Hoe kinderen hun favoriete boeken kiezen  

‘Geprogrammeerde apen’

Vorige week vierde de landelijke Nederlandse Kinderjury haar twintigjarige bestaan. De lokale jury’s floreren al langer. Hun geschiedenis geeft een mooi beeld van ruim vijftig jaar leesbevordering.

De Nederlandse Kinderjury, die elk jaar de Prijs voor het beste Kinderboek uitreikt, gaat officieel haar twintigste jaargang in. De landelijke jury werd in 1988 opgericht als samenwerkingsproject van de cpnb, de bibliotheekcentrale nblc en Vara en wordt sinds twee jaar gesponsord door ABN Amro. Het jubileum werd vorige week in Den Haag groots gevierd in aanwezigheid van prijswinnaars van weleer, leesprinses Leontien en met medewerking van Paul de Leeuw en Cor Bakker. Maar lokale kinderjury’s bestaan al veel langer. De Rotterdamse kinderjury is het oudst. Die werd al in 1955 opgericht door Christien van Reenen (haar naam wordt overigens verkeerd gespeld op de site van de cpnb), toenmalig hoofd jeugdliteratuur van de centrale Rotterdamse bibliotheek. Het was de tijd van uitgeverij Kris-Kras en van ernstige zorgen onder pedagogen over de groeiende en verderfelijke invloed van de beeldroman, waardoor voor het eerst werkelijke aandacht voor het belang van ‘de betere jeugdliteratuur’ ontstond.

Een jaar eerder was de voorloper van de Gouden Griffel, het Kinderboek van het Jaar, in het leven geroepen. De opmerking van een kind dat het eigenlijk niet eerlijk was dat in de jury daarvan alleen maar volwassenen zaten, zette Van Reenen aan het denken. Heel Rotterdams was het, het belang dat men er van meet af aan aan hechtte om kinderen uit alle lagen van de bevolking aan te zoeken voor een kinderjury. In elk bibliotheekfiliaal en op alle scholen werden aankondigingbriefjes opgehangen. Ieder participantje kreeg een preselectie van acht tot tien leenboeken te lezen en na gezamenlijk beraad werden een of meer kinderen als afvaardiging van elk buurtfiliaal naar de hoofdbibliotheek gestuurd voor het eindoordeel.

Annebeth van Lennep, die haar bibliotheekcarrière in 1971 begon in filiaal Lombardijen: ‘De kinderen die in de jury’s terechtkwamen waren niet noodzakelijkerwijs de grootste lezers. Het waren vooral de mondigere kinderen die een beetje leuk hun mening konden formuleren. Maar dat konden net zo goed kinderen zijn die anders voor spelletjes of strips in de bieb kwamen. Kinderen vinden was niet zo moeilijk, ze vasthouden en ze al die boeken laten lezen, dat was de kunst. Want kinderen vonden niet al die goede boeken altijd even leuk, haha.’

Van Reenens initiatief kreeg al snel navolging. Plaatselijk, regionaal, provinciaal: vooral tussen 1970 en 1975 ontstonden overal kinderjury’s naar Rotterdams model, hoewel van plaats tot plaats de voorselecties, en dus ook de uitkomsten, die eerste tijd sterk verschilden. De keuzes waren duidelijk geografisch te herleiden, terwijl later de uitkomsten steeds universeler werden. In die verandering is de ontzuiling terug te zien, het verdwijnen van de vooral in de provincie standaard ‘Christelijke kast’, de invloed van landelijk leesbevorderings- en aanbevelingsbeleid, maar ook de professionaliserende boekpromotie. Soms, bijvoorbeeld in West-Overijssel en Den Haag, werd samengewerkt met Centra voor Kunstzinnige Vorming, of met scholen, maar de sleutel was altijd een enthousiaste bibliothecaresse. In Rotterdam, Tilburg, Amstelveen en Nijverdal werden ‘leesfeesten’ gehouden.

In Enschede was geen voorselectie. Twaalf kinderen uit de verschillende filialen kozen twee boeken die ze mooi vonden, en als daar eens een boek uit een ander jaar tussen zat, maakte dat niet zo veel uit. Ze schreven wel rapportjes over de boeken – wat een uitzondering was – en van het verhaal van het winnende boek werd een muurkrant gemaakt.

Verder is er weinig archief van de kinderjury’s. De boeken werden vooral in de groepjes mondeling besproken, alleen bij het winnende boek werd een motivatie op papier gezet. Een zeldzaam en hilarisch inkijkje in het verschil tussen volwassen beoordeling en die van kinderen bieden de rapportjes van de kinderjury van Schagen uit 1977, door de oorspronkelijke opstelster Marleen Wijma-Van der Laan gebruikt als basis voor een beschouwing over kinderjurering. Kinderen zijn precieuze en conservatieve lezers, was de constatering van Wijma in 1981. Ze willen vooral vermaakt worden. Als ze een hoofdpersoon onsympathiek vinden, of er klopt één detail niet, deugt onmiddellijk het hele boek niet meer. Bij experimentele structuren raken ze het spoor bijster. ‘Onderliggende maatschappijvisie kan ze gestolen worden. Als het maar niet te veel van hun bed ligt’, schreef ze met enige teleurstelling.

De Schagense kinderen lieten geen spaan heel van de ‘kritiese’ boeken die door de volwassen beoordelaars in die tijd zo hogelijk gewaardeerd werden. ‘Belangwekkend’ en ‘actueel’, zo oordeelden de jury’s van respectievelijk de Gouden Griffel en de Nienke van Hichtumprijs bijvoorbeeld over het semi-autobiografische scheidingsdrama Wim van Wim Hofmann. ‘Sloom verhaal’, oordeelde jong Schagen. ‘En iedereen praat alsof ze uit een achterbuurt komen.’

Over hét kinderboek van dat jaar, het later door de Ikon verfilmde Kon Hesi Baka, Kom gauw terug, van Henk Barnard: ‘De schrijver is erg tegen rassendiscriminatie en wil dat we Surinaamse kinderen heel gewoon vinden. Maar dat vonden we al.’ Liever lazen ze Thea Beckmans Geef me de ruimte of Joel en de veenheks van Beene Dubbelboer, een spannend oorlogsverhaal. Oorlogsboeken deden het trouwens door de jaren heen altijd goed. Zo was het debuut van Ida Vos uit 1981, Wie niet weg is is gezien, dat heel bescheiden – want er waren al zo veel oorlogsboeken – werd gelanceerd door uitgeverij Leopold, echt een ontdekking van de kinderjury’s. Die dus steeds serieuzer werden genomen door schrijvers en uitgevers. De uitslag van de oorspronkelijke, Rotterdamse kinderjury, die traditioneel al in het voorjaar bekend was, gold jarenlang als een Griffel-indicatie zoals in Hollywood de Golden Globes dat voor de Oscars zijn.

Toch vindt Truusje Sanders van de nblc, die in 1988 aan de wieg van de Nationale Kinderjury stond, dat de lokale kinderjury’s, zelfs die van Rotterdam, niet als voorgangers van de nu jubilerende organisatie gezien moeten worden: ‘De Vara kwam bij ons met dat idee. Je had destijds nog wel dingen als het Amersfoortse Krijtje en zo, maar daar baseerden wij ons niet op. De klad zat daar trouwens tegen die tijd al behoorlijk in, volgens mij. De bestaande structuren waren wel belangrijk om aan dit nieuwe initiatief publiciteit te geven. Men begreep de bedoeling direct, maar de opzet was toch echt heel anders. Breder.’

Want er was, vanaf begin jaren tachtig, ook kritiek geweest. Op dat het toch allemaal leunde, her en der, op een sturend iemand van de bibliotheek. ‘God beware ons voor kinderjury’s’, mopperde dan ook auteur Peter van Gestel in 1986, ‘kinderen in commissies of jury’s zijn geen kinderen meer maar geprogrammeerde apen die wel zeer ongenuanceerd volwassenen nadoen.’ Zo was er die voorselectie. Klopte die methode wel? Dat ‘serie’-boeken door de meeste kinderjury’s buiten beoordeling werden gehouden, was dat niet vooral om de écht populaire, maar door het professionele leeswezen als rotzooi beschouwde boeken als De olijke tweeling en eindeloze reeksen over meisjes die pony’s van slachthuizen redden enzovoort, en jongensavonturenboeken buiten te sluiten?

Marieke Verhoeven, cpnb: ‘Je kunt je vraagtekens zetten bij dat systeem. De Nationale Kinderjury heeft nooit zo gewerkt. Kinderen kunnen nu op álle boeken stemmen. Vijftig procent gaat sowieso via internet. Stemmen ze op boeken van een ander jaar, dan worden die eruit gefilterd, maar dat is het enige criterium. Van de boeken die nu gevréten worden, Francine Oomen, Paul van Loon, kun je je afvragen of die ooit aan de criteria die de lokale kinderjury’s destijds hanteerden hadden voldaan.’

Erna de Jong, destijds vanuit ckv actief in de kinderjury Zuid-Holland: ‘Zo strak waren die criteria echt niet, hoor. Ik zou niet weten hoe ze in het predigitale tijdperk zonder voorselectie hadden kunnen werken. Kinderen weten toch niet in welk jaar een boek verschenen is?’

Voor de opkomst van internet is er ook op de Nationale Kinderjury de nodige kritiek over sturing geweest. Toen sponsor Venz de best verkochte kinderboeken op een poster drukte, bijvoorbeeld, werd vooral daaruit gekozen. ‘Het werd heel commercieel.’

Over het algemeen vragen de enthousiaste organisatrices (het zijn alleen maar dames die zich met de kinderjury’s bezig hebben gehouden, en nog steeds) van weleer zich af of de Nationale Kinderjury wel de brede groep kinderen bereikt zoals hun vanaf het begin voorstond. Of de leesbevordering niet ondergesneeuwd is geraakt. Bibliotheken hebben minder tijd en middelen om actief te werven en een landelijk initiatief staat verder van ze af. Natuurlijk, internet heeft alles veranderd, maar het brede bereik is niet te peilen.

Marieke Verhoeven: ‘Jawel. Sinds twee jaar is er een Senaat van de Nederlandse Kinderjury. Daar zitten kinderen in uit het hele land die bij elkaar komen en onderling contact houden via weblogs. Ik heb die van vorig jaar ontmoet en was blij verrast door de variatie aan kinderen. Ja, kijk, daarin zitting nemen kost tijd, en ze moeten ervoor reizen, dat moeten ze willen.’

En hun ouders ook, natuurlijk. Verhoeven: ‘Ja, en hun ouders. Alhoewel, ik heb ook meegemaakt dat de kinderen gebracht werden door iemand van de bibliotheek.’

Wat maar weer bewijst, ondanks de ABN Amro, hun stemtentjes en de website, dat het blijkbaar allemaal toch niet gaat zonder de extra moeite van een enthousiast iemand van de bibliotheek.

Het citaat van Peter van Gestel komt uit Peter van den Hovens Pogingen de orde te herstellen: Over jeugdliteratuurkritiek, een standpuntbepaling_, in:_ Peter van den Hoven, Grensverkeer: Over jeugdliteratuur_. NBLC, Den Haag 1994 / DBNL 2004_