


Sir Richard John Evans is hoogleraar geschiedenis in Cambridge, gespecialiseerd in het negentiende- en twintigste-eeuwse Duitsland. Tussen 2003 en 2008 publiceerde hij een grote driedelige geschiedenis over het Derde Rijk. Onlangs verscheen zijn essaybundel The Third Reich in History and Memory bij Little, Brown.

Vertaling: Menno Grootveld


_ Verderop in deze kleine special : Herman Vuijsje loopt mee in de jaarlijkse Marche de la memoire in de Franse Alpen, Chris van der Heijden betoogt dat de oorlog ons sociaal houvast geeft, en Natascha van Weezel gaat op bezoek bij de ‘3G’s’, de Amerikaanse kleinkinderen van holocaustoverlevenden._


Beeld: (1) 20 april 1939, Adolf Hitlers vijftigste verjaardag (Hugo Jaeger / Timepix / The LIFE Picture Collection / Getty Images); (2) Diane Kruger en Michael Fassbender in Inglourious Basterds, regie Quentin Tarantino (Universal Pictures); (3) 1942. Hitler met nazi-officieren (Heinrich Hoff mann /Timepix/ The LIFE Picture Collection / Getty Images)