De Iraakse wederopbouw volgens de Amerikaanse methode

Geostrategische democratisering

De Amerikanen bereiden in Irak in hoog tempo de overdracht van de politieke macht voor. Tegelijkertijd snijden ze de weg naar militaire zelfstandigheid af, overtuigd als ze zijn van hun wijze van ‹nation building›. Het is de vraag of dat terecht is.

Het Centrum für Angewandte Politikforschung (CAP) van de Ludwig Maximilians Universität noemt zich de «grootste onafhankelijke denkfabriek van Duitsland». En het moet gezegd, de dames en heren in München produceren aan de lopende band interessante bijdragen. Zo publiceerde aan de vooravond van de Irak-oorlog CAP-onderzoeker Josef Janning een serie stellingen over de naaste toekomst van Irak en de rol die de Amerikanen er zullen spelen.

Stelling één: na een gewonnen oorlog zullen de VS zo snel mogelijk het burgerlijk gezag overdragen, maar de militaire soevereiniteit van Irak zullen ze tot in lengte van jaren tegenhouden. Die verwachting lijkt uit te komen. De civiel bestuurder van Irak, generaal b.d. Jay Garner, heeft bekendgemaakt dat hij over twee weken een voorlopige regering wil installeren. Als vermoedelijke leden worden vertegenwoordigers van de grootste etnische en religieuze groepen genoemd: de leider van de Koerdische Democratische Partij Masoed Barzani, de aanvoerder van het Iraaks Nationaal Congres Ahmed Chalabi, de voorzitter van het Iraaks Nationaal Akkoord Iyad Allawi en de broer van de leider van de Hoogste Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak, de sjiïet Abdoel Aziz al-Hakim. Er wordt nog gezocht naar een soenniet en een christen.

Daarentegen willen de Amerikanen van Irak hun voornaamste militaire uitvalsbasis in het Midden-Oosten maken, en er een bezettingsmacht aanhouden van zestig- tot honderdtwintigduizend man, afhankelijk van de politieke stabiliteit. Ze willen er ten minste vier permanente legerbases vestigen, onder meer bij de havenstad Umm Qasr. Voorts zijn er plannen het land op te delen in een Amerikaanse, een Britse en een Poolse bezettingszone, wat ook wijst op een blijvende militaire aanwezigheid. Intussen buigt de Carlysle-groep, een consor tium van Amerikaanse wapenhandelaars zich over de wederopbouw van het Irakese leger.

Als Irak voortaan afhankelijk is van Amerikaanse wapenleveranties, instructeurs en logistieke steun zal het zich niet kunnen ontwikkelen tot een soevereine staat. Kortom, terwijl de overdracht van de politieke macht in hoog tempo wordt voorbereid, wordt de weg naar militaire zelfstandigheid afgesneden. Om de twee trajecten te scheiden heeft Washington vorige week de beroepsdiplomaat Paul Bremer aangesteld als baas van Garner. Het is de vraag of het daarvoor niet te laat is, want de toon voor Washingtons Irak-beleid in de komende jaren is duidelijk gezet door het Pentagon, niet door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

«De Amerikanen verkeren in een hondsmoeilijk dilemma, al zullen ze dat niet openlijk toegeven», zegt CAP-onderzoeker en Irak-expert Felix Neugart. «Het vergt veel tijd, aandacht en investeringen om een uitgewoond land als Irak weer enigszins op poten te zetten. Toch moeten ze dat doen, want ze willen van Irak een democratische uitstalkast voor het Midden-Oosten maken, net zoals West-Berlijn destijds de uitstalkast van het vrije westen in het Oostblok was. Tegelijk wordt duidelijk dat er een groeiende oppositie is tegen hun aanwezigheid, met name van sjiïtische zijde. Hoe langer ze zichtbaar aanwezig blijven en interve niëren in de politieke ontwikkeling, hoe groter die oppositie zal worden. Ze lopen het risico dat de ruiten van hun uitstalkast weer even snel worden ingegooid als ze hem opbouwen.»

President Bush en zijn adviseurs verwijzen graag naar Duitsland en Japan als voorbeelden van geslaagde democratisering onder Amerikaans toezicht, maar uit het bovenstaande wordt al duidelijk dat die vergelijking mank gaat. Janning doet er in zijn stellingen nog een schepje bovenop. Hij verwacht dat de Amerikaanse publieke belangstelling voor Irak snel zal afnemen. Met de presidentsverkiezing van 2004 in het verschiet zal het nationale debat worden gedomineerd door economische vraagstukken, niet door buitenlandse politiek en het vraagstuk van nation building in Irak of Afghanistan, een activiteit waarvoor de neoconservatieven rond Bush toch al huiverig waren totdat ze ertoe werden gedwongen door hun campagne tegen het terrorisme.

Een soort Marshall-plan voor Bagdad is onder die omstandigheden ondenkbaar. Bush’ plannen voor belastingverlaging hebben om binnenlandpolitieke redenen de voorrang boven een miljardeninvestering in Irak. «De VS kunnen een blijvend engagement niet opbrengen», schrijft Janning. Derhalve zullen ze de steun van de gesmade Verenigde Naties en de tot op het bot verdeelde Europese Unie toch weer nodig hebben. Een bijkomend probleem voor de Amerikanen is dat ze pretenderen dat hun methode van nation building beter is dan die van de VN of de EU. Het is een vast propagandathema geworden van denktanks als Brookings, Heritage en Rand, zeg maar the usual suspects die de regering-Bush van de benodigde legitimatie trachten te voorzien.

Op het eerste gezicht hebben ze gelijk: de erbarmelijke staat van dienst van de VN in Somalië, Haïti of op de Balkan staat in schril contrast met de Amerikaanse successen in Japan, Duitsland, Panama of Grenada. «De zogenaamde internationale gemeenschap heeft de wil noch de kennis om naties op te bouwen», aldus een medewerker van The Carnegie Endowment for International Peace. Internationale onderhandelaars buigen volgens hem voor krijgsheren, nemen genoegen met papieren successen en gooien geld over de balk. «Zolang de Amerikanen het in 1999 veroverde Kosovo bestuurden, werd het vuilnis opgehaald», schrijft The Wall Street Journal. «Zodra de VN het bestuur overnamen, stapelde het huisvuil in Pristina zich op. Er stonden peperdure Duitse vuilniswagens klaar, maar de VN hadden geen geld opzij gezet voor de benzine.»

Bij nader inzien klopt deze redenering niet. Direct na de Tweede Wereldoorlog was er geen internationaal of multilateraal alternatief voor de Amerikaanse bezetting van Duitsland en Japan. Dat is pas ontwikkeld in de jaren tachtig toen de ontwikkelings organisaties van de VN volwassen werden. Bovendien ligt de verhouding tussen Amerikaanse en internationale wederopbouwpogingen genuanceerder. Van de zestien Amerikaanse pogingen een democratie te vestigen in de laatste honderd jaar zijn er maar vier geslaagd. De meeste mislukkingen (voornamelijk interventies aan het be gin van de twintigste eeuw in Latijns-Amerika — Cuba, Dominicaanse Republiek, Guatemala) zijn niet aan de VN te wijten. In recente ge vallen (Haïti, Somalië) droegen de Amerikanen hun operaties juist aan de VN over omdat ze dreigden te mislukken. De internationale gemeenschap werd opgezadeld met Amerikaanse fouten en er vervolgens verantwoordelijk voor gesteld.

Een betere vergelijking is die tussen twee wederopbouwpogingen in de jaren negentig, in Somalië en Oost-Timor. De eerste, een Amerikaans initiatief, was een laatste internationale bevlieging van president Bush sr. die was weggestemd vanwege zijn economische beleid. Operatie Restore Hope moest de honger lenigen en eindigde tegen wil en dank in nation building. Die poging ontaardde weer in een gevecht met de machtigste krijgsheer van het land, Mo hammed Farah Aidid, die goed had begrepen dat Amerika vooral de Somalische olie kwam «democratiseren» ten behoeve van Co noco, Amoco en andere oliemaatschappijen in de VS. Toen de VN het commando overnamen, was de toestand zo ver geëscaleerd dat er voor de vredestroepen geen eer te behalen viel.

In Oost-Timor werkte een internationale in terventiemacht, zonder Amerikaanse inbreng heel anders. Er lag een doordacht plan om het land te democratiseren, de vredestroepen kregen een duidelijke geweldopdracht en pasten die onder Australische leiding doortastend toe.

Inmiddels zetelt er een democratisch gekozen regering terwijl de voormalige guerrillatroepen en door de Indonesische regering geronselde doodseskaders worden opgeleid tot reguliere soldaten. De VN-interventiemacht gooide het dus niet op een akkoordje met Oost-Timorese krijgsheren, zoals de Amerikanen dat in Afghanistan hebben gedaan. En trachtte niet krampachtig de gefortuneerde inwoners te beschermen tegen de gerechtvaardigde eisen van de allerarmsten, de grote fout die de VS in Haïti hebben gemaakt.

Wat de naaste toekomst van Irak aangaat, is de meest voor de hand liggende vergelijking een combinatie van twee interventies, in de Amerikaanse pers kernachtig aangeduid als «Vietmalia». De Irakezen weten dat de Amerikanen Saddam slechts hebben verjaagd in hun eigen belang en dat ze om dezelfde reden een poging tot wederopbouw zullen doen, al zijn ze waarschijnlijk niet bereid er veel voor te betalen. De verhoopte democratisering van het land wordt ondergeschikt gemaakt aan de geostrategische overwegingen van Washington, er is geen duidelijk plan en het risico van een escalatie en een lange periode van gewelddadige onderdrukking is levensgroot. Je zou bijna gaan hopen dat de Amerikaanse publieke belangstelling voor Irak snel afneemt. Des te eerder kan een VN-bestuur er aan de slag gaan om het ergste puin te ruimen.