Georges Perec weet je van droom tot droom te boeien

Aandacht volgt op ontspanning en ontspanning volgt op aandacht. Dat is het ritme dat onze wereld beheerst. Op je droom volgt de kalme slaap, en daarna weer de droom. Of je wordt wakker, maar een tijd later val je weer in slaap. Maar misschien droom je het allemaal: ‘Ik word wakker. Of ik droom dat ik wakker word.’

In een van de meest opwindende boeken over wat er tijdens de slaap gebeurt, Olga Quadens’ De architectuur van de droom, las ik: ‘De droom is tijdens de slaap wat de aandacht overdag is.’ Dit blijkt uit onderzoek naar wat er in de hersenen gebeurt. Het droomonderzoek richt de aandacht op het vanzelfsprekende.

Ik lees De duistere winkel, 124 dromen van Georges Perec, een ruime maand geleden verschenen. Perec schreef van mei 1968 tot augustus 1972 zijn dromen op in zijn dagboek. Weinig is zo saai als andermans dromen, hoe aangrijpend of plezierig ze ook zijn geweest voor de dromer. Maar Perec is een groot schrijver, en hij weet me van droom tot droom te boeien. Een van de dingen waar mijn aandacht zich op richt: hoe krijgt hij dat voor elkaar? Ik denk dat het met zijn helderheid heeft te maken.

De tekst achter op het boek suggereert dat Perecs belangstelling voor de droom iets te maken heeft met de psychoanalytische behandelingen die hij onderging en met zijn poging in het reine te komen met een stukgelopen liefde. Het mag van mij, zulke verklaringen, maar ik vind het biografische kitsch. In een gesprek met Frank Venaille (in Raster 54) zegt hij over zijn werk: ‘Het was niet: “Ik heb die en die dingen gedacht”, maar de lust om een geschiedenis van mijn kleren of van mijn katten te schrijven! Of droomverslagen.’

‘De benedenbuur heeft een reusachtige schoorsteen in zijn huis. Hij maakt vuur en mijn slaapkamer staat in brand.’ Zo werken de hersenen: je ziet een schoorsteen, je denkt aan brand en meteen staat je huis in lichterlaaie. En omdat alles volgens verwachting verloopt, is het niet verontrustend: ‘Je ziet onder de verkoolde vloerplanken stukken metselwerk en uiteinden van de staalconstructie. Mijn vriend vraagt me met een zekere ongerustheid wat we zullen doen. Maar ik ben helemaal niet in paniek en ik som rustig de lijst van noodzakelijke werkzaamheden op.’ Het is bijna een mop. Of een gedicht.

Wat een droom van Perec spannend maakt, heeft niets met zogenaamde spanningsbogen te maken. Het is het probleemloze schakelen in wat je meemaakt, de vanzelfsprekende gedaantewisselingen, de moeiteloze associaties, het plotselinge begin en het abrupte einde.

Zolang de droom duurt, word je niet geremd door een aaneenschakeling van zekerheden. Als je droomt, hebben je hersenen geen probleem met de onzinnigheid die vanzelf ontstaat: ‘Dan arriveert de echtgenoot van de buurvrouw. Het is een vermoeide oude man. Hij heeft geen snor. Of hij heeft er juist wel een.’

Mijn favoriete Perec-droom: ‘Ik moet in twee toneelstukken spelen. Een recent optreden als figurant heeft mijn acteurstalenten aan het licht gebracht en de keuze is binnen de kortste keren op mij gevallen. Wanneer ik het toneel op loop, merk ik dat ik mijn rol niet gerepeteerd en niet eens een keer gelezen heb. Het tafereel speelt zich af in een grote hal-café-slaapzaal-kantine. De acteurs zitten aan een tafel. Ik neem plaats op de vrij gebleven stoel, helemaal vóór op het toneel.’

Even later: ‘Het stuk begint. Ik ben de draad kwijt. Ik heb het idee dat ik maar een eind weg klets. Gelukkig heeft de auteur een zeer onsamenhangende tekst geschreven. Het is meer een soort van geroezemoes.’ Perec als toneelspeler in zijn droom, maar ook als toeschouwer. De aandacht gericht op zijn eigen geroezemoes. ‘Na me enige tijd hoogst gegeneerd te hebben gevoeld (ik verknoei het werk van de anderen) verschijnt de oproerpolitie achter in de zaal. Het maakt deel uit van het stuk. Grote verwarring.’

In zulke droomverslagen zie je Perecs aanstekelijke lust om te schrijven. Maar ook de vrijheid die de droom biedt, de bevrijding van de dagelijkse samenhang. Het zijn gedichten die er uitzien als verhalen.

Ik moest denken aan Tomas Tranströmer. Een fragment van zijn Droomseminarie:

‘Het boek waarboven iemand in slaap viel,
ligt, opengeslagen nog,
gewond op de rand van het bed.
De ogen van de slaper bewegen,
volgen de letterloze tekst
in een ander boek –
geïllumineerd, archaïsch, snel.
Een duizelende commedia binnen op de
kloostermuren van de oogleden gekalligrafeerd.
Eén enkel exemplaar. En alleen nu!
Morgen is alles uitgewist.’