Ger Groot

Ger Groot

Jarenlang heb ik me afgevraagd waarom Bassa Selim in Mozarts Die Entführung aus dem Serail geen zangpartij heeft. Dat is, voor zover ik weet, uniek in het oeuvre van Mozart en maakt ook in de Entführung een vreemde indruk. Zes protagonisten telt de opera, min of meer paarsgewijs verdeeld. Er zijn twee edellieden, elk met zijn eigen dienaar, en er zijn twee vrouwen. Waren die laatsten in liefde verbonden geweest met de beide heren, dan zouden we een klassieke symmetrie hebben gehad, maar geen drama en dus ook geen opera.

De dames hebben echter hun hart verpand aan één heer en zijn dienaar, net als zijzelf Europeanen. Verhinderd wordt deze liefde door hun gevangenschap in de harem van ‘pasja’ Selim, waar ze bewaakt worden door de wreedaardige oppasser Osmin. Hun bevrijding vormt de intrige van het werk.

Wat er in Die Entführung aus dem Serail scheef zit is de ongelijke verdeling der vrouwen, wat volgens Lévi-Strauss in iedere cultuur tot moeilijkheden leidt. Het Westen is daarbij goed af. Naar dát kamp (de Spaanse edelman Belmonte en zijn dienaar Pedrillo) gaat het vrouwelijk verlangen uit, ongevoelig als het is voor zoetgevooisde beloften en bedreigingen van een sinistere Oriënt.

Een ‘ideologiekritische’ lezing zou daaraan genoeg hebben gehad om de muzikale stilte van Bassa Selim te verklaren vanuit een bijna racistisch gemotiveerd oriëntalisme. Tegenover het Westen, dat blinkt in morele zuiverheid en eindtriomf, zou hij zijn veroordeeld tot een minderwaardige spreekstem en zonder de charme van de zang en in een opera betekent dat: bij voorbaat monddood gemaakt.

Vreemd genoeg is Bassa Selim echter het tegendeel van de sinistere en onberekenbare oosterling. Hij is de hoffelijkheid zelve, in het verlengde van Montesquieu’s al even hoogbeschaafde Perzische briefschrijvers en conform de fascinatie die het tweede deel van de achttiende eeuw voor het Oosten koesterde.

Terwijl Gluck er met zijn opera Les Pélerins de la Mecque al een voorzet voor had gegeven, zou Rossini die bewondering voor mohammedaanse verfijning voortzetten in L’Italiana in Algeri en vooral Il Turco in Italia. Als contrapunt schilderde Voltaire de figuur van Mohammed dan weer af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.

Verder zondigden de lumières veeleer in omgekeerde richting, in een oriëntalisme dat even weinig reëel was als de huidige verkettering. Wreedheid is daarbij niet afwezig, maar bij Mozart wordt de pasja in dat opzicht grotendeels in de luwte gehouden. Zijn verbale bedreigingen zinken bij de gezongen wraakzucht van Osmin geheel in het niet. Maar ook die laatste wordt uiteindelijk getemd tot het type ruwe bolster blanke pit, op zijn nummer gezet door de westerse kamenierster Blonde op wie hij zijn zinnen had gezet: in haar Engelse nuffigheid voor het toenmalige Wenen ongetwijfeld even bizar als voor het latere feminisme profetisch.

Tussen de ‘nobeler’ rollen van het stuk speelt zich intussen het ware drama af. Bassa Selim ontpopt zich als aanzienlijk grootmoediger dan zijn Spaanse tegenhanger en vooral diens vader: de spiegel van het Westen in zijn meest geïdealiseerde vorm en dus een toonbeeld van de universalistische droom die – boven perfiditeit en wreedheid uit – deugd en gerechtigheid gelijkelijk over de culturen verspreid zag.

Maar Bassa Selim was nog altijd veroordeeld tot een spreekstem en geen muziekcompendium kon me vertellen waarom. Ten slotte onthulde het cd-boekje van mijn Solti-opname het banale raadsel. De zanger die de rol van de pasja moest vertolken verliet kort voor de opvoering het operagezelschap, kennelijk nog voordat Mozart zijn aria’s geschreven had. Alleen een acteur kon hem op die termijn vervangen. Zo bleef Bassa Selim stem geven aan een van de edelste monologen uit het multiculturele drama, maar voor eeuwig zonder noten.