H.J.A. Hofland

George Kennan definitief begraven

Valt onze tijd, de periode die we laten beginnen op 11 september 2001, te vergelijken met het begin van de Koude Oorlog? Zijn er bepaalde overeenkomsten waardoor we de oorlog tegen het fundamentalistisch terrorisme – of in ruimer neoconservatief verband gezien, de strijd tot verbreiding van vrijheid en democratie in het Midden-Oosten – met die tegen «het communisme» onder één noemer kunnen brengen?

Er is weer een aanleiding om er eens over na te denken. Vorige week is de Amerikaanse diplomaat en politicus George Kennan gestorven; 101 geworden. Samen met Harry Truman, Dean Acheson en George Marshall heeft hij in grote lijnen de grondslag gelegd voor de westelijke wereld in de eerste halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog en de beginselen bedacht die het verloop van de Koude Oorlog hebben bepaald. Truman met zijn doctrine, de belofte van steun aan naties die zich tegen dictatuur verzetten; Acheson als medeontwerper van de Navo; Marshall naar wie het Plan tot de hulp bij de wederopbouw van Europa is genoemd, en Kennan die de politiek van containment heeft bedacht. Present at the Creation, heeft Acheson zijn memoires genoemd. Dat vergt een zekere mate van onbescheidenheid, maar in dit geval is het niet overdreven.

Kennan was in de jaren dertig diplomaat in Moskou geweest. Zijn ervaringen hadden hem geen illusies gelaten over humanitaire of democratische opvattingen bij de leiding van de Sovjet-Unie. Die waren er niet. In februari 1945 hielden de grote drie, Churchill, Roosevelt en Stalin, in Jalta de topconferentie waarin ze Europa in invloedssferen verdeelden. Daar leken de heren nog de beste vrienden. Maar na 1945 werd het al snel duidelijk dat de sovjetpolitiek zich expansief in westelijke richting ontplooide. De Midden-Europese landen werden met behulp van de salamitactiek binnen het Oostblok gebracht. Door een staatsgreep onderging Tsjechoslowakije in 1948 hetzelfde lot. Politici die verzet boden, werden met politieke processen onschadelijk gemaakt. In Frankrijk en Italië verklaarden sterke communistische partijen zich solidair met Moskou.

In deze eerste periode, meer nog het voorspel tot de Koude Oorlog, verspreidde zich in het Westen angst voor het «Rode gevaar». Die werd nog versterkt door een gevoel van onmacht of radeloosheid. Er bestond geen scherp beeld van de nieuwe vijand, er was geen concept van een politiek van verweer. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Byrnes vroeg zijn chargé d’affaires in Moskou, Kennan, een diagnose. Die antwoordde met een telegram van achtduizend woorden, waarin de motieven en het gedrag van de sovjetleiding werden ontrafeld en aanbevelingen voor het Amerikaanse beleid werden gedaan. De Sovjet-Unie was Amerika’s doodsvijand. Die moest in bedwang worden gehouden en tegelijkertijd ondermijnd. Containment, het woord, komt in het telegram nog niet voor, maar de politiek van inperking met militaire middelen zonder die te gebruiken wordt wel aanbevolen. Gepaard daaraan moet Washington zich toeleggen op de ondermijning van het sovjetsysteem met alle andere middelen.

Dit beginsel hebben Amerika en West-Europa daarna met wisselend maar gestaag toenemend succes gevolgd. En tot besluit kon president Reagan van Gorbatsjov eisen to tear down that Wall, terwijl die Muur in feite al afgebroken was. De angst en haat uit de jaren van het mccarthyisme, de Hongaarse en Praagse opstanden, de Cubaanse rakettencrisis, waren verleidingen om echt ten oorlog te trekken. Bijtijds zijn alle Amerikaanse regeerders van toen teruggekeerd tot het concept van Kennan. Ook daardoor is voorkomen dat West-Europa een radioactieve puinhoop werd.

Terug tot onze nieuwe historische periode. Nadat twee jaar geleden de laatste pleidooien voor een voortgezet containment van Saddam Hoessein waren verstorven, begon de oorlog met shock and awe, de nachtelijke hemel boven Bagdad verlicht door het grootste precisiebombardement aller tijden. Geschokt en van ontzag vervuld zouden de Irakezen begrijpen wie in hun land de baas was. De standbeelden vielen, de bevrijde burgerij juichte en wie daar niet aan meedeed, ging plunderen. Things happen, zei minister Rumsfeld. Het hele land werd in een oogwenk bezet. Op 1 mei 2003 verklaarde de president dat de «major operations» waren afgelopen. Daarna begon de echte oorlog. Het zoeken naar de verzonnen massavernietigingswapens werd opgegeven. Meer dan anderhalfduizend Amerikanen sneuvelden en een onbekend aantal Irakezen, waarschijnlijk ongeveer twintigduizend soldaten en burgers, misschien honderdduizend.

Maar de opmars van de democratie was niet te stuiten. Intussen zijn er verkiezingen gehouden, er is een regering gevormd, afgelopen weekend zijn in de nieuwe democratie bij aanslagen 45 Irakezen en Amerikanen om het leven gekomen. Ik noem maar een paar hoofdzaken. Vergelijken we het werkelijke verloop van deze oorlog met wat de architecten van de eerste voorbereidingen af hebben voorspeld, dan zal het na Vietnam moeilijk zijn een zo verpletterende incongruentie op te sporen. Maar het gaat vooruit! zeggen de voorstanders van de oorlog. Ja, het zou wel een wonder zijn als al het geld weggegooid zou zijn.

Andere resultaten van de oorlog. In andere landen in de regio die op de nominatie staan om gedemocratiseerd te worden, ziet het volk Irak als een te vermijden voorbeeld. Maar acuut gevaar is er niet omdat Amerika financieel en militair op het ogenblik niet in staat is nóg zo’n oorlog te voeren. Het westelijk bondgenootschap blijft ondanks de verzoeningsreis van de president diep verdeeld, een duidelijk concept van de Amerikaanse buitenlandse politiek is er niet. Maar Nederland, als vertrouwde bondgenoot van Washington, zal tot nadere samenwerking worden uitgenodigd. Tot nader order moeten we nog meer op onze hoede zijn dan twee jaar geleden.