Gepimpte zuigelingen

Renate Dorrestein
Laat me niet alleen
Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek / Contact

Schrijfster Renate Dorrestein verwerkt de zeven stappen van de leermethode Laat me niet alleen voor een Nederlandse editie. Een methode die mensen helpt bij het ouder worden in de 21ste eeuw, in zeven hoofdstukken met titels als Step One: Let’s Take a Look at Our Roots en Let’s Act Young. Tot zo ver de vorm van het Boekenweekessay, die, hoe origineel ook, toch nauwelijks meer dan een flauwe glimlach op wekt.

Wat betreft de inhoud brengt Dorrestein niet veel nieuws. Ze zet monter een betoog in met de weinig originele stelling dat het leven tegenwoordig maakbaar is en de ouderdom een te vermijden levensfase. 55-plussers zijn in de bloei van hun leven, mondig, actief, energiek en dynamisch, schrijft Dorrestein. Hun tweede jeugd geeft hun de tijd om Italiaans te leren of eindelijk die cursus kunstgeschiedenis te volgen. Los van de karikaturale voorstelling van zaken is het de vraag wat er zo erg aan is dat mensen langer fit en actief zijn.

Maar dan komt het. De oudere zoals die wordt opgevoerd in beleidsplannen en door reclamemakers wordt voorgesteld als een manager van zijn eigen levensloop, van het zielige oudje wil niemand meer wat weten. Hierdoor ontstaat volgens Dorrestein het idee dat oud worden een keuze is. Dus wat als je niet meedoet met de verjonging? Als je geen zin hebt om je te laten botoxen of een nieuwe taal te leren? Dorrestein kan het zich in ieder geval niet voorstellen dat ze straks zin heeft om onafgebroken te genieten en aan allerlei vormen van veronderstelde zelfvervulling te doen. Dan maakt ze haar slag: straks gaan de ziektekostenverzekeringen extra premie heffen bij wie niet blakend gezond oud wordt, vreest ze. Mag de bejaarde straks niet meer bestaan?

Hier zwalkt haar betoog. Wat ze bedoelt is dat de bejaarde zoals die vroeger bestond, uitsterft. Maar om dat vervolgens zodanig door te trekken dat oud worden ook door de overheid niet meer wordt getolereerd, gaat ver. Natuurlijk, deze gedachtegang past bij de toenemende nadruk die de overheid legt op eigen verantwoordelijkheid. Maar het is ook tekenend voor de manier waarop de schrijfster de verschillende niveaus van de discussie over ouder worden verwart. Het gaat over uiterlijk, lichamelijke en geestelijke gezondheid. Over werken, vrije tijd, sociale relaties. Op al deze niveaus heeft onze veranderende relatie met ouderdom een ander effect. Dorrestein gooit dit op één hoop, getuige de volgende, ongelukkig geformuleerde zin: ‘Of wat als het je eigen voorkeur heeft om, in plaats van maar dóór te managen en aan te sturen, gewoon een beetje voor je uit te suffen in een comfortabele stoel en je er eindelijk niet meer druk over te maken hoe je eruitziet en wat je allemaal op je gezicht moet smeren en lekker van alles te eten en te drinken wat slecht voor je is, want dat doet er dan niet meer toe. Geldt dat binnenkort als asociaal, compleet met strafkortingen op de aow?’

Wat uit deze passage blijkt is een preoccupatie met het uiterlijk. Dit is gezien het onderwerp niet vreemd, en daarom kon ook het inmiddels overbekende verhaal over de verbouwde en gephotoshopte modellen helaas niet uitblijven. Maar ook hier gebruikt Dorrestein karikaturen: wie het huidige schoonheidsideaal nastreeft, ziet er na schaamlipverkleining en aarsbleking uit als een ‘gepimpte zuigeling’. Het feit dat de schrijfster zélf een ooglidcorrectie heeft laten doen en daar overtuigend en open over schrijft, maakt haar de geschikte kandidaat om met gevoel voor nuance te schrijven over de hedendaagse schoonheidscultus in relatie tot ouderdom. Helaas laat zelfs zij, ondanks haar ervaring, zich verleiden tot clichés. Hierdoor komt dat wat ze eigenlijk wil vertellen, over de rijkdom die ouderdom brengt, nauwelijks uit de verf.