Gerard 25 melancholia

In De Groene Amsterdammer van 28 april 1951 stond een merkwaardig commentaar toen de staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, J.M.L.Th. Cals, Gerard Reve een reisbeurs onthield vanwege het (vermeende) pornografische karakter van de novelle ‘Melancholia’. Laten we bij het begin beginnen.

De auteur wilde naar Amerika of Engeland emigreren. Daar zou hij meer succes hebben en daarom schreef hij in het Engels. Hij had echter geen geld. Brieven die hij schreef aan de Amerikaanse ambassade, leverden niets op. (In 1949 had hij overigens al met Lucas van der Land serieus geprobeerd via Canada naar de Verenigde Staten te gaan, maar dat mislukte.) En dus stuurde Gerard zijn novelle ‘Melancholia’ naar het Rijk, dat reisbeurzen verstrekte mits een jury de geleverde letterkundige prestatie voldoende vond. Een jury, onder voorzitterschap van Victor E. van Vriesland en verder bestaande uit Jeanne van Schaik-Willink, G. Kamphuis, Johan van der Woude en A.H.M. Wijffels, boog zich over het manuscript.
Jeanne van Schaik-Willink, later: 'Ik zei tegen Victor van Vriesland: Vic, het is een moeilijk geval. Het is het enige goede verhaal, maar een beetje te… Vic zei: daar hebben wij niets mee te maken. Het enige wat telt is dat het een goed verhaal is. Ik zei: eigenlijk heb je gelijk. Mag ik het hem zelf vertellen? Nou, dat mocht niet, maar ik heb het toch gedaan. Ik zei tegen Gerard: je moet je mond erover houden.’
Het enige goede verhaal! A.F. Coenen, Adriaan van der Veen en Willem Frederik Hermans werden ter zelfder gelegenheid eveneens met een reisbeurs bedacht.
Jeanne van Schaik-Willink, die Gerard in de P.C. Hooftstraat had ontboden, had voor haar beurt gesproken.
De uitslag van de jury kwam namelijk bij staatssecretaris Cals terecht. Deze las het verhaal, bloosde, herlas het, sloeg een kruis, werd woedend en besloot de reisbeurs in te trekken. Cals zou later zeggen: 'De overheid, die het algemeen belang tot richtsnoer dient te nemen, heeft te waken tegen uitwassen die kennelijk het algemeen welzijn, ook op geestelijk terrein, bedreigen en in strijd komen met de normen van de openbare orde en goede zeden. Het ligt zeker niet op de weg van de overheid zodanige uitingen te bekronen of op welke wijze ook aan te moedigen.’
Zogenaamde pornografie. Reve zelf was het daar natuurlijk niet mee eens en stapte naar de rechter. Hij voelt zich in hoge mate 'aangetast in eer en goede naam’. In het boek 'Kort revier’, dat de affaire uitgebreid behandelt, is een brief afgedrukt die Gerard toen aan Cals heeft geschreven. Hij constateert dat de uitspraak van Cals 'duidelijk de perken van het redelijke en geoorloofde verre te buiten gaat, terwijl onder meer het voorzienbaar gevolg hiervan zal zijn dat ondergetekende bij het lezend publiek hier te lande bekend zal komen te staan als een vervaardiger van letterkundig werk, dat het algemeen geestelijk welzijn, de goede zeden en de gevestigde rechtsorde ondermijnt.’
Zo zou het inderdaad naderhand gebeuren.
Een en ander brengt uiteraard de pennen van het journaille in beweging.
'Ons jongetje’, zet De Telegraaf als kop boven het commentaar, 'verkeert nog altijd in het prae-puberteitsstadium van vieze woorden met genoegen te schrijven.’
Men laat ook de zegsman van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aan het woord: 'Het is weliswaar “gezond” voor een schrijver om z'n blik naar het buitenland te verruimen, maar de overgrote meerderheid van de bevolking zou hier toch heftig tegen protesteren.’
'Een kwajongensstreek’, schrijft Theun de Vries in De Waarheid, 'het meest melancholische ervan, uit een oogpunt van kunst tenminste, ligt misschien wel in het feit dat een Nederlandse schrijver zijn moedertaal met een verbolgen gril van zich stoot en in een willekeurige vreemde taal gaat schrijven.’
En ook De Groene Amsterdammer vindt eigenaardig genoeg de handelwijze van Cals verdedigbaar: 'Vooral in deze dagen zijn allerlei subtiele figuren in de weer om de fondsen voor de kunst verminderd te krijgen en het is onder die omstandigheden begrijpelijk dat de regering, althans O.K. en W., in de weer is om deze vijanden van de cultuur zo weinig mogelijk vat te geven, als het instituut van de reisbeurzen als geheel daardoor bedreigd kan worden.’ Het betreft trouwens een, althans volgens dit vooruitstrevende weekblad, 'niet zo erg fris brokje proza’.
Gerard is woedend en voelt zich voor de zoveelste keer verraden. Al krijgt hij uit de schrijverswereld wel steun, onder anderen van Willem Frederik Hermans, die midden in de 'Ik heb altijd gelijk’-affaire zat. Hermans schrijft, later opgenomen in 'Mandarijnen op zwavelzuur’: 'Gekakel in de kamers! Gemiauw in de machteloze Vereniging van Letterkundigen! Brieven, audienties en moties! Resultaat: de Minister gaf iedereen gelijk, maar Van het Reve kreeg geen reisbeurs!’
Gelukkig werd er een comite geformeerd bestaande uit D.A.M. Binnendijk (de vroegere leraar Nederlands van Gerard), Han G. Hoekstra, Elisabeth du Perron-de Roos, Martinus Nijhoff, M. Vasalis en Garmt Stuiveling, die de 2000 gulden voor Gerard fourneren die de schrijver van overheidswege was onthouden. Victor van Vriesland distantieert zich van de kwestie, maar neemt niet echt afstand. Hij beweert dat zijn plicht niet verder gaat dan, als jurylid, het toekennen van een prijs.
Het plan om naar Amerika te gaan laat Gerard voorlopig vallen. Hij gaat met Hanny Michaelis naar Engeland om zich enigszins te orienteren. Even later staat zijn besluit vast. Hij wil een tijdje in Londen gaan wonen.
Alleen.
Hij had met Hanny, ondanks hun ruzies, toch wel een prettige tijd gehad. Ze hadden samen veel reizen gemaakt. Ze liftten samen door Frankrijk. ('Daar ons geld en het roggebrood op waren, besloten we te zingen. We liepen dus door het stadje, elk terras verkennend. We haalden in twee keer zingen (elk vier liedjes) ruim 400 francs op, waarbij 300 van een rijke kerel. Het was boven verwachting veel als je bedenkt dat onze avondmaaltijd plus nachtlogies 350 francs gekost heeft’ - brief uit Oranges uit 1946 of 1947.) Ook bezocht hij met Hanny de Pyreneeen. ('We zitten midden in de bergen, geweldige steile massieven van rood, geel, blauw of grijs’ - 25 augustus 1947.) Ook gaan Gerard en Hanny naar Monaco. ('Er is hier in de studentenwijk altijd wel iets te doen, vooral ’s avonds. Eergisteren is er een soort veldslag geweest tussen Titoisten en communisten. Laatstgenoemden namelijk wilden een vergadering vestoren van studenten die uitgenodigd zijn naar Joegoslavie. Over dit conflict hangt het hier vol aanplakbiljetten voor en tegen. Ik moet zeggen dat de affiches van de Titoisten veel beheerster, beschaafder en overtuigender zijn dan die van de communisten, die wel uit een boekje overgeschreven lijken’ - 11 juni 1950.)
Maar in Engeland kon Gerard geen gezelschap gebruiken. (Wordt vervolgd)