Geobsedeerd door Stalker

‘I think you’ll agree: this is my greatest achievement.‘ Die weinig bescheiden woorden schreef de Britse schrijver Geoff Dyer aan zijn uitgever, nadat hij het manuscript van zijn jongste boek had voltooid.

Geof Dyer, Zona, EUR 23,95

Het lijkt een vreemde opmerking voor een auteur wiens essays vaak overlopen van zelfspot. Vanwaar die op het eerste gezicht nogal arrogante uitspraak? Dyer hoopte zijn uitgever te enthousiasmeren nadat hij contractbreuk had gepleegd: hij had beloofd een boek over tennis te schrijven. Terwijl hij meer en meer tegen die klus ging opzien, begon hij Andrei Tarkovski’s filmklassieker Stalker (1979) samen te vatten. Een jaar later werd zijn uitgever geconfronteerd met iets waar slechts een nichemarkt voor zou moeten zijn: een zeer persoonlijke beschouwing over een Russische film uit de jaren zeventig. Een samenvatting valt het uiteindelijke resultaat, Zona: A Book About a Film About a Journey to a Room, namelijk niet echt te noemen. Zo beknopt als de ondertitel is, zo uitputtend en wijdlopig is Dyers essay.

Het verhaal van Stalker is simpel. Hoofdpersoon Stalker is een gids die clandestiene reizen naar de strengbewaakte Zone, een plek waar naar verluidt ooit een meteoriet is neergestort, verzorgt. In het hart van de Zone staat een huis waarvan een van de kamers – de Kamer – de diepste wens van degene die haar betreedt in vervulling doet gaan. In Tarkovski’s film volgen we Stalker wanneer hij twee mensen, Professor en Schrijver, naar de kamer leidt. De film combineert twee op het oog tegenstrijdige eigenschappen: hij is zowel meditatief als onheilszwanger.

Zona volgt, behalve de inhoud, ook het tempo van de film. Net als de drie mannen, die een pad volgen dat zich openbaart via nootjes die Stalker vooruitwerpt, meandert Dyer, vrijuit associërend maar zonder een scène uit de film over te slaan, naar de Kamer. Het essay, dat veelal leest als een verhaal, kent zodoende ook geen andere ‘tijd’ dan de duur van de film. Je zou er een bescheiden aanklacht tegen wat Dyer omschrijft als moron time (het tempo van de moderne televisie, cinema en ook literatuur) in kunnen zien.

Zoals vaker in Dyers werk vormt door hem bewonderde kunst de aanleiding voor uitstapjes naar zijn eigen leven, verleden en preoccupaties. Hij blijkt in Zona vooral een man die zich niet alleen realiseert dat hij ouder wordt, maar ook dat hij al definitief ouder geworden is. ‘There comes a point in your life when you realise that most of the significant experiences – aside from illness and death – lie in the past’, schrijft hij.

Dyer is zeer bedreven in het ter illustratie inzetten van zijn eigen ervaringen. Het lijkt bijna of hij ze allemaal binnen handbereik heeft. Hij is het type dat je zonder al te veel moeite kan vertellen met wie hij op welke avond in 1982 (wat voor soort) seks had. Zoals hij dan ook deed in zijn essay Sacked, vorig jaar opgenomen in de bundel Working the Room. Het is dus vanzelfsprekend dat hij nog weet wanneer hij Stalker voor het eerst zag: zondag 8 februari 1981, in een kleine bioscoop in het vijfde arrondissement in Parijs, en wat zijn eerste reactie was: ‘Slightly bored.’ Niets wees erop dat hij ooit een heel boek aan de film zou wijden.

Wanneer de drie mannen na veel omtrekkende bewegingen eindelijk de Kamer bereiken, en aarzelen haar te betreden, vraagt Dyer zich af wat het grootste gemis in zijn eigen leven is. Hij vreest dat het wel eens iets onuitstaanbaar banaals zou kunnen zijn: het feit dat hij nooit met twee vrouwen tegelijk het bed heeft gedeeld. Als de ironie niet zo beheerst was geweest, had je er misschien het zelfmedelijden van een midlifecrisisslachtoffer in kunnen zien. Maar dit boek reduceren tot een intellectuele variant op de Harley Davidson zou misplaatst zijn. Goed, hij moppert hier en daar, mag het?

De lichtvoetigheid waarmee hij schrijft, over wat toch wordt beschouwd als een van de ‘moeilijkere’ filmklassiekers, is bewonderenswaardig. Dyers eruditie is overal aanwezig en nergens zelfingenomen. De film werd ruim zeven jaar voor de kernramp in Tsjernobyl gemaakt, maar is er onlosmakelijk mee verbonden. Dyer weet dit scherp te verwoorden wanneer hij schrijft hoe Stalker de fotografische getuigenissen uit het rampgebied heeft beïnvloed: ‘The film has helped generate and shape the observed reality that succeeded it.’ Vervolgens schakelt hij moeiteloos tussen een paar intrigerende woorden van een Amerikaanse junk en het werk van Rilke, of tussen zijn eigen seksuele verlangens en de vraag wat het filosofische verschil is tussen de termen faith en belief.

Dat laatste raakt aan hetgeen waarmee Dyer het meest worstelt. Tarkovski’s religiositeit blijft onderbelicht. Een groot gemis is dat overigens niet, dit essay pretendeert tenslotte niet meer te zijn dan een ode. Dyer lijkt het wel te beseffen: hij compenseert door de slotscène in bijbels aandoende termen te omschrijven als alles verlossend: ‘It redeems, makes up for, every bit of pointless gore, every wasted special effect, all the stupidity in every film made before or since.’

Tegen het einde van het essay werpt Dyer de vraag op of de film zich niet volledig in de verbeelding van Stalker afspeelt. Tarkovski schijnt dit soort twijfels, of de Zone (in de film) wel echt bestaat, en of de reis ernaartoe ooit is ondernomen, wel te hebben gewaardeerd. Je kunt je in die geest afvragen: wat als de film nooit was gemaakt, en Dyer toch precies dit boek had geschreven? Dan was het een wonderlijke roman geweest. Een verhaal over een ouder wordende schrijver die een verwoede poging doet een film, die hem zijn hele leven heeft gefascineerd, te doorgronden. Stalker bestaat natuurlijk wel, maar Dyers non-fictie leest alsof je bezig bent je ongeloof op te schorten.