De AOW-farce

Gepruts met cijfers

Het kabinetsvoorstel voor verhoging van de AOW-leeftijd is een rekenkundige truc waarmee de werkelijke vraag wordt omzeild: ‘Wat is het ons waard dat er straks geen bedelende bejaarden bij de metro staan?’

‘OUDEREN WORDEN STEEDS RIJKER’, kopte het Algemeen Dagblad in december 2006. Minister van Sociale Zaken Aart Jan de Geus zei het zelf: ‘Steeds minder mensen hoeven rond te komen van alleen hun AOW. Kleine aanvullende pensioenen groeien uit tot een middeninkomen. Ouderen kunnen hun welvaartsniveau vasthouden. Ze hoeven niet te verhuizen en kunnen blijven deelnemen aan het sociale leven.’
De minister leunde op een rapportage van het Sociaal en Cultureel Planbureau waarin stond dat de koopkracht van 65-plussers tot 2030 met een kwart zou stijgen dankzij hun groeiende particuliere pensioenopbouw. Zij zouden dus fiscaal blijven bijdragen aan onderwijs, kinderbijslag en kinderopvang voor de aanstormende generatie, terwijl de bijdrage van jongeren aan de AOW in die periode zou dalen van 52 naar 38 procent. Voor het gemak ging de minister voorbij aan het feit dat deze welvaartsstijging gemiddeld was. Het particuliere pensioen van mannen ligt bijvoorbeeld nog altijd driemaal zo hoog als dat van vrouwen en ook de verschillen tussen hand- en hoofdarbeiders zijn aanzienlijk.
Voor de betaalbaarheid van de Algemene Ouderdomswet maakt het niet uit hoe de lasten verdeeld worden – zolang ze maar worden opgebracht. Het enige probleem op dit vlak is de stijging van het aantal gepensioneerden in verhouding tot het aantal werkenden. Het aantal gepensioneerden verdubbelde tussen 1960 en 2000 van één naar twee miljoen, maar de AOW-uitkering groeide niet mee met de welvaart terwijl de particuliere pensioenen, die fiscaal belast worden, zorgden voor aanvullende overheidsinkomsten. Al met al was de inkomensoverdracht in het kader van de AOW iets gedaald. Om de verwachte tweede verdubbeling tussen 2000 en 2040 te ondervangen werd in 1998 het AOW-spaarfonds opgericht, een idee afkomstig van De Nederlandsche Bank. Financiën zou jaarlijks fiscale meevallers in dit fonds storten en uit het opgespaarde bedrag zouden na 2020 de vergrijzingskosten worden betaald. Tevredenheid alom, de zaak zat ‘in de knip’, zoals de voorganger van De Geus, Klaas de Vries, het uitdrukte.

TIEN JAAR EN EEN KREDIETCRISIS later is de AOW opeens ‘onbetaalbaar’ en moet de pensioengerechtigde leeftijd omhoog om vier miljard euro te besparen. Nederland geeft minder aan de AOW uit dan dertig jaar geleden, maar tal van politici, economen en commentatoren praten het kabinet klakkeloos na. En ze hebben het zogezegd altijd al geweten. Sommigen hebben recht van spreken, zoals econoom Flip de Kam die het AOW-fonds van meet af aan als een ‘leugen’ afdeed. Het bleek inderdaad een staaltje van Haags (zelf)bedrog: de overheid leende zichzelf bedragen zonder het geleende geld daadwerkelijk te reserveren voor betalingen. Dat kwam uit in 2006 toen de Studiegroep Begrotingsruimte, een groep fiscale topambtenaren, erover rapporteerde. De groep meldde en passant dat het geen echt spaarfonds was: ‘Het AOW-spaarfonds bevat geen werkelijke vermogenstitels. Het fonds is de facto een registratie.’ En in de praktijk heeft die registratie geen betekenis, aldus het rapport, omdat ‘onderlinge financiële verplichtingen binnen de collectieve sector niet relevant zijn’.
Het kwam neer op ‘balletje-balletje spelen met de AOW’, zoals Volkskrant-econoom Frank Kalshoven het uitdrukte. Daarom hebben we nu een probleem. En wat hebben we daarvan geleerd? Ogenschijnlijk niets, want afgelopen zomer zagen zelfs de partners en kroonleden van de Sociaal-Economische Raad (SER) ervan af om een alternatief voor het kabinetsvoorstel uit te werken. Ze lieten zich braaf door Centraal Planbureau-directeur Coen Teulings voorrekenen dat er geen andere uitweg was. En de veronderstellingen van de CPB-berekeningen laten, zoals bekend, geen ruimte voor alternatieven. Welbeschouwd vervangen ze de politiek door een schijnbaar neutraal rekenmodel waarachter politici zich kunnen verschuilen.
Het bewees weer eens de ideologische macht van het CPB. Het bedrag van vier miljard stond niet ter discussie, het kreeg een ‘staat van heiligheid’, aldus de Tilburgse econoom en linksdraaiende CDA’er Harrie Verbon: ‘En bij de doorrekening door het CPB van een verhoging van de AOW-leeftijd kan men zijn twijfels hebben. Met evenveel gemak kunnen de baten van vier miljard omslaan in netto kosten van twee miljard.’ Net als het AOW-fonds is het voorstel voor verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd een ‘schijnmaatregel’, een rekenkundige truc waarmee de werkelijke vraag wordt omzeild. Dat is de vraag in hoeverre we bereid zijn te betalen voor de sociale cohesie in dit land, voor een arrangement dat niet voor niets een ‘volksverzekering’ heet omdat het hele Nederlandse volk er baat bij heeft als ieders bestaanszekerheid is gewaarborgd. Een verzekering, dus, die ‘zichzelf betaalt’ in andere dan louter financiële termen.
In een artikel in de Economisch Statistische Berichten rekent Verbon voor met welke negatieve effecten het CPB-model geen rekening houdt. Als de AOW-leeftijd naar 67 verschuift, zullen alleen al de fiscaal aftrekbare pensioenpremies van werkenden zodanig stijgen dat de overheid naar schatting twee miljard euro aan belastingopbrengst misloopt. Het kabinet stelt zich ook voor dat werknemers door de verhoogde AOW-grens langer zullen doorwerken, maar er is alles voor te zeggen dat ze dat niet gaan doen, al is het maar omdat vrije tijd en levensgenot verworvenheden zijn. Of is het soms gelukt om meer ouderen aan het werk te krijgen door de afschaffing van de vut?
Bij Financiën kunnen ze Verbons artikel alvast inlijsten, want de afgang, vergelijkbaar met die van het AOW-fonds in 2005, tekent zich al af. Wat Verbon bovendien uit sociaal oogpunt dwarszit, is dat de negatieve effecten voor de ouderen die er het slechtst aan toe zijn voor dit kabinet niet meetellen. ‘Nu hebben we ook veel stratenmakers die hun 65ste niet halen. Dus dat maakt niet het grote verschil met 67 jaar’, zei minister Donner van Sociale Zaken onlangs. Inderdaad, die zijn dan al dood. Of ze houden eerder op met werken en verspelen daarmee een deel van hun AOW, een gemis dat ze met het stijgen van de jaren niet meer kunnen inhalen.
Sociale zekerheid is niet alleen een kwestie van geld. Waarden als bestaanszekerheid, vertrouwen in de toekomst en tastbare solidariteit tussen burgers zijn niet in geld uit te drukken. ‘Absolute onbetaalbaarheid bestaat niet’, zegt de Delftse econoom en GroenLinks’er Alfred Kleinknecht, die tot zijn eigen verbazing de laatste tijd op dit punt samenwerkt met CDA’er Verbon. ‘Het gaat erom of je een stelsel of maatregel wilt financieren, ook al is de opbrengst ervan niet in geld uit te drukken. Voor werknemers met inkomens boven modaal maakt de verhoging van de AOW-leeftijdsgrens weinig uit, ze merken het nauwelijks. Ze kunnen makkelijk eerder ophouden met werken, want ze missen door die twee jaar amper 25.000 euro en dat is niet zo erg als je aanspraak kunt maken op een goed particulier pensioen. Het is typisch zo’n idee dat past bij de goedopgeleide, dynamische consultant van dertig-en-nog-wat die zich toch wel redt. De mensen beneden modaal, die krijgen de klappen.’
VERBON WIL AF van het gepruts met CPB-cijfers. Er moet volgens hem een ‘fundamentele discussie’ over de AOW komen zoals die ook in Den Haag en in de SER werd gevoerd tijdens de invoering van de wet in de jaren vijftig. Waar ging het ook weer om? Om een volksverzekering die iedere oudere van een behoorlijk bestaan moet verzekeren. Helaas zijn er in Nederland weinig critici van het niveau van Verbon en Kleinknecht te vinden. CPB en kabinet hebben welhaast vrij spel. Wel is het omineus dat ook de in PVDA-kringen gerespecteerde fiscaal expert De Kam zich onder de critici schaart. Flip de Kam: ‘Het kabinetsplan zal vóór 2020 op geen enkele wijze bijdragen aan het oplossen van de budgettaire problemen, integendeel: die zullen groter worden door belastingtegenvallers wanneer een toenemend aantal mensen extra fiscaal gefaciliteerd gaat sparen voor de oude dag.’
En zelfs als verhoging van de AOW-leeftijd ertoe leidt dat oudere werknemers langer blijven werken, dan nog ontstaan nieuwe sociale problemen. De aanwezigheid van ouderen op de werkvloer is vaak ongewenst en soms ronduit onwerkbaar. Denkt Donner werkelijk dat ‘ouderen de problemen in de zorg en het onderwijs gaan helpen oplossen’, zoals hij stelt, terwijl juist daar de uitval van oudere werknemers reusachtig is en de werksfeer zo belastend dat jongeren er niet eens willen werken?
Verbon pleit voor een heel andere aanpak door de AOW te vervangen door een basisinkomen voor ouderen, afgekort BIO, dat vanaf het 63ste levensjaar aan alle werknemers wordt uitgekeerd. De uitkering bedraagt aanvankelijk de helft van de huidige AOW-uitkering van 1048 euro, maar stijgt met de leeftijd van de ontvanger zodat deze allengs minder afhankelijk wordt van aanvullend inkomen en pensioen. Omdat ze minder hoeven te verdienen, blijven oudere werknemers interessant voor werkgevers. Het stelsel is eminent betaalbaar. Iedereen blij, zou je zeggen. En zelfs in Den Haag kan het beginsel van een basisinkomen na tientallen jaren discussie en verkennend onderzoek niet als een schok komen. Helaas, zulke ideeën vallen tegenwoordig dood, omdat politici die beweren ‘buiten de doos’ te willen denken niet meer in staat zijn om zelfs maar over de rand te kijken.
Het voorstel omtrent de verhoogde pensioengerechtigde leeftijd komt uit dezelfde neoliberale doos waaruit Nederlandse kabinetten sinds 1980 putten. Het is een beleid van ‘afruilen’, zoals economen het noemen: beginselen van sociale rechtvaardigheid worden afgewogen tegen economische doelmatigheid, waarbij de laatste telkens zegeviert. Dat kan lang goed gaan. Zo werd in de jaren negentig een eind gemaakt aan het inkomensbeleid, met als gevolg dat we in ons land nu grote welvaartsverschillen kennen. Zeker, we danken er wellicht een procent extra economische groei aan, maar de sociale cohesie lijdt eronder en op den duur moeten we voor de kosten daarvan opdraaien. De sociale kosten van de AOW-farce zijn nu al zichtbaar: jongeren en ouderen, vrouwen en mannen, allochtone en autochtone Nederlanders worden tegen elkaar uitgespeeld met het verwijt dat ze op elkaars zak teren, de woede onder de verliezers van het kabinetsvoorstel stijgt en Geert Wilders wint weer een paar virtuele zetels.
‘Al stelt het kabinet zich ogenschijnlijk nog zo zakelijk en neutraal op, er zit wel degelijk een neoliberale ideologie achter’, meent Kleinknecht: ‘Mijn neoliberale collega’s, werkgevers en hun politieke medestanders in Den Haag grijpen al decennialang elke gelegenheid aan om de welvaartsstaat weer een stukje verder af te breken, groepen tegen elkaar uit te spelen, een samenleving te creëren waarin het individu op zichzelf wordt teruggeworpen en de lonen omlaag kunnen. Dat laatste is volgens mij de reden waarom bijvoorbeeld werkgeversvoorzitter Wientjes al jaren vraagt om verhoging van de AOW-leeftijd. Het leidt tot enorme problemen rond oudere werknemers, maar die worden op de rest van de samenleving afgeschoven en intussen worden de lonen gedrukt. Willen we dat? En zo nee, willen we ervoor betalen dat het niet gebeurt? Het is uiteindelijk een kwestie van beschaving. Wat is het ons waard dat er straks geen bedelende bejaarden bij de ingang van de metro staan?’