Geschiedenis, zoals Slobodan Šnajder het beschrijft, ligt niet stil © Leonardo Cendamo

Hoe begin je een epos? Niet door de hoofdpersonen elkaar te laten ontmoeten, dat zou te eenvoudig zijn. Een epos hoort de spanwijdte van een lammergier te hebben. Je begint dus minstens een paar generaties vóór je daadwerkelijke hoofdpersonen, hun grootouders. Of, in het geval van de Kroaat Slobodan Šnajder, je begint een paar honderd jaar voordat ze elkaar ontmoeten, ergens in een hongerjaar in de achttiende eeuw als een vreemdeling een herberg in Duitsland binnenloopt en de aanwezigen een vreemd aanbod doet.

Sommige van de dorpsbewoners denken dat hij een rat in mensenvorm is, sommigen zouden de rest van hun leven volhouden dat ze hem zijn staart zagen oprollen en wegstoppen. Een van de dorpsbewoners grijpt naar een bijl, een ander houdt hem tegen – laat hem spreken!

De gezant – wat dat blijkt hij, van keizerin Maria Theresia – spreekt over Transsylvanië. Daar is de aarde vruchtbaar, het klimaat aangenaam. Daar dreigt geen nieuwe oorlog. Ooit behoorde het land tot de Turken, maar die zijn verdreven, hun landerijen en akkers liggen voor het oprapen. Het is zuivere bevolkingspolitiek, de keizerin heeft onderdanen nodig: de reis zal door het rijk worden betaald, wie durft?

De jonge Kempf durft. Hij neemt op het kerkhof afscheid van zijn familieleden en zakt de Donau af (niet richting Transsylvanië, zo zal blijken, maar naar wat we nu het voormalige Joegoslavië noemen). Avonturen met exotische metgezellen volgen en uiteindelijk naderen ze hun eindbestemming. Kempf kijkt door een verrekijker en ziet ver weg aan de oever meisjes over een loopplank stappen. Eentje tilt haar rokken een beetje op om haar evenwicht te bewaren. Door zijn oculair ziet Kempf een glimp van een rode kous.

Episch, deze politiek-­historische roman en verteld op een heel lichte, speelse toon

Opeens richt een verteller zich tot de lezer: ‘Elegant, als een watervlo die van de ene waterlelie naar de andere springt, stapt mijn stammoeder op de oever.’ Stammoeder, stamvader. Hier in 1770 begint de geschiedenis van de familie Kempf, die de verteller zal volgen tot diep in de twintigste eeuw.

Normaal gesproken zou dit tellen als een buitengewoon literaire manier om een epos te beginnen. In het geval van Šnajder is het ook een wereldbeeld. Geografie is toeval; een gezant die zomaar een herberg in Beieren binnenstapt. En tegelijk is geografie politiek, want eeuwen later – als de voornamen die in de familie Kempf van grootmoeder op kleindochter worden doorgegeven zijn vervormd van Theresia naar Terezia naar Rezika naar Reza – tellen de leden van de familie Kempf nog steeds als Volksdeutscher. Wat betekent dat wanneer de oorlog komt, en de nazi’s extra soldaten nodig hebben, de jongste telg van de familie Kempf bij de SS terecht-komt. Geografie als lotsbestemming.

Nu is George Kempf geen overtuigd SS’er, geen fanatieke soldaat. Zijn regiment drijft langs verschillende hotspots van het oostfront, de Rus rukt op. Over de behandeling van joden vangt hij glimpen op, flarden van zinnen die bij elkaar hem doen beseffen dat een heel volk wordt uitgemoord. Dat George Kempf, op zijn manier, in verzet komt is niet geboren uit een groot ideaal, of een dappere overtuiging. George is een dromer, een meisjesgek. Zijn regiment keert zich van hem af als hij een verrotte aardappel eet, en dan te ziek is om aan een massa-executie van een groep Polen mee te doen. Dat hij uit een lazaret vlucht en zich, na omzwervingen, bij het Poolse verzet aansluit is ook weer weinig heroïsch: er is simpelweg een meisje dat hij volgt.

Uiteindelijk ontmoet hij Vera, een Kroatische communiste en partizaan – als ze elkaar tijdens oorlog hadden ontmoet hadden ze elkaar moeten doden. Nu krijgen ze een kind, de verteller van de roman. Harry Mulisch, de zoon van een joodse vrouw en een Oostenrijkse collaborateur, zei: ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog.’ Šnajders verteller kan dat net zo goed zeggen, wat maar weer laat zien dat de Tweede Wereldoorlog duizend-en-één dingen tegelijk was, overal weer andere gevolgen had.

De roman eindigt niet met de thuiskomst van Kempf. Een thuiskomst kun je het ook amper noemen. Midden in de keuken van zijn geboortehuis groeit inmiddels een berk. Overal, behalve in het toilet, liggen verdroogde uitwerpselen. ‘Kempf realiseert zich niet eens dat hij de eigenaar van deze puinhoop is.’ Puinhoop is een sleutelwoord – want een puinhoop kan opgeruimd worden, gerepareerd zoals in de titel van de roman. Dat blijkt om een waaier van redenen tegen te vallen. Geschiedenis, zoals Šnajder het beschrijft, ligt niet stil, drijft echtgenoten uit elkaar, laat zonen zich van vaders afkeren. Geografische betekenissen blijken niet waardevast, en iedere lezer weet dat de eenheid van het Joegoslavië waar Kempf naar terugkeert een zeepbel is die uiteindelijk zal knappen.

Die term epische roman doet De reparatie van de wereld zeker recht. Het is een monument van een boek, een manier van de auteur om die altijd veranderende geschiedenis houvast te geven, vast te leggen – een politiek-historische roman zoals die in ons stuk van Europa niet vaak meer worden geschreven. Kempf heeft talloze filosofische gesprekken, met mensen die net als hij slachtoffer zijn van het lot van hun geografie, van hun volk of identiteit. Maar epos of monument klinkt zo zwaar; het boek zit ook nog eens vol kleine menselijke details, en wordt bovendien verteld op een heel lichte, snelle, soms speelse toon. Uiteraard heb ik het oorspronkelijke Kroatisch niet kunnen lezen, maar het kan bijna niet anders dan dat vertaler Roel Schuyt hier een meesterwerkje aflevert.