Gerard - 26/engeland (1)

‘Goedenavond dames en heren. Good evening mr. Van het Reve’, opent Simon Vinkenoog het boekenbal van 1953. Het is een ironische hint naar het feit dat Gerard heeft laten weten slechts in het Engels te willen schrijven, een voornemen dat door zijn Nederlandse collega’s serieus genomen werd. Vinkenoog en Gerard waren toen nog vrienden. Toen de zoon van Simon in 1946 werd geboren, ontwierp Gerard, die immers een grafische opleiding had gevolgd, het geboortekaartje.

Tussen 1952 en 1957 zal Gerard regelmatig naar Engeland reizen en er ook een tijdje verblijven. Veel weten wij niet van die tijd, vreemd genoeg. Het is of Gerard die periode welbewust uit zijn geheugen en werk wil bannen, hoewel je zou zeggen dat zijn werkzaamheden grote invloed op hem moeten hebben uitgeoefend. Wat dat betreft is er een merkwaardige overeenkomst met broer Karel. Die heeft een jaar in New York gewoond en heeft daar nog nooit meer dan drie regels over geschreven.
Maar je beseft ook als romanschrijver dat alles al eens is gedaan, daar ontkom je niet aan. Alle experimenten met de taal zijn al uitgevoerd: het reduceren tot bijna niets, het uit elkaar halen van de zinnen, het overvloedige. De mogelijkheden zijn beperkt. Het enige wat je zou kunnen zeggen is dat de middelen waarmee je dezelfde boodschap wilt brengen, steeds verschuiven. Die worden aangevuld door de manier waarop we leven. De pretenties worden, naarmate ik steeds ouder word, bescheidener. Ik wil gewoon dat de mensen om verschillende passages moeten lachen. Konrad schrijft De medeplichtige in een snelle, journalistieke stijl. Geestig. En Elfriede Jelinek, prachtig, zo goed geschreven. Dan merk je inderdaad dat het anders kan. Klassiek geschreven, maar wel cynisch en ironisch en grotesk.’
Gerard werkte in Engeland onder andere als broeder (zaalwacht) in een ‘mental hospital’. Hij heeft daar ongetwijfeld veel 'gekken en idioten’ meegemaakt, maar wat hij daar heeft beleefd, komt maar mondjesmaat in zijn werk terug. Bijvoorbeeld in het verhaal 'Het zesde jaar’ uit 1969, dat niet voor niets gaat over zaken die Gerard eigenlijk te pijnlijk vindt om erover te schrijven. Een citaat: 'In het ziekenhuis in Londen (…) had ik een man verpleegd die in de slag bij Duinkerken een been was kwijtgeraakt, maar sedertdien aan een razende, nooit aflatende pijn in datzelfde, ontbrekende been was blijven lijden, al die zestien jaren lang, door geen arts ooit nog gekureerd, en die mij, op een stille namiddag, gevraagd had of ik dacht dat hem dat been ontnomen was omdat hij, kort voor de veldslag op verlof achter de linies, zijn vrouw eenmaal lichamelijk ontrouw was geweest met een of ander Frans hoertje. Klein werk, dit, vergeleken bij de marinekok of scheepsbakker, in de epsieklepsieafdeling, die in twintig jaar steeds depressiever was geworden, immer dieper zijn schuld aan het leed der wereld beseffend; die in de oorlog had gedacht dat de luchtbombardementen door zijn schuld over Engeland waren gekomen, en die tijdens de nachtelijke aanvallen op Londen schreeuwend door de verlaten, verduisterde straten had gerend, het gebied van de bominslagen tegemoet, om door de voor hem bestemde bom de dood te vinden die hij zocht als een kostbare schat, maar die van hem was blijven vlieden.’
Een 'writer’s goldmine’ zou je zeggen. Maar Gerard wil of kan er niets over kwijt. Later, in de Haagse Post van maart 1957, wordt de schrijver gei"nterviewd in de hoedanigheid van 'auteur-hulpverpleger’ door Simon Vinkenoog, maar ook dan betracht hij de uiterste terughoudendheid over zijn werk in het Engelse ziekenhuis. Wel weet Gerard dan al zeker dat hij 'christen’ is.
In Londen waar hij onder andere woonde op '5, Shaftesbury Villas, Allen Street, London W8’, was hij andermaal arm als een kerkrat. Aan zijn ouders schrijft hij in 1954 als hij in Londen is om een cursus te volgen van de British Drama League: 'My room is very nice, dry, and sunny, and not as small as the one last year. (…) Everybody in the school, the tutors as well as the students, are extremely nice and kind. Everybody considers me as a lost, poor foreigner that needs help.’ Hij eet bij vrienden en vriendinnen. Scharrelt zijn kostje moeizaam bij elkaar en is kampioen in het zuinig leven.
Schrijven, dat is en blijft zijn doel.
In diezelfde periode, begin jaren vijftig, ontmoet hij zijn collega Henk Romijn Meijer. 'Ik had Gerard voor het eerst ontmoet op het doctoraalfeest van een psychiater, in 1950 of 1951, de tijd, in ieder geval, toen 'De avonden’ nog mijn lijfboek was. (…) De auteur stelde zich voor in een virtuoze reeks schuttingwoorden en mengde zich daarna in een gesprek. Twee doktoren bespraken vakkundig een hartkwaal en Gerard ging op de leuning van hun stoelen zitten. Hij mengde zich in de discussie. “Komt van het trappenlopen”, zei hij, “alsmaar de trap op en af, dat wordt te veel, dat is slecht…” Het gesprek was verziekt en Gerard begaf zich naar de bar.’
Romijn Meijer heeft zijn herinneringen aan Gerard opgeschreven in 'Toen Reve nog Van het Reve was’ (1985), een boekje zoals er helaas te weinig in de Nederlandse literatuur zijn geschreven.
We leren Gerard daaruit kennen als een pestkop: 'Hij bestudeerde de rode plek in mijn hals die ik aan het vioolspelen dankte. “Heb je nou een of andere geslachtsziekte opgelopen, kerel?” wilde hij weten en vroeg of mijn migraines “spychologisch” waren. “Heb jij niet een of andere menstruatiepil?” vroeg hij Hanny. Hij wist iets beters, een natuurlijk geneesmiddel tegen de kwaal: “Aftrekken, minstens vijf maal per dag.” “Van aftrekken krijg je juist hoofdpijn”, zei ik en Hanny zei: “Dat zegt Hermans ook.” Waarop Gerard beloofde dat hij een vrouw voor me zou zoeken. Hij had er dadelijk twee op het oog, een met kleine harde tieten en een met grote zachte, ik kon kiezen, het kwam voor elkaar. Dat mijn been als gevolg van mijn ongeluk op den duur stijf gemaakt zou moeten worden, inspireerde hem tot een opbeurende gang door de kamer als stijfpoot.’
Romijn Meijer beschrijft Gerard als iemand die in die tijd toch een beetje in de literaire scene meedraaide: 'Hij leefde een beetje tegen het wereldje aan in die jaren vijftig, hij hield er niet erg van en er was niet veel anders. Hij vertelde dat hij en Hanny af en toe gingen eten bij een schilderende mevrouw die mensen van naam op haar atelier ontving. Gerard beschreef de gerechten tot in details, alles piekfijn. 'En als ze dan later op de avond wat gaan praten dan hoor je wel waar het om gaat. Dan zegt ze dingen als: “Dat is de grote schrijver van 'De Avonden’…” Zulke uitroepen maakten hem verlegen. “Maar toch mag een beetje snobisme er wel bij”, zei hij. “Zoveel aandacht krijgt de kunst niet in Nederland.”
Romijn Meijer schrijft iets opmerkelijks over die Engelse periode. Reve zou een roman over die tijd hebben geschreven. Het zou 'In God We Trust’ kunnen zijn, maar ook 'De drie soldaten’. Het laatste boek werd zelfs door Van Oorschot in 1958 in de aanbiedingscatalogus opgenomen. Maar zowel 'De drie soldaten’ als 'In God We Trust’ zijn nooit verschenen.
Desondanks vermoed ik dat die romans in stukjes en beetjes in Gerards werk zijn terechtgekomen.
Wanneer Gerard iets aan Henk Romijn Meijer liet lezen en Henk het goed had bevonden, zei Gerard: 'En het is allemaal waar.’