Geraas, getier en gebral

In mijn boekenkast ligt de tweede/herziene/uitgebreide druk van Mandarijnen op zwavelzuur van willem frederik hermans, in kleine letters, uitgegeven in september 1967. Rechtop staan kan het boek niet, daarvoor is het te groot en onhandig.

Achterin staat: «In opdracht van De Mandarijnenpers te Groningen werd de tweede druk van dit boek bezorgd door Thomas Rap, Uitgever te Amsterdam. De oplage bedraagt duizend genummerde exemplaren. Dit is nummer (nauwelijks leesbaar) 00138.»

Het is een fotografische herdruk. Hermans heeft zelf nog met inkt verbeteringen aangebracht, bijvoorbeeld op pagina 202 waar «geworden van zichzelf» via een inkt haal is veranderd in «van zichzelf geworden». Ik heb er in de loop der jaren enorm in ge streept en gekrast, ook nu weer. Dit boek is als je het vriendelijk wil zeggen een krankzinnige hybride, maar je kunt het ook een omgevallen knipseldoos noemen. Het gaat rechtstreeks in tegen alle wetten van letter- en boekontwerp. Lettersoorten wisselen elkaar in duizelingwekkende hoeveelheden af en vooral het begin is veel te klein gezet. Een behoorlijk notenapparaat ontbreekt en wat er is, is piepklein. Af en toe staan er getypte commentaren tussen de pagina’s. Er zitten fotokopieën bij van krantenstukjes. En er staan foto’s in met geweldig flauwe onderschriften, bijvoorbeeld die van een apenschedel, met daarnaast vet gedrukt: «Koos Schuur». Of een foto van een pin-up met daarboven «Anna Blaman» (lachen!).

Ik heb altijd last van dit boek gehad. Ik bedoel, ik vond het vanaf het begin in hoofdzaak kinderachtig, flauw, pathetisch en pijnlijk. Flauwekul over Het land van herkomst van Du Perron: dat het afgekeken zou zijn van Stendhals Vie de Henry Brulard, wat een onzin. Dat Du Perrons roman geen «leidende gedachte» zou bevatten en veel «functieloze» mededelingen. Allemaal het resultaat van doelbewust kwaadaardig lezen, of gewoon níet lezen. Ter Braak weer eens verwijten dat hij Nietzsche niet helemaal gelezen heeft. Tegen het «Ventisme» van Forum tekeergaan, maar zelf de grootste ventist aller tijden zijn, je moet er maar opkomen.

En dan dat kleinzielige en troebele ge doe over collega-schrijvers. Lach-of-ik-schiet-humor («Mandarijn Flap ging naar Parijs», «hoernalistiek», «Plucky Gom perts»). En vooral: dat eeuwige leuk zijn ten koste van anderen. Ik vind het nog altijd moeilijk een woord te vinden voor deze stukken van een schrijver die ik verder zo mateloos bewonder en waar ik ook mateloos bewonderende stukken over schreef. Gewoon heel stil zitten, dacht ik altijd als er in de loop der jaren weer een nieuwe omgevallen schoenendoos verscheen met op nieuw van die hoge-toon-bral-bral-stukjes erin. Met die verschrikkelijke grapjes. Er niet over praten en hopen op een nieuwe roman. Of gauw Nooit meer slapen herlezen of Ik heb altijd gelijk. Hard werken en niks laten merken, dat is toch altijd het beste.

Lang heb ik gedacht dat ik de enige in Nederland was die niks in Hermans’ polemieken zag. Zijn bewonderaars door dik en dun vinden nu eenmaal tot op de dag van vandaag altijd weer een plek om hun lofzangen uit te serveren over de humor en de scherpzinnigheid van de mees ter, die al die rukkers toch maar mooi de oren waste. Maar ik blijk toch niet de enige te zijn.

Ik heb me voor deze gelegenheid fors verdiept in de ontvangstgeschiedenis van Hermans’ polemieken en het valt allemaal vies tegen. Ze kregen nooit wat je noemt een enthousiast onthaal. Men vond het al bij de eerste druk in 1955 rare kost waar je weinig mee kon en niks aan had, al was het volgens Gerrit Kouwenaar in een stuk in Vrij Nederland (1955) niet nodig om Hermans «een terrorist te gaan noemen omdat hij nu eindelijk ook eens op ónze tenen of daaromtrent is gaan staan».

Kees Fens maakte in 1964 in De Tijd gehakt van een herdruk van Mandarijnen op zwavelzuur. Hij ziet er niet méér in dan «montages van losse opmerkingen» die «steenstapels zonder cement» blijven, waardoor ze «zo vervelend lezen». Hij vindt dat Hermans zich over het verkeerde op windt en dat de «Mandarijnen» al na enkele stukken «ongenietbaar» zijn omdat er «geen andere inzet uit de polemische stukken blijkt dan het in de contramine zijn». De controversen zijn volgens Fens nu al vergrijsd, Hermans wekt de indruk zich kwaad te maken op museumstukken. «Het is een beetje lachwekkend.»

Ook Anne Wadman vraagt zich in een uitvoerig artikel in de Leeuwarder Courant (1964) af wat het belang van deze stukken is: «Maar het is moeilijk over dit rare boek in termen van ernst te spreken.» Hij vindt bijvoorbeeld dat Hermans wel goed gedocumenteerd tegen Ter Braak ten strijde trekt, maar dat «het hem aan ieder historisch perspectief ontbreekt». Overigens meent hij dat achter al de «redeloze zure woede» van Hermans «uiterste gevoeligheid» schuilt.
J.H.W. Veenstra maakt zich over deze «overwegend oude kost» in Vrij Nederland (1964), nog maar eens flink kwaad. Hij geeft toe dat Hermans kan schrijven, maar vindt wel dat «een talent (zijn) rechten pas waarmaakt door het niveau waarop het opereert». Hij meent dat Hermans zelf ook flink meegedaan heeft aan waar hij anderen van beschuldigt, dus «met prijzen knoeien, heu len, hoereren». Hij vraagt zich af waarom Hermans er niet tevreden mee is «zijn wrok en rancune in zijn romans uit te vieren» in plaats van dat hij zich «zo schamel te kijk moet zetten als de tegen alles en iedereen mokkende puber».

Ook latere polemische verzamelbundels zoals Boze brieven van Bijkaart (1977), Ik draag geen helm met vederbos (1979), Door gevaarlijke gekken omringd (1988) en Malle Hugo (1994) droegen niet bepaald de erepalm weg. Het minste verwijt is nog de «ongelijkheid» in kwaliteit van de artikelen: «stukjes van niks», «ordinair bedrog», «overlappingen». Maar de kritiek richt zich ook op de «oubolligheid» ervan ( J.G. Gaarlandt), of het ontbrekende verband (Reinjan Mulder) of op Hermans’ selectieve verontwaardiging, die vaak op «peuzelwerk, randverschijnselen, snipsnaarderijen, klipscheten, sissers, druppels op gloeiende platen en stofjes aan de weegschaal» is gericht (Bart Vervaeck).

Vaak vindt men dat zijn betogen rusten op veel geschreeuw met weinig wol. «Er is veel misbaar maar het effect ervan is dat van brandalarm op Schokland» (Hans Keller). Ook het «eindeloze doorzagen» van Hermans krijgt de handen niet op elkaar. «Voor de honderdduizendste keer legt hij uit waarom», schrijft Schouten in 1983 in Trouw over de affaire-Weinreb en in 1988 ergert hij zich in een recensie over Door gevaarlijke gekken omringd groen en geel aan het voortdurende zoeken naar «spijkers op laag water, onbeduidende feiten».

De gunstige besprekingen zijn ver in de minderheid. En ook daarin wordt heel wat afgeklaagd, niemand bejubelt het polemische werk ongegeneerd. Ik kreeg zelfs af en toe de puberale neiging het werk om die reden alsnog enorm te gaan toejuichen. Vaak geeft het amusementsgehalte en de «superbe stijl» van de «alom gevreesde Hermans» de doorslag. «Wat blijft is de stijl van Hermans» (Wim Sanders). Maarten ’t Hart heeft veel bezwaren, maar las Door gevaarlijke gekken omringd met «minstens evenveel genoegen als alle andere essaybundels van Hermans (…) vaak in een schaterlach uitbarstend bij leuke grapjes, woordspelingen, treffende vondsten, en verrassende metaforen».

Toch blijft de vraag wringen wat Hermans precies bezielde toen hij zijn polemieken schreef. Men waardeert wel vrij algemeen zijn meer bewonderende artikelen over bijvoorbeeld Bordewijk en Van Oudshoorn. Of over Wittgenstein en oude schrijfmachines. Maar die polemieken! Wat bezielde hem in hemelsnaam ze te schrijven, op deze toon en met deze bulderende inzet.

Voor Max Pam is het in zijn voorwoord bij Willem Frederik Hermans: Niet uit kwaad aardigheid geen probleem. Hij waardeert de polemieken zonder meer, noemt ze scherpzinnig en humoristisch, vindt het «verrukkelijk dat hier iemand gewoon op de man speelde». Hermans meent volgens Pam dat een schrijver zich helemaal voor de literatuur moet geven, er is eigenlijk geen compromis mogelijk en dit is de onderliggende gedachte van de polemieken. «De ware schrijver is iemand die uitsluitend afgaat op zijn eigen verstand, op zijn eigen gevoelens en zijn eigen verbeelding. Al het andere is epigonisme en gebrek aan talent.» Aldus Pam.

Een dergelijke hyperromantische opvatting over schrijven reconstrueerde ook Arnold Heumakers in 1999 in een artikel over Hermans’ polemische werk. Ik tegen de rest van de wereld, met als einduitslag 134-0, die uitslag staat uiteraard van tevoren al vast. Hermans snakt volgens Heumakers naar een tijd dat (en nu citeert hij hem) «er geschreven zal worden in de eerste plaats om goed te schrijven en nergens anders om». Het lijkt er dus op dat Hermans een l’art pour l’art-principe verdedigt, concludeert Heumakers, al zal dat toch ook weer niet de bedoeling geweest zijn, voegt hij eraan toe.
Schrijven als afweermechanisme tegen de rest, ik geloof inderdaad dat je het in deze richting moet zoeken. Maar waarom dan die vaak belachelijke felheid die vrijwel nooit gericht is tegen grote collega’s, maar altijd tegen de kleinere goden, al maakte hij graag een uitzondering voor Reve en Mulisch? Waarom dat schieten met een kanon op een mug? Waarom dat jarenlange gepolemiseer tegen van alles en nog wat? Zonder kop en staart, alleen om te polemiseren? Wie weet liet hij er zelfs doodleuk een stuk of drie prachtige romans voor schieten. En dat alles ge doopt in die verschrikkelijke antihumor, die flauwe woordgrapjes, altijd ten koste van anderen, nooit eens bevrijdend over zichzelf. Pam en ’t Hart vinden het dus wel leuk, en dat moeten zij natuurlijk zelf weten, maar ik zit er altijd met gekromde tenen naar te kijken. Nu, bij opnieuw lezen, weer.

Tussen het geraas, getier en gebral be vindt zich in mijn Mandarijnenuitgave, bijna als een oase van sereenheid en kalme rust, een voortreffelijk en uitvoerig essay van Hermans over zijn roman Ik heb altijd gelijk. Wie iets over Hermans wil beweren, moet daarmee beginnen. Pam heeft het jammer genoeg niet in zijn verzamelbundel opgenomen, ik vind dat een omissie. Hermans schreef het essay in 1952 voor het tijdschrift Podium en eindelijk gaat het over zijn eigen werk, later heeft hij daar over nooit meer zo uitvoerig geschreven. Hij reageert op een recensie van C.J. Di naux, die hij volgens de bekende schreeuw- en brulprincipes eerst een kopje kleiner maakt. Hij laat zien dat er geen sprake is van nihilisme bij zijn hoofdfiguur en dat de oorlog «infantiele complexen in hem activeert als in zovele».

Maar daarnaast geeft Hermans ook een boeiend kijkje in zijn eigen schrijvers keuken. Het is verrassend te zien hoe hij zich schatplichtig toont aan Freud en het existentialisme en ook hoe hij zijn personages voorziet van een symbolische duiding. Hij analyseert haarscherp waar Lodewijks eeuwige gelijk en eeuwige gekanker uit voortkomt.
En dan staat er dit: «Hij (het hoofdpersonage Lodewijk) kan altijd volgens één of ander systeem zichzelf gelijk geven en tenslotte ziet hij zelfs in dat iedereen in deze wereld altijd volgens een of andere waardering ‹gelijk› kan hebben, ja, dat zelfs de dood geen ‹gelijk› in absolute zin geven kan, want wie dood is, is dood en kan van zichzelf niet meer weten dat hij dood is, omdat dood zijn betekent: niet bestaan.»

Gelijk willen hebben brengt Hermans in Ik heb altijd gelijk niet alleen in verband met een vergeefse weigering toe te geven aan kleinburgerlijkheid, maar dus ook met de dood. De hele roman is ervan doortrokken. Wie anderen ongelijk geeft, overwint de dood. Voor de schrijver Hermans was het, net als voor zijn personage Lodewijk in deze verplichtende en meesterlijke roman, een literair-existentiële noodzaak anderen ongelijk te geven. Alleen zo zou zijn literatuur voort kunnen leven, in stand kunnen worden gehouden.

Zijn polemieken zijn een hogere vorm van literair selfkicken. Vandaar ook de overdreven felheid ervan. Wanneer hij ze niet zou schrijven, dreigde de literaire dood hem op de hielen te zitten. Hermans’ schrijven kon niet zonder antischrijven. Het een was onlosmakelijk verbonden met het ander, zoals in zijn proza en poëzie het lelijke onlosmakelijk met het mooie verbonden was.

Je zou Hermans in zijn polemieken kunnen vergelijken met de voodoomagiërs van Haïti of de koppensnellers van Nieuw- Guinea, die hun vijanden eerst tot poppen nabouwen en die vervolgens symbolisch doorboren met alles wat er aan spelden, messen en bijlen te krijgen is. Alleen om zelf het eeuwige leven te verwerven.


Willem Frederik Hermans: Niet uit kwaadaardigheid
Samengesteld en ingeleid door Max Pam
De Bezige Bij, 386 blz., e 23,50