Geraffineerde weeklacht

Jenufa van Leos Janácek, tot en met 26 juni in het Muziektheater te Amsterdam, in het kader van het Holland Festival.
In zekere zin is Leos Janácek de Matthijs Vermeulen van de Tsjechische muziek. Zoals Vermeulens muziek niet werd uitgevoerd vanwege een conflict met Willem Mengelberg moest Janácek twaalf jaar wachten op de Praagse première van zijn opera Jenufa. Zijn scherpe kritiek op een opera van Karel Kovarovic, de directeur van het Nationaal Theater in Praag, kwam hem zodoende duur te staan. Anders dan bij Vermeulen werd zijn muziek wel in zijn eigen woonplaats uitgevoerd, met als gevolg dat Janácek wereldberoemd in Brno was, maar niet echt doorbrak naar het buitenland.

En nog altijd beweegt Janácek zich in de marge van het ijzeren repertoire. Het sluwe vosje verschijnt regelmatig op de speellijsten, maar waarom dat niet voor Jenufa geldt, is eigenlijk een raadsel. Zoals bij de nieuwe produktie van de Nederlandse Opera bleek, ontbeert dit stuk ten enenmale al die handicaps waar opera’s mank aan kunnen gaan: een buitensporige lengte, een onnavolgbare plot, extreem zware rollen, een overdaad aan personages, moeilijk te ensceneren situaties of al te lichtzinnige vocale capriolen.
Jenufa verhaalt over de tragische levensloop van Jenufa, die als een magneet alle denkbare ellende aantrekt: de man van wie ze houdt en van wie ze zwanger is, laat haar in de steek, een jaloerse aanbidder verminkt haar gezicht en haar liefdeloze moeder meent haar te ‘helpen’ door de pasgeboren baby onder het ijs te verdrinken. Deze huiveringwekkende gebeurtenissen heeft Janácek van een zinderende muziek voorzien. Het orkest kolkt, nu eens onheilszwanger, dan weer uitbarstend in wervelende volksmuziek, soms gereduceerd tot een enkele vioolsolo, soms opbloeiend in kleurrijke blazerspartijen. Maar ondanks de flexibiliteit in muzikale stijlen weet Janácek als geen ander een wrange, donkere muziek te schrijven - muziek als één grote weeklacht.
Met Edo de Waart op de bok en Richard Jones in de regiestoel voltrok zich afgelopen zondag een aangrijpend schouwspel.
De enige stoorzender is het decorontwerp van Antony McDonald. Alsof zijn fantasie tot op de laatste druppel is opgedroogd, heeft hij niet meer weten te verzinnen dan een plat, onooglijk toneelbeeld. Als een zwevend bouwpakket komen de immense decorstukken door de lucht aanzeilen om een rechttoe rechtaan prefab huis te vormen.
Zo mogelijk nog smakelozer zijn McDonalds letterlijke illustraties van de tekst. Zo vertaalt hij bijvoorbeeld de literaire metafoor van een steen die zwaar weegt naar dreigende rotsblokken op het dak.
Dan is de personenregie heel wat fijnzinniger. De zangers hebben niet alleen stuk voor stuk uitstekende stemmen, maar zijn ook treffend gecast - noodzakelijk bij een psychologisch-realistisch drama als Jenufa. David Keubler slaagt er uitstekend in de moeilijke rol van Steva - een charmante dronkelap - te spelen door zich consequent door de zwaartekracht te laten leiden. Waar de kosteres (Kathryn Harries) af en toe dreigt te overacteren, is het spel van Jenufa (Gwynne Geyer) juist prachtig gedoseerd. Haar verschijning is ijzingwekkend in de scène waarin ze hoort dat haar zoontje dood is: als een slaapwandelaar beweegt ze over het toneel, ondertussen dwangmatig aan haar kamerjas klauwend.
Het succes van deze nieuwe Jenufa is niet in de laatste plaats te danken aan de prestaties van Edo de Waart als dirigent. Waar hij zich in het verleden nog wel eens te buiten ging aan orkestraal spierballenvertoon, laat hij nu in Jenufa (net als eerder in Werther) zien ook buitengewoon genuanceerd te kunnen musiceren. Naast de passie en kracht die we van hem gewend zijn, bewijst hij - in de meest uiteenlopende details in deze lastige partituur - een scherp oog te hebben voor het muzikale raffinement. Als belangrijkste kandidaat om Hartmut Haenchen binnenkort bij de Nederlandse Opera op te volgen, laat De Waart met deze directie een niet te negeren visitekaartje achter.