Profiel: Bert Anciaux

Geprivatiseerd politicus

Zijn laatste politieke optreden grensde aan het infantiele. Bert Anciaux, Vlaams minister voor Cultuur, Jeugd, Sport, Brusselse aangelegenheden en, jawel, Ontwikkelingssamenwerking had net op de hem eigen emotionele wijze aan het journaille verteld dat hij ontslag nam uit de Vlaamse regering, die hij daarmee in een politieke crisis stortte. «Ik ben op. Ik heb even genoeg van de catchwedstrijden. Gun me wat rust, dan kan ik de batterijen weer opladen», aldus een lichtelijk overspannen minister op maandag 1 juli. Na afloop van zijn wederom telegenieke optreden wierp hij de aanwezigen een kushandje toe. Zijn kabinetsleden bleven, snotterend en wel, verweesd achter.

Zo ook zijn partij, Spirit, die nog maar in november vorig jaar met veel jeugdig enthousiasme was opgericht. Sindsdien liepen de afgelopen maanden tal van «politieke vrienden» over naar andere partijen, vooral de liberale VLD. In de Wetstraat parodieerde men daarom graag met de naam «white spirit», om aan te geven dat de zoveelste politieke vernieuwing van Anciaux even vluchtig is als de terpentineachtige vloeistof. Maar toch: het electorale effect van Bert Anciaux is onmiskenbaar. Hij is «de eerste geprivatiseerde politicus van Vlaanderen, een merk op zich, dat maar heel weinig van zijn aantrekkingskracht en imago te danken had aan het Vlaams-nationalisme», schreef Yves Desmet, politiek hoofdredacteur van De Morgen vorige week.

Bert Anciaux (1959), derde van zeven kinderen, komt uit een Vlaams nationalistisch nest. Vader Vic Anciaux is bijna dertig jaar lang een van dé kopstukken van de Volksunie (VU) geweest, al behoorde hij altijd tot een van de progressievere stromingen in deze van oorsprong conservatief-katholieke partij. Aanvankelijk trad zoon Bert in vaders voetsporen. Vader Vic was dan ook razend op zijn zoon toen hij maandag hoorde van diens opstappen. Het beeld van zijn zoon als politicus, is tweeledig: onder zijn leiding verdampte de VU compleet, maar tegelijkertijd redde hij de partij ook een aantal keren van een voorspelde verkiezingsnederlaag. Zoals in 1995, toen hij vooraf zei het niet voor minder dan 350.000 stemmen te doen. Hij kreeg er zesduizend meer. En in 1999 flikte hij het weer, waaraan hij zijn ministerschap dankte.

Bert Anciaux is een eeuwig jeugdige rebel. Naar eigen zeggen is hij dat geworden op het Jezuïetencollege. In zo’n «hypocriete omgeving» aldus Anciaux, «heb je maar twee mogelijkheden: je wordt er een nummer ofwel een numéro.» Het is dat laatste geworden. Of zoals Yves Desmet hem typeert: «een schuchtere rebel met een luide mond». Anciaux is het archetype van de «emo-politicus», maar volgens een intimus ook iemand «met een politiek instinct, die goed aanvoelt wat er bij ‹de mensen› leeft». «Waar het alleen op aankomt is dat hij zich omringt met bekwame mensen die dat weten te vertalen in goed beleid.»

De Gentse hoogleraar Jan Blommaert zei in het weekblad Knack over het gevaar van de directe inspraak, de «ik-zeg-wat-u-denkt»- emotie en mediasering in de politiek: «Het emotieve wordt belangrijker: hoe ik me daarbij voel, hoe ik daar tegenover sta. In de jaren negentig moest niet alleen de burger dichter bij de politiek komen, maar ook — en vooral — de politiek dichter bij de burger. En hoe doe je dat? Door je privé-leven breeduit te etaleren. De trendsetter op dat terrein was natuurlijk Bert Anciaux.» Niet alleen de man van «ons Damienne» (zijn vrouw), maar, stelt Blommaert, ook «vake Bert», de ideale schoonzoon «die voor een interview over de crisis in de Volksunie poseert met zijn pasgeboren dochter en die op zijn website iedereen tutoyeert en besluit met ‹veel liefs›. Een chiroleider, die af en toe uitgaat en weleens een joint rookt, krijgt vanzelf een vorm van street credibility, wat ook zijn beleid moet legitimeren.»

Anciaux is een soort softe versie van Pim Fortuyn, op één belangrijk thema na: dat van de migranten en vluchtelingen. Op 6 mei werd de vergadering van de partijraad van Spirit even gestaakt na het nieuws over de moord op Fortuyn. Het lukte Anciaux echter niet de draad van de vergadering weer op te nemen. «Hij was er echt kapot van», vertelt een ex-partijlid. Op de dag van de begrafenis belde Anciaux naar zijn voormalige woordvoerder, nu journalist bij de populaire krant Het Laatste Nieuws. Hij wilde een belangrijk interview geven. Het werd zo ongeveer de doodsteek voor zijn eigen partij, want hij meldde verder te willen in een kartel met het sociaal-democratische Sociaal Progressief Alternatief (sp.a). Dit zonder de «politieke vrienden» van zijn eigen partij te consulteren. Volgens betrouwbare bronnen regelde vader Vic al in december met sp.a-voorzitter Janssens dat zoon Bert een ministeriabele positie zou krijgen. De triestheid over het overlopen van partijgenoten naar andere partijen, lijkt zo verdacht veel op krokodillentranen.

Anciaux studeerde rechten aan de Vrije Universiteit Brussel en werd advocaat aan de balie van de hoofdstad. Veel heeft hij zijn toga niet gedragen, want al in 1976 kwam hij via zijn vader in de Volksunie-partijraad. Van 1984 tot 1994 was hij actief in de Brusselse politiek. In juni 1992 werd hij de nieuw partijvoorzitter. Na een zoveelste verkiezingsnederlaag moest de Volksunie nieuwe wegen zoeken. De kersverse voorzitter moest de leegloop van de partij tegenhouden. Hij zorgde voor een radicalisering van de partij zowel op het sociale vlak als op dat van Vlaams-nationale thema’s, en wilde daarbij zoveel mogelijk aan jongeren appelleren. Anciaux slaagde erin om in 1995 met een opvallend hoog aantal voorkeurstemmen in de senaat te belanden. En ondanks zijn recente politieke déconfiture is hij nog steeds een politiek stemmenkanon van jewelste. Met zijn hoge knuffelgehalte is hij bijzonder populair bij chiromeisjes (een soort scouts) en vrouwen in het algemeen; Flair-lezeressen kozen hem tot meest sexy politicus. Een ex-partijgenoot: «Bert is en blijft populair. Tot op het verbazende af. Recent was er een bespreking van onze partij in Genk. Na afloop gingen we informeel een pintje drinken met een aantal collega’s. Bert gedroeg zich zo onopvallend mogelijk, maar werd snel herkend. Voor hij het wist werd hij door mannen en vrouwen letterlijk op de schouders rondgedragen en zong hij op een podium het Limburgs Volkslied mee.»

Begin 1998 — de affaire-Dutroux en de Witte Mars (een stoot volksemotie waarbij de post-Fortuyn-commotie klein bier was) zinderden nog na — vroeg de partijleiding hem een politiek vernieuwingsproject uit te werken, dat de naam «ID21» kreeg. Bedoeling was niet-politici, bekende en onbekende Vlamingen bij ID21 te betrekken en die in alliantie aan de VU te verbinden. Dat lukte, maar waar nu uiteindelijk het nieuwe van deze vernieuwing zat, is weinigen duidelijk. Door gekrakeel over een zoveelste staatshervorming (Lambermont-akkoorden) viel daarna ook nog eens de VU uiteen in de nv-a en Spirit. Alle goeie bedoelingen ten spijt, het tot elkaar brengen van burger en politiek is Anciaux niet gelukt. Zoals Bart Brinckman het in De Standaard omschreef, begreep de burger uiteindelijk helemaal geen snars meer van het «eindeloze geschipper om de eigen navel». Anciaux kondigde aan in het najaar weer als militant van Spirit de boer op te willen in aanloop naar de nationale verkiezingen van volgend jaar, om de mensen te overtuigen van het nut van zijn «politiek laboratorium». Hij droomde van een partij die Vlaams bewustzijn kon koppelen aan «een synthese van sociale rechtvaardigheid, radicale democratie, nieuwe ethiek, ecologie en wereldsolidariteit». «Vanuit een zwakkere positie wil ik opnieuw verantwoordelijkheid opnemen. Om te tonen dat Vlaanderen geen onverdraagzame samenleving is», zei Anciaux.

De verkiezingen van ’92 staan bekend als «zwarte zondag» omdat toen het extreem rechtse Vlaams Blok de eerste keer een kanjer van een verkiezingsdoorbraak forceerde. Dat is Anciaux het volgende decennium bijgebleven. Hij haatte het idee dat het Vlaams Blok het Vlaams-nationalisme, zijn familiale erfgoed, bezoedelde met bruine vlekken.

Tijdens de oprichting van zijn nieuwe politieke partij Spirit, 10 november vorig jaar, sprak hij grote woorden: «Onze visie op het samenwerken met het Zuiden is ook een visie op kansen voor iedereen, een visie op de gevaren en de mogelijkheden van de globalisering. Het gaat over het bewuste én zeer goed overwogen kiezen voor een internationaal opstellen, over het overstijgen van het eigen groepsegoïsme. Geen gemeenschapsproject dat verbondenheid schept door zich af te zetten tegen het vreemde.»

Ook als minister van Cultuur speelde dit een rol. Uit een van zijn laatste toespraken — «Cultuurparticipatie, bouwsteen van verzoeting» — sprak een duidelijke keuze voor cultuur als beleidsinstrument om de samenleving te sturen, weg van de verzuring. Het kon bijvoorbeeld niet zijn dat in Gent 8 procent van het publiek van culturele organisaties bestaat uit laaggeschoolden, terwijl ze 48 procent van de bevolking uitmaken. Net als geestverwant Rick van der Ploeg, schaamde Anciaux zich niet om erkenning te eisen voor de «populaire cultuur» en deze naast «hogere cultuur» een evenwaardige plek te geven in het cultuurlandschap.

Mede onder Anciauxs bezielende leiding werden de ruim vijf miljoen Vlamingen aangespoord om massaal het mythische beginpunt van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd te vieren. Dankzij de Guldensporenslag op 11 juli 1302, is die dag officieel de Vlaamse feestdag — geen vrije dag, dat kost te veel vindt het bedrijfsleven. Bij de zevenhonderdste verjaardag bedacht Bert Anciaux dat het goed zou zijn als de Vlaamse regering feestcheques aan de burgers uitdeelde. En zo geschiedde. Iedere Vlaamse buurt of gemeente die een idee voor een feestelijke aangelegenheid indiende, kon de kosten vergoed krijgen.

De laatste tijd bulkte het op Vlaamse dorpspleinen, in parochiehuizen en historische plekken van barbecues, middeleeuwse feesten en andere cultureel verantwoorde spektakels. Een Vlaams volksfeest, zonder de vieze bijsmaak die rechts-extremisten bijvoorbeeld gaven aan de IJzerbedevaart, én met alle ruimte voor populaire cultuur. Een hoogmis voor charmezangeressen en -zangers van het Vlaamse lied.

De Vlaamse jongeren die niets met oubollige 11 juli-feesten hebben, gaan wel naar een van de onwerkelijk vele pop-, folk-, of rockfestivals. En ook die konden rekenen op Anciauxs steun, net als hippe concertzalen en bands als Zita Swoon en Das Pop. Zijn laatste beleidsdaad als minister was het fors verhogen van de subsidies voor de muzieksector, met vijftig procent tot 18,5 miljoen euro. En ook jazz en klassieke gezelschappen vielen in de prijzen.

Niet iedereen liep met hem weg. Joop Schafthuizen, partner van Gerard Reve, in De Standaard: «Ik ben niet in politiek geïnteresseerd, maar sinds ik met Anciaux te maken kreeg heb ik mij verdiept in zijn beleid. Hij heeft het buitengewoon onverantwoord gedaan. Hij had geen enkele feeling voor cultuur. Hij dacht dat cultuur een scoutsgroep was waar hij akela kon zijn. Hij verweet mij dat ik koketteerde met mijn geaardheid, maar hij koketteerde met zijn buitengewone ongeïnteresseerdheid: ik weet lekker niets van cultuur, maar ik beslis er wel over.»

Schafthuizen is rancuneus. Anciaux verhinderde dat de Prijs der Nederlandse Letteren door koning Albert aan Reve zou worden overhandigd als diens partner met voorliefde voor jonge jongens erbij zou zijn. Het schrijversgilde was razend: Anciaux had dit best met stille diplomatie kunnen regelen, maar wou liever scoren met moreelethisch gelijk.

Schafthuizens oordeel is niet waterdicht. Talloze cultuurpausen stelden de laatste dagen dat het beleid van Anciaux wel getuigde van een structurele, geïntegreerde aanpak, soms met een hoog symboolgehalte, waarbij de subsidies flink toenamen. Vriend en vijand zijn het erover eens dat Anciauxs verdienste was dat hij zich in zijn kabinet omringde met uiterst bekwame, onafhankelijke mensen. En toch: de man achter Anciaux, diens volgens waarnemers uiterst capabele en intelligente kabinetschef Herman Verheirstraten, vloog in januari de laan uit. «Hij was nog de enige die Bert écht de waarheid durfde zeggen», aldus een ex-partijgenoot.

Zijn nieuwe kabinetschef Bart Caron: «Wat zeker onomkeerbaar is, is dat spreken, denken, brainstormen, van mening verschillen over cultuur geen monopolie meer is van deskundologen en cultuurjournalisten.» Met dank aan Bert Anciaux.