Geprikkeld tot niks

Loonmatiging, verlaging van minimumloon en uitkeringen - ook paars zag het als panacee. Maar wat er ook in de CPB-computer werd gestopt, er rolden nooit genoeg banen uit. Dus: weg met de werkloosheid, leve de werk-losheid!

DE LAATSTE FASE van de paarse kabinetsinformatie had de vorm van een computerspelletje. Onderhandelaars, fractiespecialisten en informateurs goochelden naar believen met bezuinigingsmaatregelen, zetten koppelingen aan en uit, lieten financieringstekorten dalen of juist niet, alles met maar een doel: een zo hoog mogelijk getal in het hokje ‘banen’. Want ging het, in de woorden van Frits Bolkestein, niet om 'werk, werk en nog eens werk’? Resultaat van al die inspanning was dat de teller van het CPB uiteindelijk bleef steken op niet meer dan honderdtwintigduizend banen extra in vier jaar tijd. Laten we het nu even niet hebben over de hardheid van de bezuinigingen die daarvoor nodig zijn en die voor Bolkestein de schaamlap vormden waarmee hij zijn schamele aftocht dekte. Veel belangrijker is de vaststelling dat, ondanks een ongehoord bezuinigingsprogramma van twintig miljard, de banengroei die op grond daarvan verwacht mocht worden zelfs bij lange na niet voldoende is om de werkloosheid te stabiliseren.
Het andere gezicht van de werkloosheidsbestrijding was dat van de duizenden WAO'ers die zich na een herkeuring weer op de arbeidsmarkt mogen melden met in het achterhoofd de zekerheid dat hun WAO-uitkering binnen de kortste keren zal zijn omgezet in een bijstandsuitkering. En het bericht dat het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, waarin werkgevers, werknemers en overheid de regie vormen over de regionale arbeidsbureaus, op het punt staat honderdvijftigduizend als onbemiddelbaar beschouwde werklozen definitief uit de kaartenbakken te kieperen.
Terwijl dus in Den Haag met pijn en moeite honderdtwintigduizend banen uit de computers werden geperst, worden elders met een pennestreek kanslozen gecreeerd en vervolgens via de achterdeur afgevoerd.
DE DISCUSSIE OVER werkgelegenheid krijgt zo langzamerhand een volstrekt absurdistisch karakter. Zo begon de persconferentie over de herkeuring volgens de nieuwe WAO- normen met een beschrijving van de wijze waarop mensen weer geschikt werden bevonden tot het verrichten van gangbare arbeid. Een verhaal van artsen en arbeidsdeskundigen die keuren volgens het principe dat 'wie binnenkomt met twee armen, twee benen en een hoofd, kan werken’ of dat je arbeidsgeschikt bent 'als je je eigen haar kunt kammen’ - verrassend nieuwe criteria. En die vervolgens deze mensen meedelen dat zij buitengewoon geschikt zijn voor de edele kunst van het loempiavouwen, lampekapnaaien of bonsaiboomkweken. Waarop de heer Boersma, opperhoofd van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), zijn beroepen-topveertig tevoorschijn haalde en triomfantelijk riep: 'Maar de loempiavouwer en de bonsaiboomkweker staan hier helemaal niet bij. Dat is een mythe. Wel “snackbereider, handmatig” en ook “boomonderhoudsknecht”.’ Waar haalden wij van de pers bovendien het lef vandaan neer te kijken op het eerzame beroep van bonsaiboomkweker? Zijn er dan niet velen in dit land die dagelijks dit soort werk doen voor een loon op of net boven het minimum?
Een discussie kortom die deed vermoeden dat er buiten de deur twee miljoen vacatures waren en een aanbod van minder dan honderdduizend werklozen, zodat de vraag gewettigd is of en onder welke voorwaarden zieken en gehandicapten om een bijdrage kunnen worden gevraagd. Getallen die in werkelijkheid precies andersom liggen.
Als je je tijdens zo'n woordenwisseling bovendien realiseert hoeveel vacatures in de betreffende beroepen openstaan voor de vele duizenden WAO'ers die zich met deze kwalificaties melden bij het arbeidsbureau - in de bonsaiboombranche werken hier te lande vijftig mensen - vergt het niet al te veel fantasie om te bedenken dat die categorie afgeschrevenen en doorgedraaiden van het CDA binnenkort uitgebreid zal worden met een fors aantal ex-WAO'ers.
Het debat over werkgelegenheid heeft de afgelopen jaren een draai van 180 graden gemaakt. Tot voor een aantal jaren was het algemeen geaccepteerd dat werklozen en andere minder produktieven werden opgeborgen in een veelheid van sociale-zekerheidsregelingen - WW, WAO, VUT. Door telkens andere uitkeringsregelingen toe te passen kon het werkloosheidscijfer worden gedrukt. Het afscheid van deze statistische methode van werkloosheidsbestrijding werd ingeluid met de verschijning van het WRR-rapport Een werkend perspectief. Daarin werd de redenering omgedraaid. Niet de omvang van de werkloosheid moest centraal staan, maar die van de werkgelegenheid. De vraag was niet langer 'hoeveel werklozen hebben we?’, maar 'hoeveel van de Nederlanders tussen 15 en 65 - de beroepsbevolking - werken er?’ Het werkloosheidscijfer werd aldus ingeruild voor het participatiecijfer. Een truc? Nee, want op slag bleek dat de ware werkloosheid, de non-participatie dus - aanzienlijk hoger ligt dan de werkloosheidscijfers deden vermoeden.
De volgende vraag had kunnen luiden: hoe verdelen we dan de gegeven hoeveelheid werk over de gegeven hoeveelheid werknemers? In plaats daarvan luidde de vraag: hoe prikkelen we de non-participanten tot participatie? Dat leidde bijvoorbeeld tot het besluit de WAO drastisch te saneren, tot discussies over de verlaging van het minimumloon en vervolgens verlaging van de minimumuitkeringen. Ook daarover zagen rapporten het licht. Het laatst dat van de commissie-Andriessen onder de pakkende titel De onderste baan boven. Het advies luidde onveranderlijk: matig de lonen, verlaag het minimumloon en de uitkeringen, dan gaan meer mensen werken.
Opvallend is dat al die voorstellen, doorgerekend door het CPB, nooit meer dan tussen de honderd- en honderdvijftigduizend banen opleverden, afhankelijk van hoe roze de bril was die men had opgezet.
Dan die loonmatiging, die ons in staat moet stellen te concurreren met landen waarmee we op dat punt niet kunnen en ook niet moeten willen concurreren. Daar zijn we, ondanks de vele berichten van het tegendeel, succesvol in geweest. Afgelopen week publiceerde het ministerie vn Financien cijfers waaruit blijkt dat loonmatiging er inmiddels toe heeft geleid dat de Nederlandse werknemers, van telefoniste tot directeur, soms tot dertig procent goedkoper zijn dan die van de directe Europese concurrenten Duitsland, Frankrijk, Italie en Belgie. Zelfs ons minimumloon is het laagst van de westerse wereld op dat van de VS en Groot-Brittannie na, dat minder dan tien procent lager ligt.
En toch mag het allemaal niet baten. Welke varianten op deze thema’s de paarse partners ook - op het laatst haast dagelijks - in de CPB-computer stopten, er rolden ondanks een draconisch bezuinigingsprogramma toch nooit meer dan honderdtwintigduizend banen extra in vier jaar uit. Het tragikomische karakter van het gedoe wordt extra duidelijk door het feit dat de aantallen banen alle ruimschoots binnen de foutenmarge van het rekenmodel lagen, waardoor de uitkomsten volstrekt inwisselbaar werden.
Om de werkloosheid niet verder te laten stijgen, moeten er in vier jaar bovendien geen honderdtwintigduizend maar vierhonderdtwintigduizend banen worden geschapen. Om de participatie te laten stijgen van de huidige zesenzestig naar zeventig procent moet die groei nog groter zijn. Daarvoor hebben we een economische groei nodig die in de orde van grootte van vijf a zes procent ligt. Zelfs in het meest optimistische computerprogramma komt die groei niet boven de tweeeneenhalf a drie procent.
OOIT WAS DE UTOPIE van menigeen dat de technologische ontwikkeling ons meer vrije tijd zou geven en minder arbeidsdwang. Maar net op het moment dat die utopie zich begint te realiseren, gebeurt er iets heel anders. We zien een steeds kleiner wordende meerderheid die hard werkt en een steeds groter wordende minderheid die buitenspel wordt gezet. We produceren wel meer met minder werk, maar dat meer en dat minder zijn volkomen verkeerd verdeeld. Volledige werkgelegenheid in termen van een 38-urige of zelfs een 32-urige werkweek, 48 weken per jaar en veertig jaar lang is een al jaren geleden gepasseerd station. De economische groei die ervoor nodig is, is niet te realiseren en zou bovendien een ramp opleveren voor de leefbaarheid. De technologische ontwikkeling afremmen door op grote schaal arbeid weer goedkoper te maken dan machines, is op twee manieren een verarmingsstrategie: het maakt van Nederland een pseudo-lage-lonenland en het is dodelijk voor de economische ontwikkeling. In plaats daarvan moeten we eindelijk afscheid nemen van het volledige-werkgelegenheidsideaal uit het verleden.
De conclusie is dan dat de herstructurering van de economie stukloopt als we niet tegelijk zaken als onderwijs, vrije tijd en werk fundamenteel opnieuw doordenken en vormgeven. In plaats van de nationale verarming na te streven die het gevolg van de tot nu toe gevolgde strategie is, moeten we doorgaan met de realisering van de utopie: meer maken met minder werk en tegelijk de culturele omwenteling die daarbij hoort, proberen in kaart te brengen.
Vrijheid en maatschappelijke participatie zijn zaken die niet langer uitsluitend vertaald moeten worden in betaald werk. Of, zoals dat zo mooi heet, het arbeidsethos dient gerelativeerd. We hebben geen behoefte aan het oude werkgelegenheidsideaal, want dat levert ons slechts de nachtmerrie van de werkloosheid op. We moeten naar iets tussen werk en werkloosheid: Noem het werk-losheid.
Ziedaar de werkelijke teleurstelling van allen die de paarse besprekingen met enige hoop tegemoet hadden gezien. Het ging inderdaad alleen over 'werk, werk, werk en nog eens werk’ en als het over sociale zekerheid ging over 'minder, minder, minder en nog eens minder’. De vraag was alleen hoeveel en in welk tempo. Bolkestein wilde in een hoog tempo naar een ministelsel. De anderen wilden het tempo laten afhangen van wat er onderweg zou gebeuren. 'Iets overlaten aan het proces’, zoals Van Mierlo dat noemde. Dat dat proces bij de gekozen strategie uiteindelijk leidt tot hetzelfde resultaat, lijdt geen twijfel. Het verschil ligt in het tempo. Het komende jaar zullen de kassen van de sociale verzekering leeg raken. Dan gaan de premies omhoog, of de uitkeringen worden minder toegankelijk (verscherping toelating WW, referte-eis WAO) of ze gaan omlaag. Een combinatie van die laatste twee zaken is het meest waarschijnlijk.
Politieke vernieuwing vraagt om de formulering van een nieuw herverdelingsprobleem, een nieuwe verhouding tussen tijd en werk. Dat gaat niet vanzelf. Daar is politieke regie voor nodig. Maar daartoe moet het 'gevoel van urgentie’, waar men het tegenwoordig zo graag over heeft, in een heel andere richting gaan. Zolang men die richting nog niet ingeslagen is, rest de WAO'er niets anders dan in de Gouden Gids op zoek te gaan naar de bonsaikwekerij.