H.J.A. Hofland

George W. Bush ontmaskert zichzelf

Wordt een Amerikaanse president herkozen, dan is hij in zijn tweede termijn altijd zwakker dan in zijn eerste, luidt een historische wijsheid. Hij hoeft zichzelf niet meer te bewijzen, hij is meer dan tevreden over zijn successen, hij boet in aan achterdocht en zelfkritiek. Zo is het altijd geweest en zo is het nu weer. Het bewind van president George W. Bush moet nu het hoofd bieden aan een reeks schandalen. Dat is niet meer dan normaal; een natuurverschijnsel in de politiek. Wat Richard Nixon met Watergate is overkomen, is heel wat erger. Zo, in grote trekken, verdedigen de toegewijde aanhangers op het ogenblik hun leider.

De werkelijkheid is anders. Het is waar dat de directe omgeving van de president in schandalen en mislukkingen verstrikt is geraakt. Maar dat is niet begonnen na zijn herverkiezing. De oorsprong ligt in zijn eerste ambtstermijn, toen in het diepste geheim de eerste voorbereidingen tot de oorlog in Irak werden getroffen. In het vervolg daarop werd een georganiseerde propagandaoorlog tegen Saddam Hoessein gevoerd. De kern was meervoudig. De dictator, zo ging het verhaal, werkte samen met al-Qaeda, hij beschikte over massavernietigings wapens en hij had geprobeerd in Niger uranium te kopen. Dit alles was voor Bush c.s. voldoende om zich niet langer door de inspecteurs van de Verenigde Naties te laten hinderen, maar zonder verdere poespas te beginnen met de oorlog die ze wilden.

De bedenkers van deze opzet vallen nu door de mand. Ieder schandaal heeft zijn fasen. Het begint in het verborgene. Dan ontstaat het eerste lek. Daarop volgen de beschuldigingen over en weer. De open bare mening eist een nader onderzoek. Dat concentreert zich om bepaalde hoofdverdachten. Die fase is nu bereikt. Lewis «Scooter» Libby, de naaste adviseur van vice-president Dick Cheney, is in staat van be schuldiging gesteld wegens meineed, het afleggen van valse verklaringen en belemmering van de rechtsgang. Tegen Karl Rove, de adviseur van Bush, bijgenaamd «de hersenen van de president», loopt een onderzoek waarvan nog niet bekend is of het tot een rechtszaak zal leiden.

In Nederland, opnieuw verdiept in herdenkingen, het doen en laten van onze eigen ministers, dansfestijnen en voetbal, bestaat voor dit alles weinig aandacht. Af en toe bekruipt me een aarzeling als ik op het punt sta weer eens aan een stukje over Ame rika, zijn president en Irak te beginnen. Dat ik het toch doe, is omdat ik ervan overtuigd ben dat sinds George W. Bush bijna vijf jaar geleden door het Hoog gerechtshof tot president werd benoemd, in Washington de geschiedenis van het Westen een nadelige wending heeft genomen. En dat dit wereldbeleid, gebouwd op valse veronderstellingen en verkeerde diagnosen, ons is verkocht met behulp van op zijn best doelbewust opgeschroefde verwachtingen en op zijn slechtst leugens. Dit wereldbeleid is in Washington tot een systeem geworden.

Kort nadat in 2000 Bush door het Hooggerechtshof tot president was benoemd schreef James K. Galbraith (zoon van de beroemde John K.) in de Texas Observer een column waarin hij dit systeem corporate democracy noemde. Een politieke versie van wat in het grote bedrijfsleven ingang heeft gevonden. Een raad van commissarissen benoemt de top van het management, dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken. Dan benoemt het management op zijn beurt de commissarissen. Zo blijft de continuïteit in het concern bewaard. In deze Ame rikaanse corporate democratie treedt het Hoog gerechtshof op als de raad van commissarissen. In geval van twijfel hakt dit de knoop door ten gunste van het geestverwante management. Het recentste voorbeeld. Eerst was het Bush bijna gelukt om de volgende geestverwante commissaris, mevrouw Miers, te benoemen. Dat is niet doorgegaan. Ze had te weinig verstand van het werk dat ze zou moeten doen. Nu heeft hij Samuel Alito voorgedragen, een man die de hartelijke steun van christelijk rechts geniet en een gruwel is voor iedereen die enigszins liberaal denkt.

Langzamerhand wordt duidelijk dat deze regering niet zozeer een democratisch bewind is, als wel een geheime ideologische en zakelijke belangen gemeenschap. Een soort kongsi in het genre van wat president Eisenhower het militair-industrieel complex heeft genoemd. Lang heeft het zich kunnen handhaven doordat het erin was geslaagd het patriottisme te monopoliseren. Nu valt het ene gat na het andere, en zo opent zich het uitzicht op bijna vijf jaar vergissingen, misleidingen en toenemend wanbeheer.

Dat is voor de trouwe vrienden van de president een diepe ontgoocheling. Ook als ze zien hoe hun held mislukt, willen ze geloven dat de kritiek voortkomt uit Europese slapte, lafheid, behoefte aan leedvermaak of een ongeneeslijk anti-Amerikanisme. De slinkende aanhang van Bush verweert zich; houdt vol dat de president in de voorste linie tegen het terrorisme strijdt; dat in Irak een humanitaire oorlog wordt gevoerd; en door het de critici kwalijk te nemen dat ze de grote mislukking te vroeg hebben zien aankomen. En de critici staan op het punt zich daarvoor te verontschuldigen. Een bijna ontroerend bewijs daarvan gaf columnist Robert Plasterk afgelopen zondag in Buitenhof. Hij had zich een beetje verkleed als Bob Dylan, hij begeleidde zichzelf op de gitaar (mooi) en zong een liedje van Dylan. Néé, ik ben niet anti-Amerikaans was zijn boodschap. Die president daar is de catastrofe.

Althans voor de helft. De andere helft bestaat eruit dat Europa zich met open ogen een alternatief voor een uitvoerbare wereldpolitiek heeft laten ontnemen.