George Sluizer, 25 juni 1932– 20 september 2014

In Nederland kreeg filmregisseur George Sluizer nooit de erkenning die hem in het buitenland wel ten deel viel. Tien jaar geleden emigreerde hij naar Frankrijk, weg van de Nederlandse calvinistische moraal.

Of je nu katholiek, protestants, joods of ‘niets’ bent, in Nederland zijn we allemaal calvinisten. Dat zei George Sluizer in antwoord op de vraag waarom hij iets meer dan tien jaar geleden naar Frankrijk emigreerde. Hij voegde eraan toe dat het er ook mee te maken had dat hij ‘wat warmte op mijn oude botten wilde hebben’. Maar uiteindelijk ging het hem erom Nederland te ontvluchten, weg van het ‘Nederlandse denken’, weg van ‘de christelijke moraal die alles doordrenkte’. Hier is iedereen opvoeder, dominee, maatschappelijk werker. En de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh? Sluizer: ‘Die hebben indirect een grote invloed gehad op de Nederlandse samenleving, waarin ik me door de toenemende benepenheid, de toenemende ongastvrijheid tegenover “buitenlanders” en de toenemende mate waarin alles volgens economische maatstaven werd beoordeeld, steeds minder thuis voelde. Ik ben er niet om weggegaan, maar ik ben wel blij dat ik weg ben.’

Deze opmerkingen zijn opgetekend door Hans Heesen in zijn twee jaar geleden verschenen boek Wie zijn ogen niet gebruikt, is een verloren mens. In gesprek met George Sluizer. Ze tekenen de haat-liefdeverhouding die de regisseur, geboren in Parijs en opgegroeid in verschillende landen, vooral Portugal, had met het land waar hij vanaf zijn twaalfde woonde. Naast Paul Verhoeven, en nu ook Anton Corbijn, was Sluizer de succesvolste Nederlandse regisseur in het buitenland. The New York Times bejubelde zijn beroemdste film, Spoorloos (1988). Ook zijn laatste werk, Dark Blood, lang onvoltooid wegens het overlijden van hoofdrolspeler River Phoenix, kreeg uiteindelijk lovende kritieken.

Eigenaardig genoeg viel Sluizer net als Paul Verhoeven en Anton Corbijn in eigen land nooit dezelfde erkenning als in het buitenland te beurt. Het is een curieus fenomeen, bijna alsof Nederlandse filmmakers die internationaal werken, wat bijna per definitie betekent dat ze succesvol zijn, hier aan strengere criteria worden onderworpen dan plaatselijke cineasten. In Heesens boek zegt Sluizer zich er niet echt aan te storen dat hier ‘relatief weinig’ over hem bekend is, terwijl hij in Amerika een naam als goede regisseur heeft. ‘Ik ben daar — terecht of onterecht, dat laat ik het midden — meer “top” dan in Nederland waar ik nauwelijks besta.’

Wie nauwelijks bestaat, komt misschien in de verleiding een beeld van zichzelf te creëren waar de wereld niet omheen kan. De gesprekken tussen Sluizer en Heesen zitten propvol verhalen en anekdotes die op de verbeelding werken. Zo vertelt de regisseur dat hij na Twee vrouwen (1979), een mislukte film met Bibi Andersson en Anthony Perkins naar een roman van Harry Mulisch, production manager werd bij Fitzcarraldo, de beroemde film van Werner Herzog. Later in zijn antwoord corrigeerde Sluizer dat: hij was in werkelijkheid producent van het Braziliaanse gedeelte van de film. En wat al niet meer, zelfs vliegtuigmecanicien! Toen het vliegtuigje waarin Herzog en Sluizer en nog iemand zaten in de jungle crashte, nu ja, soort van, knakte de vleugel van het toestel. Het gevaar bestond dat de inzittenden wekenlang gestrand zouden zijn in onherbergzaam gebied. Sluizer: ‘Gelukkig had ik gaffertape bij me! Ik heb de vleugel gespalkt met takken die ik vastmaakte met die tape. Zo zijn we teruggevlogen.’

Sluizer heeft elders films gemaakt die hij in Nederland nooit kon maken

Fitzcarraldo. Herzog. En dus ook Klaus Kinski. Met Kinski heeft Sluizer ‘voor zijn leven moeten vechten’. In het gerestaureerde operahuis van Manaus hing boven de schoorsteenmantel de ‘enige gobelin in Brazilië’. Kinski wilde op de foto met de gobelin en klom op de schoorsteenmantel. Toen Sluizer aan hem vroeg het tapijt niet te beschadigen, werd de Duitse acteur woest. Sluizer ‘flikkerde’ Kinski op de grond. Kinski pakte een vork en probeerde Sluizer ermee in zijn ogen en keel te steken. ‘Ik had echt al mijn kracht nodig te overleven, want ik wist zeker dat hij mij probeerde te doden… Uiteindelijk kon ik hem een vuistslag in zijn buik geven, zodat hij buiten adem was en ik kon opstaan.’

Of Sluizers verhalen allemaal kloppen? Toen het boek twee jaar geleden verscheen, plaatsten critici er vraagtekens bij, bijvoorbeeld André Waardenburg die zich in De Filmkrant afvroeg of bij auteur en regisseur soms ‘mythomane neigingen’ bestonden. Immers, in het boek ontbreken objectieve bronnen die de verhalen bevestigen. Dat klopt. Maar het is irrelevant of Sluizer in werkelijkheid met Kinski heeft gevochten, of hij daadwerkelijk een vliegtuig met plakband heeft gerepareerd. Punt is dat Sluizer net als Verhoeven en Corbijn het Nederland van de ‘moraal’, van de fact checkers, achter zich heeft gelaten en elders films heeft gemaakt die hij nooit hier zou hebben kunnen maken. Omdat hij zich hier niet thuis voelde.

Dezelfde Herzog zei onlangs in een interview dat feiten en waarheden niet dezelfde dingen zijn. Als ook voor Sluizer waarheden belangrijker dan feiten waren, valt te begrijpen dat het in het Nederland van ‘allemaal calvinisten’ en toenemende ‘benepenheid’ voor hem geen doen meer was. En dan was het misschien onafwendbaar dat hij zich kort voor het einde van zijn leven in de woestijn van Arizona bevond met River Phoenix, Jonathan Pryce en Judy David, drie acteurs die personages spelen die de fatale driehoeksverhouding in Spoorloos echoën in een film juist over de waarheid van mythen. Ook al bleef Dark Blood onvoltooid, het werk bevat onvergetelijke scènes, vooral het moment vlak voordat Phoenix in de armen van Davis sterft, en hij haar vraagt haar borsten te ontbloten, zodat hij met zijn wang haar lichaam kan aanraken. Een moment vol waarheid, een moment om te voelen, niet om over na te denken of te analyseren. Sluizer: ‘Het enige wat ik echt relevant vind, is schoonheid.’


Beeld: Martin Savenije