29 juni 1915 - 17 februari 2010

Geoffrey Woolley

Redacteur Geoffrey Downing Woolley verzorgde tussen 1953 en 1983 de brievenpagina van The Times en promoveerde deze tot het prikbord van de Britse gevestigde orde.

Op de brievenpagina van een Engelse ochtendkrant wisselden enkele lezers onlangs tips uit over de vraag hoe het morsen bij het inschenken van thee kan worden voorkomen. Tot de oplossingen behoorden het boren van een gaatje of het smeren van boter in de tuit. Beter nog is het vinden van een achttiende-eeuwse theepot, waarvan de tuit een elegante ronding bezit, zoals op het schilderij A Lady Taking Tea van Jean-Baptiste-Siméon Chardin, dat ter illustratie was afgebeeld op de brievenpagina. Waar de brieven in Nederlandse kranten serieus tot zuur zijn en ze in Frankrijk het karakter hebben van filosofische essays, vormen ze in de Engelse pers, met name in dagbladen als The Times en The Daily Telegraph, een podium voor humor en vindingrijkheid. Naast satirisch en informatief commentaar op lopende zaken is er aandacht voor de vegetatie langs spoorlijnen, het slaapritme van katten, de temperatuur van water in openbare wasbakken en de vraag waar de bijl is gebleven waarmee koning Charles I is onthoofd.

Dat heeft te maken met de neiging een grap te maken zodra de ernst de overhand dreigt te nemen en met de waardering voor directe ervaringen boven abstracte bespiegelingen. In de toiletten van de St. Stephen’s Tavern in Westminster hangt dagelijks een brievenpagina aan de muur, zodat politici en journalisten weten wat er zoal in de echte wereld gaande is.

De prominente plek van de brievenrubriek in de Engelse pers is grotendeels te danken aan de pas overleden Geoffrey Downing Woolley, die tussen 1953 en 1983 brievenredacteur van The Times was. Dat deze zoon van een mijnwerkersbaas deze positie liefst drie decennia heeft bekleed, verraadt reeds het belang van de brievenrubriek. De ideale brief naar The Times, dé krant van de gevestigde orde, werd in The Spectator ooit omschreven als ‘een mengeling van suggestiviteit en voordracht, een vallende ster van de rede, een donkere ader van Engelse excentriciteit, een genadeloze inkerving van gezond verstand’.

Na tussen de steenkoolmijnen te zijn opgegroeid in het zuiden van Wales ging Woolley rechten en Engels studeren op Cambridge. Een bestaan als journalist was zijn ambitie, wat goed aansloot bij zijn belangstelling voor mensen en schrijven, en vooral het schrijven over andere mensen. In 1939 kwam hij als leerling-redacteur terecht bij The Times, maar zijn loopbaan werd onderbroken door de oorlog. Woolley nam deel aan D-day en de daarop volgende veldtocht zou eindigen op de Balten. Onderweg was hij een van de eerste geallieerden die de gruwelen van Bergen-Belsen onder ogen kregen. Na de oorlog keerde hij terug bij The Times en in 1948 vertrok Woolley naar Amerika vanwaar hij correspondeerde over de nipte verkiezingszege van Harry Truman. Vijf jaar later belandde hij bij de brievenrubriek, die toen slechts een kolom op de opiniepagina besloeg. Onder zijn leiding groeide dit door de toenemende kwantiteit en kwaliteit van de ingekomen post uit tot een hele pagina. Sterker, de brievenpagina was voortaan het prikbord van de gevestigde orde.

Zijn mensenkennis en contacten binnen het establishment hielpen Woolley bij het op waarde schatten van de gemiddeld driehonderd ingezonden brieven per dag. Daarnaast had hij een neus voor onderwerpen en voelde hij aan wanneer een discussie over het hoogtepunt heen was. Humoristische epistels kregen een vaste plek rechtsonder op de pagina. Terwijl Woolley met pensioen was - op negentigjarige leeftijd zou hij in het echt treden met zijn vriend - bleef de brievenpagina van The Times gezaghebbend. Toen de krant overging op tabloidformaat en aan kwaliteit inboette, werd hij overvleugeld door The Daily Telegraph.

Wat bij Woolley begon als een kwinkslag op 'right-bottom’ spreidde zich bij dit dagblad van conservatief Engeland uit over de rest van de pagina. Hoewel er regelmatig brieven van ministers, acteurs, geestelijken en generaals b.d. in staan, is de brievenrubriek er niet zozeer een spreekbuis voor 'the Great and the Good’, als wel een vrijplaats voor gewone lezers die op olijke wijze treuren over het gesjoemel van politici, de verloedering van de Engelse taal en de onaangename kanten van het moderne bestaan, zoals de betutteling, een kwaal waar de Londenaar D.K. Mason zich aan ergerde toen hij deze brief schreef: 'A further example of condescending station announcements can be heard daily at Waterloo East. As non-stopping trains pass through the station at about 20mph, we are advised: “Do not attempt to board this train.” Who do they think I am? Butch Cassidy?’

Het is niet alleen een plek waar mensen reageren op artikelen, maar waar ze ook opmerkelijke observaties en ervaringen willen delen, bijvoorbeeld over een rode Ferrari met het kenteken 1RAQ die voor het Londense appartement van de Blairs stond, over de muziekoverlast bij hedendaagse voetbalwedstrijden, over het verbod om een getrokken verstandskies als souvenir mee naar huis te nemen en over een overnachting in de 'Brown Leaves Country Hotel’. Een slotzin als 'You really couldn’t make it up, could you?’ is niet uitzonderlijk. Dagelijks kan The Daily Telegraph slechts drie procent van de zevenhonderd ingezonden brieven plaatsen en de beste brievenschrijvers worden soms aangemoedigd meer te schrijven. Onlangs gaf de krant zelfs de bloemlezing Am I Alone in Thinking…? uit, met de beste ongepubliceerde brieven.

De brievenrubriek kan ook een sociale functie vervullen. Nadat een vrijwilliger van een veteranenvereniging had geklaagd over een gemeente die niet wilde meebetalen aan dubbele badkamerbeglazing bij een bejaarde militair wiens lichaam sinds dwangarbeid aan de Birma-spoorlijn kraakt onder de reuma, kwamen er terstond donaties binnen. Niet al het getwitter, geblog en 'gereaguur’, maar de Engelse brievenrubriek is de ware burgerjournalistiek. Mede dankzij Woolley.