Gerard - 22/hanny

Gerard heeft ‘De avonden’ af. ‘Ik loop door het huis, in de huiskamer is alles donker. “Slaap je al?” vraag ik. “Nee,” antwoordt een kreunende stem, “zet mij even het klokje gelijk.” Ik ontsteek licht in de achterkamer, waar mijn ouders te bed liggen. “Ik heb het klaar.” “Lees eens voor,” zegt mijn moeder. “Slaapt vader?”

“Hij snurkt weer, het is verschrikkelijk, een zet geven helpt maar even.”
“Luister,” zeg ik, “goed luisteren en geen domme vragen stellen.” Deze toon dient om geen genegenheid te doen blijken.
“Begin nu maar.”
Na het voorlezen vraag ik luchtig: “Hoe vind je het?”
“Ja, ja.”
“Vind je het goed?”
“Ja.”
Meer komt er niet uit.’
Aldus Gerard, schrijvend onder de naam Simon van het Reve, in Ruim Baan, tijdschrift voor jonge mensen, van 13 september 1946. Het stuk heet ‘Schrijver willen worden’ en is eigenlijk een verborgen nawoord op 'De avonden’, hoewel het eerder werd gepubliceerd en eerder werd geschreven dan het einde van 'De avonden’.
Zetten we uit die tijd de cruciale data onder elkaar dan zien we iets merkwaardigs.
Op 13 september '46 werd het stuk 'Schrijver willen worden’ gepubliceerd.
Op tweede kerstdag '46 zette Gerard het plan op papier om 'De avonden’ te schrijven.
Op 18 mei’ 47 is 'De avonden’ voltooid.
Hoewel het eerste stuk (zie boven) zo uit 'De avonden’ afkomstig lijkt, had Gerard op dat moment dus nog geen idee wat hij wilde schrijven.
In november '47 komt het boek uit, op 24 november ontvangt hij de Reina Prinsen Geerligsprijs in de aula van de Universiteit van Amsterdam.
Nog in datzelfde jaar publiceert Gerard 'De ondergang van de familie Boslowitsj’ en 'De laatste jaren van mijn grootvader’. Vreemd genoeg worden, ondanks de prijs die Gerard had gekregen, beide verhalen door de recensenten niet opgemerkt.
De novelle 'De brand’ waar Carmiggelt het over had, zal in 1949 verschijnen en heet dan 'Werther Nieland’.
Gerard is dan al erkend en bekend als schrijver en hij ervaart aan den lijve de eerste regels van zijn in 1946 geschreven essay 'Schrijver willen worden’: 'Schrijver zijn is waarschijnlijk geen benijdenswaardig lot, schrijver willen worden is echter weinig minder dan een verschrikkelijk ongeluk.’
Gerard liep toen al twee jaar bij psychiater Schuurman. Dat vertelde hij aan een meisje dat hij leerde kennen. Het meisje was jong, maar voelde zich 'een beetje achter’. Ze was jarenlang ondergedoken geweest en heette Hanny Michaelis. Gerard was de eerste man die werkelijk in haar geinteresseerd was en in wie zij op haar beurt belang stelde. 'Ik moest om alles wat hij zei zo lachen’, zei ze later over hem.
Hanny en Gerard ontmoetten elkaar vlak voor de uitreiking van de Reina Prinsen Geerligsprijs. Adriaan Morrien had tegen Gerard gezegd: 'Bij Meulenhoff zit een aardig meisje voor jou. Ze werkt voor Criterium.’ Waarschijnlijk vertelde hij dat ze ook op het Vossius had gezeten. En het is ook niet onwaarschijnlijk dat Gerard de gedichten kende die zij in Vulpes had geschreven, de schoolkrant van het Vossius. Toen Hanny daar op jonge leeftijd haar gedichten publiceerde, was Karel van het Reve hoofdredacteur van Vulpes.
Gerard zag Hanny en 'viel’ vrijwel direct voor haar. Hoewel. Volgens Hanny Michaelis zei Gerard later over die eerste ontmoeting: 'En daar bij Meulenhoff zie ik een soort pannespons.’ Hanny had in die tijd tamelijk wijd uitstaand haar. Ze gaat mee naar de uitreiking van de naar oud-Vossius-scholiere Reina Prinsen Geerligs vernoemde prijs en later, op de receptie van de prijs, gaat Gerard naast Hanny zitten.
'Ik geef vanavond een erg selectief feestje. Kom je ook? Het adres is tegenover schoenmakerij Cowboy aan de Joseph Israelkade.’
Om te zien hoe Gerard Hanny het hof maakte, kunnen we het beste Hanny zelf aan het woord laten: 'Op straat zei hij: sta me toe, dat ik je een arm geef. Maar op een gegeven moment zei hij: excuseer me een ogenblik. En ging achter een boom staan wateren. Ik dacht: die is gek, wat is dat voor een figuur? Toen kwam hij terug en vertelde een heel verhaal. Ja, hij moest op straat, hij had iets gehad drie maanden geleden, een operatie aan een aangeboren klepje in de pisbuis. Hij vertelde me alles, doodgriezelig, bloederig. En hij had ook het bewijs van de specialist dat hij drie maanden nooit z'n water mocht ophouden. Merkwaardige hofmakerij, he? Ik vond hem wel leuk, ik dacht: die is gek. Na het feest heeft hij me naar huis gebracht en toen was het heel gauw voor elkaar. Z'n moeder vertelde dat hij mijn adres boven z'n bed had gekrabbeld. Ja, het was meteen voor elkaar en we zijn samen gaan wonen. Ik vond het wel prachtig, ik vond zijn humor geweldig.’
Een paar maanden later trouwen Hanny en Gerard. Tijdens het huwelijksfeest werd een foto gemaakt die werd afgedrukt in het boekje 'Hoei Boei’. Een opmerkelijke foto. Bijna alle hoofdrolspelers van 'De avonden’ staan er op: naast Frits en zijn ouders onder meer Karel (Joop), Ina (Jozien), Lucas van der Land (Jaap Elderer) en Robert van Amerongen (Viktor Poort). Zelfs Jacques Presser staat op de foto, waaruit je kunt opmaken dat hij een goede vriend van de familie Van het Reve was. (Zeker van Karel, met wie Presser in de oorlog correspondeerde.)
Het literaire tumult rond 'De avonden’ is nog niet helemaal verstomd. Viktor Poort zou, zelfs onder die naam, nog op 26 maart 1948 een beschouwing aan het boek wijden in de Vrije Katheder, het blad waarin Karel en Gerard ook schreven.
Het stuk van Viktor Poort is uniek omdat een hoofdrolspeler uit het boek er zelf iets over meldt. Uiteraard is Robert van Amerongen enthousiast, al heeft hij ook kritiek. Hij vindt het boek 'vaak niet beantwoorden aan zijn pretentie van oprechtheid, waardoor sommige passages storend “indiscreet” zijn en van wat ik zou willen noemen: secundaire eerlijkheid, die hier en daar zelfs een exhibitionistisch accent heeft.’
Deze kritiek zit Gerard hoog. In 1963, vijftien jaar na de reactie van Viktor Poort, die inmiddels zijn studie oude talen heeft afgerond, zegt Gerard tegen Jaap Harten over de reacties op 'De avonden’: 'Ik ben ook (…) beschuldigd van exhibitionisme, een woord van Latijnse afkomst, waarvan het gebruik laat zien dat de spreker niet van de straat is, al verdenk ik hem er in dit geval van, niet goed te weten wat hij bedoelt.’
Ook stipt Van Amerongen in zijn stuk nog iets anders aan. Als motto voor zijn beschouwing gebruikte hij, Viktor Poort uiteraard, de waarschuwing die voorin 'De avonden’ staat: 'Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is toevallig.’ Aan het eind van zijn betoog stelt Van Amerongen dat de schrijver van 'De avonden’ in veel opzichten de hoofdpersoon is: 'hij heeft onlangs a.h.w. openlijk bekend dat hij Frits van Egters is plus veel wat verzwegen werd’. Van Amerongen citeert dan een stukje dat Van het Reve in het Literair Maandblad van de boekhandel had geschreven: 'Dat een mens iets in het boek mist, komt niet omdat ik met de lezer medelijden had, maar omdat ikzelf niet voldoende moed en kracht bezat de woorden neer te schrijven. Ik hoop deze te verwerven.’
Voor welke woorden had hij 'moed en kracht’ nodig?
Misschien zou hij daar tijdens zijn huwelijk achterkomen.
(Wordt vervolgd)