Holland Festival Christoph Schlingensief (1960-2010)

Geobsedeerd door het sterven

Christoph Schlingensief noemde Mea Culpa een ‘ready-made opera’. Bijeengejat uit het werk van velen. Maar de multikunstenaar was ook een meester in het recyclen van zichzelf: zijn ideeën, zijn obsessies, zijn angsten, zijn leven. Zelfs zijn dood had hij al vele malen op de bühne gebracht.

‘Er zal nooit meer iemand zijn zoals hij’ (Elfriede Jelinek over Christoph Schlingensief)

DOROTHEE HARTINGER IS actrice aan het gerenommeerde Weense Burgtheater. Ze was een van de spelers in Bambiland, geschreven door Elfriede Jelinek en geregisseerd door Christoph Schlingensief. 'Een verschrikkelijke ervaring’, vertelt ze. 'De eerste schok was dat hij zich niets van de tekst van Jelinek aantrok. Hij heeft er maar een paar zinnen van gebruikt. De tweede schok was dat Jelinek, toen ze een kijkje bij de repetities kwam nemen, het prachtig vond dat hij haar tekst negeerde!’
Hartinger deed haar verhaal in Wenen, tijdens een symposium over Schlingensief als Gesamtkunstwerk, georganiseerd door het Elfriede Jelinek Onderzoekscentrum. Uiteraard zonder deelname van de vrouw die in 2004 de Nobelprijs voor literatuur won, want die komt haar huis aan de rand van Wenen nauwelijks uit. 'Wereldangst’ noemt ze dat. Ook Schlingensief leed daaraan. Maar die deed precies het omgekeerde: hij overschreeuwde zijn angst, het liefst op een zo groot mogelijke bühne.
Het Burgtheater was zo'n grote bühne. Het was in een tijd dat zelfs dat deftige theater niet langer om aartsprovocateur Schlingensief heen kon. We schrijven het jaar 2003, kort voordat hij zijn artistieke hoogtepunt zou beleven met de enscenering van Wagners Parsifal in het hol van de leeuw: het Festspielhaus in Bayreuth, waar Wagners nazaten met ijzeren vuist over het oeuvre van de uitvinder van het Gesamtkunstwerk waken.
Het Burgtheater heeft het geweten. Tijdens de voorbereidingen van Bambiland stelde Schlingensief steeds exotischer eisen, waarmee hij het theater op steeds hogere kosten joeg. Actrice Hartinger herinnert zich dat van de elf Burgtheater-acteurs die zouden meedoen er maar drie het volhielden. Hij misbruikte acteurs, vertelt ze, ook de lekenacteurs die tot zijn vaste ploeg behoorden, onder wie een aantal geestelijk en lichamelijk gehandicapten.
Het is een ongewoon geluid, dat van Hartinger. De mensen met wie Schlingensief werkte, zijn over het algemeen vol lof over zijn omgang met de acteurs. Maar inderdaad, hij stelde wel extreme eisen en bracht voortdurend veranderingen aan, zelfs tijdens de voorstellingen. Hij betrad regelmatig zelf de bühne en gaf, niet zelden met megafoon, allerlei aanwijzingen. Soms was zo'n ingreep ook ingestudeerd, onderdeel van de berekende chaos die hij overal op het toneel teweegbracht.
BAMBILAND WERD GROOTS ontvangen, al gaf menigeen toe dat hij niet alles had begrepen van wat hij had gezien. Kranten spraken van 'briljante werelden van hallucinogene beelden’, 'een fantastisch rauw voortwoekerend beeldenarsenaal’, 'een dollemansopera, triomferend in zijn ongebreidelde overtrokkenheid’. Zelfs de zure reactie van de Frankfurter Allgemeine Zeitung kon men als een compliment lezen: 'Gooi die man de straat op! Zonder honorarium!’
Wat had het publiek gezien? Een draaiend podium met trappen en stellages. Verschillende projectieschermen waarop allerlei verontrustende beelden werden vertoond. Veel fysiek acteerwerk, waaraan grote hoeveelheden vocht te pas kwamen. Flarden tekst, die iets met de inval in Irak te maken leken te hebben en met de oorlog als pretpark. En een zich uit de naad werkende Schlingensief, die niet zuinig met verf in de weer was.
Voor de vaste bezoekers van het Burgtheater was de voorstelling een harde dobber, voor de kenners was ze Schlingensief als vanouds. Zijn ensceneringen kenden veel vaste elementen. De draaiende bühne, de projecties, de lekenspelers en ook een paar altijd weer terugkerende professionele acteurs. Deze keer was het Margit Carstensen, die al tal van rollen speelde bij Rainer Werner Fassbinder, wiens werk Schlingensief in veel opzichten voortzette.
De kenners zagen de vele lijnen die van Bambiland naar eerder werk van Schlingensief voerden en inmiddels weten ze dat er ook veel lijnen naar het latere werk liepen, vooral ook naar zijn Parsifal-enscenering, een half jaar later. Schlingensiefs oeuvre is een complex recyclingproces, met talloze terugkerende thema’s, beelden, symbolen, mythen en materialen. Een gelaagd recyclingproces, waarin series projecten elkaar opvolgen en overlappen.
Zo was Bambiland onderdeel van een trilogie: eerst Atta Atta!, Schlingensiefs commentaar op de aanslag op het World Trade Center in New York, dan Bambiland over de oorlog in Irak, en daarna Attabambi-Pornoland, dat, ook weer met tekstflarden van Jelinek, de thema’s van de eerdere twee stukken naar een mythologisch niveau tilde en langs die weg weer aansloot bij een andere serie uit het oeuvre van Schlingensief: De kerk van de angst.
Tot die thematische series behoren niet alleen theaterproducties, maar ook films, performances, installaties en acties. Maar de beschouwer van Schlingensiefs werk hoeft zich door die complexiteit van het 'totaalkunstwerk’ Schlingensief niet gek te laten maken, want in elk afzonderlijk werk is er altijd weer die ene samenbindende factor: Schlingensief zelf, zijn leven, zijn angsten, zijn ziekte en zijn sterven.
Met een klein beetje kennis van Schlingensiefs biografie valt al een groot deel van de beeldenvloed in zijn werk te begrijpen. Hij groeide op in een overtuigd katholiek gezin in Oberhausen, midden in het Ruhrgebied. Zijn vader (apotheker) en zijn moeder (verpleegster) voerde hij regelmatig in zijn werk op - niet altijd even positief. In een van zijn laatste stukken over zijn eigen stervensangst riep hij over zijn kort daarvoor overleden vader: 'Ik wil niet naar hem toe, één leven met hem was wel genoeg!’
Vanaf zijn Parsifal-enscenering in Bayreuth overheerste het thema van de dood zijn werk. En niet alleen zijn werk, maar vanaf 2008 ook zijn leven: toen hoorde hij dat hij kanker had. In een reeks indrukwekkende projecten bracht hij zijn eigen sterven op de bühne. Zoals in het oratorium Kerk van de angst voor het vreemde in mij, toen er korte tijd weer wat hoop voor hem gloorde. Hoogtepunt was de ready made-opera Mea Culpa, die hij wederom in het Weense Burgtheater produceerde.
Zelden heeft een kunstenaar zijn eigen leven en sterven zo onverbloemd, zo exhibitionistisch, zo eerlijk ook, en zo confronterend in zijn projecten tentoongesteld als Schlingensief. Bij veel mensen wekte dat zo veel irritatie op dat ze afhaakten. Maar bij steeds meer mensen groeide juist de bewondering voor het compromisloze van zijn egomanie. Toen hij in augustus 2010, nog geen vijftig jaar oud, overleed, ging er een golf van oprecht medeleven door de natie.
Dat hij het ooit tot nationale troetelpatiënt zou schoppen, daar zag het in het begin van zijn carrière allerminst naar uit. Hij begon als rebel, die tegen alles trapte wat de Duitse natie heilig was. Zijn eerste ambitie was filmer worden. Als kind was hij al met camera’s in de weer geweest. Toen hij begin twintig was, draaide hij zijn eerste echte films. Merkwaardige films die maar één doel hadden: afrekenen met de bestaande Duitse filmtraditie. Hij wilde weg van de vertellende cinema, het ging hem alleen nog maar om schokken, provoceren, vernieuwen.
Voor zijn films dook hij in de traditie van de trash-, splatter- en zombie-movies. Wat de toen, begin jaren tachtig, al vermoeid ogende regisseurs van de Neue deutsche Film (Wenders, Schlöndorf, Herzog en anderen) hadden opgebouwd, brak hij grondig af. Hun thema’s bleef hij trouw: Derde Rijk, Koude Oorlog, Rote Armee Fraktion. Maar hij maakte er in letterlijke zin gehakt van, zoals in zijn splatterfilm Das deutsche Kettensägermassaker, over wat hij zag als de onzachtzinnige inlijving van de DDR door de Bondsrepubliek.
In zijn films is Schlingensief een puberale herrieschopper, die met de bravoure van iemand die de cinema opnieuw denkt te hebben uitgevonden de filmwereld uitdaagde. De meestal beverig, veel in vlekkerig zwart-wit en soms ook zonder scenario gedraaide no budget-films vragen de nodige welwillendheid van het publiek. Slechts enkele films zijn nu nog het bekijken waard, vinden kenners. Veel genoemd: Egomania (met zijn toenmalige geliefde Tilda Swinton) en 100 Jahre Adolf Hitler: Die letzte Stunde im Führerbunker.
Dat hij daarnaast ook stiekem een goede handwerker was, bewees hij door af en toe voor de televisie te werken. Hij leidde zelfs korte tijd het camerawerk voor de populaire soapserie Lindenstrasse, het Duitse equivalent van de Engelse volksbuurtserie Coronation Street. Voor de commerciële omroepen RTL en Sat 1 deed hij een niet geheel conventionele talkshow. En voor de zender Viva maakte hij het succesvolle Freakstars 3000, een soort Idols voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten.
Schlingensief is altijd blijven filmen. Maar het filmen integreerde hij hoe langer hoe meer in zijn andere projecten, in zijn theaterproducties, installaties en acties. Filmprojecties werden een vast onderdeel van zijn ensceneringen. Soms traden ze op de voorgrond, maar vaak ook zwierven de beelden over de bühne en veranderden ze de acteurs in projectieschermen. Ze bepaalden in hoge mate het door Schlingensief altijd nauwkeurig uitgekiende ritme van de voorstelling.
In 1993 betrad de filmrebel voor het eerst het grote toneel. De Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz haalde hem naar Berlijn. Het was een grote stap in zijn loopbaan. Vanaf de bühne trad hij in veel directer contact met zijn publiek dan vanachter de camera. Zijn thema’s werden navenant politieker. In de jaren tachtig was zijn referentiekader de kunstwereld geweest. In de jaren negentig, toen hij vooral theater maakte, nam hij de hele samenleving in het vizier. Later, in de jaren nul van de 21ste eeuw, zou de opera zijn medium worden en het leven tot en met de dood zijn thema.
Zijn eerste theaterproductie was nog behoorlijk braaf. Alles gebeurde nog keurig op het toneel. 100 jaar CDU: Spel zonder grenzen heette het stuk, een parodie op een televisiequiz. Het was een typisch Schlingensiefse orgie van wansmaak, opgeklopt tot een politiek statement. Er werd gemoord, gekotst, stront gevreten en klaargekomen. Boven de bühne zweefde een grote close-up van Schlingensief met doornenkroon.
Veel te braaf, oordeelde ook Schlingensief. Bij de derde opvoering besloot hij zelf de bühne op te gaan. Hij zette de opvoering stil en begon aan een exhibitionistische solo die onmiddellijk een einde maakte aan het gegiechel in de zaal over de fratsen op het podium. Hij plantte een spuit in zijn arm, beet een bloedcapsule door en vertelde over de dood van zijn oma. Op het laatst vroeg hij het publiek zich uit te kleden. 'Doe het zelf’, reageerden de toeschouwers, en hij deed het.
Dat was de nogal letterlijke geboorte van Schlingensief als Grote Zelfontbloter. Hij ontdekte dat hij, om mensen echt aan het denken te zetten, zichzelf genadeloos aan het publiek moest uitleveren. Hoe langer hoe meer werd zijn eigen gekwelde ziel het hoofdpersonage van zijn theaterproducties. Tussen al het tumult op de bühne creëerde hij met zijn interventies, zoals hij zelf meende, 'momenten van ernst en waarachtigheid’.

VOOR ZIJN POLITIEKE ambities was de bühne al snel te klein. Schlingensief zocht de straat op. Met een aantal vermaarde acties richtte hij de publieke aandacht op de uitgestotenen van de samenleving: werklozen, immigranten, vluchtelingen, zieken en gehandicapten. Hij richtte zelfs een politieke partij op: Kans 2000, met als motto: 'Kies jezelf!’ en 'Falen biedt kansen!’ Zijn verkiezingscampagne ging gepaard met veel onzinacties en theatrale performances. Uiteindelijk kozen bij de verkiezingen van 1998 iets meer dan 56.000 Duitsers voor zichzelf.
In die verkiezingscampagne kwam Elfriede Jelinek bij Schlingensief in beeld. De schrijfster die in haar eigen Oostenrijk altijd met genadeloze teksten reageert wanneer rechts-extreme populisten buitenlanders attaqueren, sloot zich bij Kans 2000 aan - zolang ze er maar niet haar huis voor hoefde uit te komen. Toen Schlingensief met duizenden werklozen in de Wörtersee wilde springen om het vakantieverblijf van bondskanselier Helmut Kohl te overstromen, stuurde ze hem twee opblaasbare beesten om haar te vervangen, want, schreef ze, zwemmen was niet zo haar ding.
Eén keer lukte het Schlingensief om Jelinek haar huis uit te krijgen. In het centrum van Wenen organiseerde hij een Big Brother-actie met asielzoekers. In een container met het opschrift 'Ausländer raus’ bracht hij een aantal asielzoekers bijeen. Het publiek mocht kiezen wie van hen het land moest worden uitgezet. Jelinek liet zich ertoe verleiden de asielzoekers in de container te bezoeken en met hen een poppenspel te maken. Het resultaat was een absurde montage uit de weinige Duitse zinnen die de asielzoekers machtig waren.
Het was het begin van een bijzondere kunstenaarsvriendschap. De keren dat ze elkaar daadwerkelijk ontmoetten, bleven beperkt in aantal. Maar hun politieke en artistieke verwantschap was zo diep dat die het gemakkelijk zonder direct contact kon stellen. Hun afkeer van al het conservatieve en burgerlijke, hun empathie voor de verstotenen der aarde, hun rebellie tegen de kunstelite, hun vermenging van trash en high culture, hun compromisloze autonomie - in al die opzichten waren ze elkaars gelijken.
Alleen hun uitdrukkingsmiddelen waren tegengesteld. Beeld versus woord. Steeds weer leverde Jelinek teksten aan Schlingensief, die hij vervolgens restloos in zijn beelden opslokte - de teksten drukte hij hooguit af in het programmaboek bij de productie. Omgekeerd zette Jelinek Schlingensiefs beelden weer om in woorden. Op haar website zijn meerdere essays over het werk en de persoon van Schlingensief te lezen. En in haar gloedvolle in memoriam uitte ze haar hoogste hoogachting: 'Het is alsof het leven zelf is gestorven.’
Meer dan eens was Jelinek ook te zien in Schlingensiefs werk. Uiteraard alleen op film. Zoals in zijn spectaculaire installatie Area 7, waarvoor hij alle stoelen uit de zaal van het Burgtheater had laten verwijderen om er brokstukken uit te stallen van de projecten waar hij op dat moment mee bezig was: installaties, theaterdecors, filmfragmenten. Daarbovenuit torende een windrad waarop Jelinek werd geprojecteerd terwijl ze haar commentaar voorlas op Schlingensiefs Parsifal.
In Area 7 leverde Schlingensief ook een statement af over zijn beeldend kunstenaarschap. De route voor de bezoeker begon bij het Führerdenkmal. Nee, dat was geen ironisch monument voor Hitler, maar een eerbetoon aan zijn grote inspirator Joseph Beuys. In de mond van het uitvergrote dodenmasker van Beuys had hij een monitor geplaatst waarop hij in herhaling de film vertoonde van een rottende dode haas. De haas was een favoriet element in Beuys’ werk en de superversnelde opname van het rottende kadaver voerde Schlingensief in tal van werken op, te beginnen in zijn Parsifal.
Een ander onderdeel van zijn werk dat hij in Area 7 liet zien, was zijn 'animatograaf’, letterlijk: 'zielbeschrijver’. De animatograaf is een draaiend platform met daarop allerlei typisch Schlingensiefse objecten en decorstukken, door de kunstenaar in wilde streken met teksten besmeurd. Het is de bedoeling dat de bezoeker door de draaiende bühne wandelt, terwijl hij uit vier richtingen door filmfragmenten wordt beschenen en met geluidsfragmenten wordt gebombardeerd. Zo wilde Schlingensief zich in de ziel van de bezoeker prenten.
De eerste versie van de animatograaf ontstond in IJsland. Daarna ontwikkelde Schlingensief het project op verschillende andere plaatsen verder: in Hamburg, op het Brandenburgse platteland, in Namibië. Van de IJslandse versie is het materiaal bewaard gebleven, van de andere versies bestaan alleen filmbeelden - Schlingensief bekommerde zich nooit om het museale behoud van wat hij als beeldend kunstenaar produceerde, als het werken eraan en het vertonen ervan maar in beelden was vastgelegd.
Het IJslandse materiaal is verworven door het museum Thyssen-Bornemisza in Wenen en was begin dit jaar opnieuw voor het publiek opgesteld. Kruipend door allerlei schaars verlichte ruimten vol openbaringen van Schlingensiefs ziel bereikte de bezoeker de animatograaf, die uiteindelijk toch een wat onbezielde, museale indruk maakte. Daar werd tastbaar wat misschien voor meer werk van Schlingensief geldt: zonder de levende energie van de kunstenaar verdwijnt ook de levende geest uit de werken.
Het project waar dat, naar te vrezen valt, misschien het meest voor geldt, is zijn megalomane idee om in Afrika een operahuis op te richten. Nadat hij eerder al in Zuid-Amerika, in het Braziliaanse Manaus, met lokale kunstenaars een uitvoering van Wagners Der fliegende Holländer voor elkaar had gebokst (beelden daarvan spelen een rol in Mea Culpa), vatte hij het plan op om ergens in Afrika een operahuis te openen naar het model van het Festspielhaus in Bayreuth.
Terwijl de kanker zijn longen verteerde, reisde hij wanneer het maar kon naar Afrika om het project van de grond te krijgen. Uiteindelijk belandde hij in Burkina Faso, waar het plan voor een operahuis evolueerde tot een plan voor een compleet operadorp, met scholen, opleidingen voor film en muziek, een theater en tal van andere voorzieningen tot en met een ziekenhuis. Schlingensief was al snel tot het inzicht gekomen dat hij Afrika niets had te leren, maar dat integendeel, zoals hij kort voor zijn dood schreef, 'hij had te leren van Afrika’.
Wat er zonder Schlingensiefs bezieling van het project terecht moet komen, is onduidelijk. Zijn weduwe Aino Laberenz en zijn Afrikaanse architect Francis Kéré vechten voor het voortbestaan ervan, onder meer ondersteund door de voormalige bondspresident en Afrika-liefhebber Horst Köhler. Eén tastbaar resultaat is er in ieder geval: Schlingensiefs swingende theaterstuk Via Intolleranza II, met artiesten uit Burkina Faso, een stuk dat nog steeds heropvoeringen beleeft.

HET OORSPRONKELIJKE IDEE van een Afrikaans operahuis speelt een dramatische rol in Mea Culpa. Het is een beeld van verlossing voor de patiënten van de kliniek waarin de eerste akte zich afspeelt, een kliniek 'waarin het sterven is afgeschaft’. Die eerste akte begint overigens met de patiënten die gezamenlijk het begin van Wagners Parsifal instuderen. Telkens weer die Parsifal. Het is de onderneming geweest waarvan Schlingensief kort nadat hij haar had voltooid al zei dat ze zijn dood zou worden.
Na de enscenering van Parsifal en nog vóórdat de dood zich in zijn lichaam had aangekondigd, raakte Schlingensief geobsedeerd door het eigen sterven, de angst daarvoor en de verlossing van die angst - thema’s waar het volgens hem ook Wagner in zijn 'afscheidswerk’ om ging. Toen de diagnose uiteindelijk kwam, kon Zelfontbloter Schlingensief weinig anders doen dan op de bühne zijn sterven ensceneren. Dat deed hij in een indrukwekkende reeks op elkaar voortbouwende werken: het requiem Kirche der Angst für das Fremde in mir, het kamerstuk Der Zwischenstand der Dinge, de opera Mea Culpa en de theatrale actie Sterben lernen: Herr Anderson stirbt in 60 Minuten.
Nee, sterven kun je niet leren, vertelde Schlingensief het publiek in al deze ensceneringen. Maar je kunt het wel documenteren. Schlingensief deed dat nauwgezet. Rond zijn verblijf in het ziekenhuis legde hij per dictafoon vast wat hem allemaal overkwam. De tekst verscheen onder de titel So schön wie hier kann es im Himmel gar nicht sein, een boek dat hem op slag tot ’s lands beroemdste kankerpatiënt maakte. Ook filmde hij zichzelf in zijn ziekenhuisbed - huilend, jammerend. Beelden die de indrukwekkende opening vormden van Kirche der Angst für das Fremde in mir.
Zijn dictafoonteksten stuurde hij ook naar Elfriede Jelinek. Of ze er een theatertekst voor zijn nieuwste project, Mea Culpa, van kon maken. Uit die teksten, uit allerlei materiaal over Kirche der Angst dat Schlingensief haar stuurde en uit de mails die hij haar onderwijl zond, componeerde Jelinek de theatertekst Tod-krank.Doc. Weer kwam de tekst niet in de productie terecht maar in het programmaboek, al verzekerde Schlingensief in een interview dat hij hem in Mea Culpa wel degelijk in beelden had omgezet.

MEA CULPA IS een 'ready-made opera’, dat wil zeggen: ze bestaat voor een groot deel uit gejat materiaal. Een opera 'over de ruggen van Richard Wagner, Friedrich Nietzsche, Arnold Schönberg, Gustav Mahler, Sheryl Crow, J.W. Goethe, Thomas Mann, Elfriede Jelinek e.v.a.’, liet Schlingensief in de aankondiging weten. De cast was de vertrouwde mix van topacteurs uit de verschillende ensembles waarmee hij had gewerkt en zijn geliefde, licht en zwaar gehandicapte lekenspelers, die hij, tot ergernis van de topacteurs, met dezelfe egards behandelde als de professionals.
In de oerversie, die op 20 maart 2009 in het Burgtheater in première ging, werd het personage Schlingensief gespeeld door een acteur. Maar in de derde akte kwam ook Schlingensief zelf op het toneel. Ziek en woedend leverde hij commentaar op wat er op de bühne gebeurde en begon hij voor te lezen uit brieven van kankerpatiënten die hij op zijn website had verzameld. In de verschillende heropvoeringen dit jaar van Mea Culpa zal die dramatische scène ontbreken.
Kan dat, Schlingensief zonder Schlingensief? De ultieme proef op de som is de Venetiaanse Biënnale 2011. De uitnodiging die Schlingensief vorig jaar kreeg om het Duitse paviljoen in te richten, greep hij met beide handen aan. Het was voor hem de stap naar de zoveelste, hem goeddeels onbekende discipline: de beeldende kunst. 'Ik heb in veel disciplines gewerkt’, liet hij in een verklaring weten, 'als film-, theater- en operaregisseur, als producent, entertainer en mens, ook als zieke mens en christen, ook als politicus en performer, en nu als kunstenaar - ik heb me altijd geïnteresseerd voor kunstenaars die als gekken met hun vak bezig waren.’
Zijn dood verhinderde die laatste grote stap. Hoe nu verder? Curator Susanne Gaensheimer heeft in nauwe samenspraak met Schlingensiefs naasten tot een installatie besloten die koste wat het kost het idee moet vermijden dat er in Venetië een soort mausoleum voor Schlingensief ontstaat. Maar gezien de zojuist bekend geworden plannen is het de vraag of dat lukt. Wie er binnentreedt, komt onmiddellijk terecht in de kerk in Oberhausen waar Schlingensief als klein jongetje de mis diende. Daarmee is de recycling van zijn leven dan volmaakt volbracht.

Op 2 juni opent het Holland Festival met Mea Culpa in het Muziektheater. Op 4, 5 en 6 juni is in de Westergasfabriek Via Intolleranza II te zien. Het Ketelhuis vertoont van 2 t/m 8 juni films van Schlingensief. www.hollandfestival.nl