Oosterijkse kunstenaars organiseren zich

Gepassioneerde verzetskunst

De neiging om tot het uiterste te gaan lijkt Oostenrijkse kunstenaars in het bloed te zitten. Een jaar geleden namen zij het voortouw in de felle binnenlandse protesten tegen de toetreding van de FPÖ tot de Oostenrijkse regering.

Je moet je vijand nooit onderschatten. Dat is in Oostenrijk maar weer eens bewezen. Ook in Oostenrijk heeft men lang gedacht dat het met extreem-rechts niet zo'n vaart zou lopen. Ook daar dachten ze dat de meeste kiezers toch wel genoeg gezond verstand zouden hebben om niet op zo'n politieke paljas als Jörg Haider te stemmen. Niet dus. Bovendien bleek de paljas met zijn onbekookte uitspraken in onvervalst Nazi-jargon in staat te zijn om zijn gedaante te veranderen en om met de tijd, de huidige mediatijd, mee te gaan.

Hij mat zich het uiterlijk aan van een succesvolle zakenman en verscheen ook regelmatig in de gedaante van een populaire skileraar. Een aantrekkelijke man die goed voor zijn lichaam zorgt en op tijd naar een goede kapper en dure tandarts gaat. Hij liet zijn uitspraken na een flink aantal aanvaringen met justitie wegen door advocaten en schopte de meer criminele elementen uit zijn Freiheitliche Partei Österreich (FPÖ). Hij trouwde zelfs (als homoseksueel in het geniep) om volledig te voldoen aan het beeld van de rechtschapen familieman. Met andere woorden: hij deed het goed als wolf in schaapskleren. Hij heeft zich inmiddels zo geïdentificeerd met zijn nieuwe imago dat hij het zelfs presteert om zijn ergste vijanden — de progressieve kunstenaars en intellectuelen — uit te maken voor «linken Kultur faschisten».

Maar de grote schok in Oostenrijk was nog niet eens het nieuwe succes van Haider (die tenslotte al sinds 1986 aanvoerder van de FPÖ is), maar het feit dat een «gewone» politicus van een normale democratische partij, Wolfgang Schüssel van de Österreichische Volkspartei (ÖVP), het mogelijk maakte dat de FPÖ afgelopen januari aan de macht kwam.

Veel mensen die in de culturele, artistieke en wetenschappelijke sfeer werken, reageerden als door een wesp gestoken. Plotseling moesten ze een traumatische situatie verwerken die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden. Plotseling ook moesten ze onomwonden partij kiezen in een op slag gepolemiseerde situatie. De groei en bloei van de FPÖ was velen uiteraard opgevallen, maar bijna iedereen dacht dat de eeuwige coalitie tussen de sociaal-democraten van de spö en de ÖVP ook eeuwig zou blijven.

Sinds mensenheugenis hadden de spö en de ÖVP Oostenrijk met een soort handjeklappolitiek geregeerd. De zogenoemde «Proporz» hield in dat alle baantjes en alle invloed evenredig tussen de twee partijen werden verdeeld. Een systeem dat buitenstaanders (als de FPÖ) uitsloot van alle hogere overheidsfuncties. Die politiek van «schwarz-roten Proporzes» heeft vele ontevredenen opgeleverd en was koren op de molen van rechtse populisten die tot het volk riepen dat de hoge heren het toch allemaal onder elkaar uitmaken en verdelen.

De nieuwe nette Haider bleef na het smeden van een «blauw-zwarte coalitie» zogenaamd bescheiden op de achtergrond. Hij is Landeshauptmann in Karinthië (Kärnten) en op afstand (en via de partijkanalen, want binnen de FPÖ is hij de superboss) speelt hij zijn spel dat hem uiteindelijk bondskanselier moet maken. Hij omschrijft zichzelf graag als een eenvoudig partijlid uit Karinthië, maar iedereen weet wel beter. Haider is de leider.

De bizarre regeringsvorming van de ÖVP met de FPÖ leidde direct tot felle protesten en grote demonstraties. Kunstenaars namen hierin het voortouw. Onder het motto Die Kunst der Stunde ist Wiederstand gingen ze de straat op. En internet. In een mum van tijd ontstond er een woud aan kunstzinnige protestsites. Een van de aardigste en nog altijd zeer actieve is die van de van oorsprong Luxemburgse animatiefilmster Bady Minck. Haar Elektro-frühstück/Electronic Breakfast heeft de vorm van een speelse, geanimeerde website (en een mailinglist van e-mail-bijdragen). Ze bracht en brengt daar teksten van schrijvers en intellectuelen en beelden van kunstenaars onder de aandacht van inmiddels duizenden belangstellenden, die ook van buiten Oostenrijk komen.

Er wordt zoveel «web-strijdkunst» in Oos tenrijk gemaakt dat er een ironische maar toch ook serieuze prijs werd uitgeloofd, de Austrian Web Resistence Award. Ten onrechte werd Minck slechts tweede na Welt ohne Rassisismus (www.no-racism.net/MUND). Volgens de jury was de site van Minck slim, artis tiek en humoristisch en zo is het maar net.

Ook werd opgeroepen de kunstinstellingen te boycotten. De kunstcriticus en curator Robert Fleck, die al jaren in Frankrijk woont en werkt, schreef in Libération een oproep aan beeldende kunstenaars om geen werk meer af te staan voor tentoonstellingen zolang de FPÖ nog in de regering zat. De opdracht om een tentoonstelling te maken in de Kunsthalle in Wenen over kunstenaars die in die stad leven en werken, gaf hij demonstratief terug. Hij organiseerde zelfs een tegen-tentoonstelling in het Zwitserse Fribourg met werk van kunstenaars die gehoor hadden gegeven aan zijn oproep tot boycot.

Toen na de dramatische regeringsvorming ook nog de Europese Unie haar sancties afkondigde, raakte het culturele en intellectuele klimaat in Oostenrijk in hoog tempo vergiftigd. De boycot werd niet breed gedragen, want gezien als een zelfverwondende strategie. Breder werd gekozen voor allerlei vormen van protest en verzet binnen de eigen discipline.

De ongetwijfeld meest spraakmakende actie werd uitgevoerd in opdracht van Luc Bondy, de directeur van de Wiener Festwochen. Hij nodigde de beruchte Berlijnse beroepsprovocateur, theatermaker, cineast, talkshow-host en ludiek politicus Christoph Schlingensief uit om via een theatrale actie te reflecteren op de nieuwe politieke situatie. Schlingensief voelde de tijdgeest goed aan. Hij liet een «container», een soort prefab noodwoning, voor de Staats oper plaatsen. Met een zestal camera’s maakte hij er een soort Big Brother-huis van en hij vroeg aan een groep uitgeprocedeerde asielzoekers om in de container de tijd voor hun uitzetting door te brengen. Het publiek kon via een web-televisieprogramma dagelijks drie containerbewoners kiezen die zouden moeten worden uitgezet. De anonieme asielzoekersstroom kreeg zo een gezicht en de uitzetting werd pijnlijk.

Er rees een storm van verontwaardiging over zoveel mensenverachting en wansmaak. Schlingensief deed er nog een schepje bovenop door buiten aan de container oude, ongenuanceerde FPÖ-leuzen te hangen als «Ausländer raus» (de nog steeds functionerende web site van het containerproject heet ook www.auslaenderraus.at).

Toen een FPÖ-chef zich tijdens een toespraak op de Landesparteitag een oude «SS-Fahnenspruch» liet ontvallen, hing Schlingensief die zeer alert ook op zijn container zodat de asielzoekers vervolgens onder het motto «unsere Ehre heisst Treue» werden afgevoerd.

Schlingensief deed veel stof opwaaien en ook andere protestkunst kreeg de nodige aandacht, maar de politieke situatie bleef onveranderd. De regering leek zich aan de regels van de rechtsstaat te houden en de Europese sancties werden wegens contraproductiviteit opgeheven. Oostenrijk was geïsoleerd en had zich in een slachtofferrol gemanoeuvreerd. Brussel was nu de nieuwe vijand waar de hoge heren onder elkaar alles verdelen en de dienst uitmaken. Een boycot werkt niet.

Robert Fleck schreef een vertrouwelijke brief aan de kunstenaars die hij tot een boycot had opgeroepen. Het is het meest hypocriete schrijven dat ik ooit onder ogen heb gekregen. Hij kondigt een ommezwaai in zijn standpunt aan die echter om mediastrategische redenen nog even geheim moet blijven. Als de tijd rijp is, zal hij als een blad aan een boom omdraaien en dat allemaal in het belang van de reputatie van Oostenrijkse kunstenaars in het buitenland. Hij kon zijn gezicht niet verliezen bij de Franse anti-Haider-intellectuelen en daarom moesten de Oostenrijkse kunstenaars het nog even zonder hem doen (maar als niemand meer keek, zou hij weer snel overlopen).

Ook zonder Robert Fleck bleek de Kunsthalle in Wenen overigens in staat om van Living and working in/Lebt und arbeitet in Vienna/Wien een prikkelende tentoonstelling te maken. Drie buitenlandse curatoren, Maaretta Jaukkuri (Helsinki), Rosa Martínez (Barcelona) en Paulo Herkenhoff (Sao Paulo/New York), struinden de ateliers van jonge kunstenaars af en brachten een selectie samen die vooral demonstreert dat het kunstleven in dat zogenaamd verstikkende Oostenrijk feitelijk op het niveau staat van Berlijn, Barcelona, Londen en voor mijn part Amsterdam. In diversiteit en veelkleurigheid doet Wenen voor geen enkele Europese metropool onder en in radicaliteit steekt ze iedere stad naar de kroon.

Wellicht mede door de repressieve sfeer die dateert van ver voor het Haider-tijdperk, is de moderne kunst in Oostenrijk al decennialang vaak extreem en de aanleiding voor vele gepassioneerd beleefde schandalen. De zogenoemde Wiener-aktionisten, een groep performancekunstenaars met onder anderen Hermann Nitsch, Otto Muehl en Günter Brus, baarde eind jaren zestig en begin jaren zeventig veel opzien met ritueelachtige kunsttheatervoorstellingen waarbij naakte vrouwen, dierenbloed en stront de oude kunstenaarsmaterialen verf en penseel vervingen. In die jaren beleefde de wereld meer gekkigheid, maar nergens ter wereld ging het er zo grimmig en bloederig aan toe als in Oostenrijk. En die voorliefde voor het gaan tot het uiterste (kunstenaars belandden voor langere tijd in de gevangenis of pleegden zelfmoord) is bijna overal verdwenen, maar nu juist niet uit Oostenrijk.

Vorig jaar nog organiseerde Hermann Nitsch op zijn eigen landgoed een zesdaagse theatrale orgie van naakte lichamen en onwezenlijke hoeveelheden dierenbloed die het hele land weer in rep en roer bracht. De kleinburgers van de FPÖ zijn bepaald geen liefhebbers van dit soort extreme fysieke kunst die in hun kamp wordt omschreven als «Porno-Kannibalisme». Nitsch staat hoog op hun haatlijst. Een «erelijst» waarop ook de theatermaker Peter Turrini staat evenals de schrijver Gerhard Roth en de schrijfster Elfriede Jelinek. Hans-Henning Scharsach omschreef Jelinek in zijn uiterst zorgvuldig gedocumenteerde nieuwe boek Haider: Schatten über Europa, als de scherpste critica van het «Wirtshaus- und Jodelfaschismus».

Op een recente grote tentoonstelling in de prestigieuze Kunsthalle in Krems met de omineuze titel Milch vom ultrablauen Strom: Strategien Österreichischer Künstler 1960-2000, waren alle inmiddels wereldberoemde schandaal makers goed vertegenwoordigd. De jongere generatie kunstenaars is doorgaans milder en speelser, al is de behoefte om het menselijk lichaam te gebruiken — en dan vooral het eigen lichaam in al zijn intimiteiten — nog steeds groot.

Van de jongste generatie is Elke Krystufek zonder twijfel de meest spraakmakende. Ze behoort tot de weinige kunstenaars (met bijvoorbeeld de kunstenaar/filmmaker Edgar Honetschläger) die zowel in Krems als in Wenen op beide belangrijke tentoonstellingen met werk aanwezig zijn. Krystufek is, soms tot haar ergernis, veelvuldig vergeleken met de oude aktionisten omdat ze ook veel performances doet waarbij ze naakt optreedt. Al haar kunst draait om haar (intieme) persoonlijke leven en ze werkt als kunstenaar zeer gevarieerd. Naast performances maakt ze ook installaties en video’s en is ze een vlotte schilderes. Ze heeft ateliers in Wenen en Rotterdam.

In de Weense tentoonstelling laat ze foto’s zien van zichzelf waarbij ze poseert voor typisch Rotterdamse locaties. Ze schreef er een ironische tekst over in de catalogus waarbij ze haar verblijf in Rotterdam omschrijft als een vorm van «exile». Haar liefdesleven dreef haar naar Rotterdam (alles lijkt bij Krystufek te draaien om seks), maar ze staat niet alleen in haar behoefte om Wenen regelmatig te verlaten. De genoemde Honetschläger leeft wisselend in Tokio, Wenen en Los Angeles; Günter Brus liet in zijn biografie in de catalogus opnemen «Flucht nach Berlin» en niet weinigen vertrokken definitief, al bleven er ook achter om op Wenen en Oostenrijk te kunnen blijven schelden (in de goede traditie van Thomas Bernhard).

Het is in januari een jaar geleden dat het ongelooflijke toch mogelijk bleek: er regeren weer fascisten in Europa. De kruitdampen zijn echter opgetrokken, de sancties opgeheven en een culturele boycot is nooit van de grond gekomen. Oostenrijk raakt al weer een beetje uit zijn isolement en ook voor de culturele verzetshelden van het eerste uur gaat het leven steeds gewoner verder.

Jarenlange vriendschappen zijn in de dagen na de regeringsvorming verscheurd toen op hoge toon van iedereen werd verlangd zich zo duidelijk mogelijk uit te spreken over de politieke situatie. Solidariteit werd afgedwongen. Er ontstond een klimaat waarin kritiek binnen de eigen gelederen niet meer mogelijk bleek. En de eersten betalen hun tol voor hun consequente anti-regeringshouding.

Er is een nieuwe Proporz aan het ontstaan waarbij de baantjes worden verdeeld onder hen die zich niet openlijk tegen de regering hebben uitgesproken. In Karinthië wrijft de leider zich in zijn handen. De «Kulturmafia» is gebroken en de weg wordt vrijgemaakt om de FPÖ-organisaties Kulturforum freie Kunst en de Freiheitlichen Akademie een belangrijke rol in het culturele leven te laten spelen. Er is fors bezuinigd op het cultuurbudget en het is niet moeilijk te raden waar er gesneden zal worden.

Hermann Nitsch is allang een vermogend man, maar voor de komende generatie betekent het voortbestaan van de huidige situatie een zekere muilkorving. Er leven en werken in Oostenrijk vele getalenteerde en brutale, soms zelfs onbeschaamde, jonge kunstenaars. Maar voor hoelang nog?

Met dank aan: Pierre Daum (Libération, Krems), Bady Minck (Elektrozelle, Wenen), Ella Raidel («Lebt und arbeitet» in Berlin/Linz), Brigitta Burger-Utzer (Sixpack, Wenen), Alexander Horwath (ex-Viennale, Wenen), Edgar Honetschläger (Tokio/Wenen/L.A.) en Gustav Deutsch (Odyssey Today, Wenen).